Auteursarchief: Erik

Midden-Oosten-correspondent Robert Fisk : “Onze huidige leiders weten niet meer wat oorlog echt betekent”

interview De Morgen, 14 november 2009

Journalist Robert Fisk heeft meer bloed en ellende gezien dan goed is voor een mens. Part of the job, zegt de man die al dertig jaar het Midden-Oosten covert. Wie niet tegen een aan flarden geschoten lijk kan, heeft in zijn vak niks te zoeken. De gelauwerde correspondent van The Independent heeft het zelf van geen vreemden. Bob is de zoon van Bill Fisk, veteraan van de slag bij de Somme in 1918. Deze week was hij in Ieper om er de Elfnovemberlezing uit te spreken. Een gesprek over de verslaving van de oorlog en de manier om ervan af te kicken.

Foto Alan Liefting (Wikipedia)

****

Robert Fisk (63) heeft de uitstraling van een postbeambte. Uitdunnende haardos, rood aangelopen gezicht met een bril, echt niet het cliché van de onvervaarde oorlogsjournalist die hij in werkelijkheid is. Hoewel, oorlogsjournalist? Fisk zelf weigert resoluut het stempel. Correspondent Midden-Oosten is de correcte titel, al geeft hij node toe dat die omschrijving vaak op hetzelfde neerkomt. Al dertig jaar bestrijkt de Britse journalist vanuit Beiroet de betere brandhaarden van deze planeet, aanvankelijk voor de Times en sinds 1989 voor The Independent. De Iraanse revolutie, de opeenvolgende Golf-oorlogen, het Palestijns-Israëlisch conflict, de burgeroorlogen in Algerije en Libanon, het uiteenvallen van Joegoslavië, het humanitaire drama zonder eind dat Afghanistan heet, Fisk stond overal in de vuurlinie.  Het geluk dat talloze collega’s in de steek liet, bleef aan zijn zijde. Hij laveerde door mijnenvelden, hoorde kogels langs zijn oren suizen en zocht dekking voor inslaande granaten. Een keer liep het bijna fataal af, toen woedende Afghanen hem molesteerden uit wraak voor een Amerikaans bombardement dat een half dorp dood achterliet. Doorgaans echter keerde hij behouden terug, met messcherpe reportages waarin geen detail van de oorlogsgruwel onverlet blijft. Eelt op de ziel heeft hij gewis, maar de gave van verontwaardiging is hij nooit verloren. Fisk geldt als een van scherpste critici van het Amerikaanse en Britse beleid in het Midden-Oosten. Niet toevallig mocht hij als enige westerse journalist tot drie keer toe op gesprek bij de meest gezochte man ter wereld, Osama Bin Laden. Het verslag van deze bizarre ontmoetingen valt te lezen in ‘De Grote Beschavingsoorlog’, een pil van 1400 meeslepend geschreven pagina’s die de neerslag vormen van drie woelige decennia in het Midden-Oosten.

Robert Fisk was deze week in Ieper, waar hij op uitnodiging van het Vlaams Vredesinstituut de traditionele Elfnovemberlezing uitsprak. De keuze lag nog meer voor de hand dan op het eerste gezicht lijkt. Robert Fisk is niet alleen oorlogscorrespondent tegen wil en dank, hij is bovendien de zoon van een in 1899 geboren frontsoldaat. Bill Fisk, die de derde slag bij Somme in 1918 overleefde, heeft zoon Bob met een levenslange fascinatie voor de Grote Oorlog besmet. We hebben trouwens afgesproken in de Old Tom, een hotel op de markt van Ieper waar bussen met Britse battlefield toeristen aan en af rijden. Het was 1956 toen hij hier met zijn ouders logeerde voor de eerste van vele bedevaarten naar de soldatenkerkhoven van WOI.  

“De foto’s aan de muur zijn nog niet veranderd”, stelt Fisk in de eetzaal vast. “Ik zie ons nog zitten aan dat tafeltje bij het raam, mijn ouders met een bevriend koppel van wie de man zelf majoor was geweest. Soms kwam hij ons thuis opzoeken, in Maidstone bij Kent. Die majoor had zeldzame foto’s van het front, genomen vanuit een luchtballon. Dat vond ik indrukwekkend. Je kon alles zien, de colonnes met paarden en zelfs de Duitse loopgraven. Ik heb die foto’s later gekregen, ze zitten nu in mijn omvangrijke collectie over de Grote Oorlog.  Vader kocht en verslond alles wat er over 14-18 verscheen, hij was erg trots op zijn bibliotheek. Op het einde van zijn leven heeft hij het vaak gezegd. Straks, als ik er niet meer ben, zijn al die boeken voor jou. Ik heb hem nooit willen vertellen dat ik op dat moment zelf al een veel grotere bibliotheek had dan hij”.

  • Was er in 1956 ook al sprake van battlefield tourism in Ieper?

Robert Fisk: “Oh ja, het zat even stampvol als vandaag, maar in die tijd waren het de oorlogsveteranen zelf die naar Vlaanderen afzakten.  Wij kwamen met de auto, een oude Austin. Ik zat op de achterbank, we reden van het ene kerkhof naar het andere.  Het werd een traditie, vader kwam ieder jaar. Vanaf mijn zestiende kon ik zelf rijden en speelde ik voor chauffeur. Op een keer liet hij me stoppen bij een boerderij in Louvencourt bij de Somme, de plek waar hij was ingekwartierd toen de wapenstilstand werd afgekondigd. Hij had me vaak verteld over de stokoude boerin die zijn ontbijt kwam serveren, ze was hem bijgebleven omdat ze altijd een pijp rookte. We hebben niet aangeklopt, daar was vader te verlegen voor.  Veel later, toen vader al dood was, kwam ik opnieuw in Louvencourt om opnames voor een BBC-reeks te maken. Ik ben toen wel bij die boerderij gaan aankloppen. Bleek dat bewoners zich die pijp rokende boerin maar al te goed herinnerden, het was hun overgrootmoeder”.

  • Heeft je vader vrijwillig dienst genomen?

Fisk: “Hij wilde al op zijn 15de naar het front, maar daar heeft zijn moeder een stokje voor gestoken. Hij stond al in het rekruteringsbureau, toen ze binnenstormde en riep dat haar zoon nog niet de wettelijke minimumleeftijd had bereikt. In 1916 mocht hij dan toch dienst nemen, maar toen was de Ierse opstand net begonnen en werd hij naar Dublin gestuurd. Uiteindelijk is hij pas in 1918, na het laatste Duitse offensief, met het 12de bataljon van het King’s Liverpool Regiment naar de Somme kunnen vertrekken. Het lijdt geen twijfel dat de Ierse opstand zijn leven heeft gered. Ik heb thuis de postkaarten liggen die zijn vrienden hem van het front stuurden. Come and join us, stond erop. Van al die vrienden is er niet één teruggekeerd. Ik heb het verhaal van Bill verteld, toen ik als eerste Engelsman de Bloody Sunday Memorial Lecture in Derry mocht geven. Dat was een intense ervaring, de zaal zat vol IRA-aanhangers.  Ik begon met een oprecht dankwoord voor Padraig Pearse, de leider van de Paasopstand. Zonder hem zou ik hier wellicht niet hebben gestaan, heb ik naar waarheid gezegd”.

  • Was hij getekend door de oorlogservaring?

Fisk: “De oorlog heeft zijn hele leven overschaduwd. Ik weet nog hoe hij zich bedrogen voelde na het lezen van de eerste kritische biografie van generaal Haig, de Britse bevelhebber aan de Somme die als een oorlogsheld werd vereerd. So he was a bloody liar, zei vader toen hij het boek dicht sloeg. Hij kon zijn leven lang geen krengen zien, zelfs een dooie vogel of kat in de tuin was hem te veel. Dat had te maken met een bijzondere ervaring aan het front. Zie je, velen denken dat de oorlog op 11 november 1918 is afgelopen, maar op die datum werd alleen de wapenstilstand afgekondigd. Heel veel soldaten zijn in de loopgraven gebleven tot eind 1919, toen de vredesakkoorden van Versailles werden gesloten. In die periode is er iets merkwaardigs gebeurd. Vader, die tot luitenant was opgeklommen, werd belast met de executie van een Australische soldaat die een andere soldaat tijdens een dronken ruzie had doodgeschoten. Bill heeft dat geweigerd, en als straf hebben ze hem met een rotklus opgezadeld. Hij moest lijken uit massagraven opgraven en op soldatenkerkhoven herbegraven.  De geur van de dood, die is hij nooit meer kwijtgeraakt. Op het einde van zijn leven, toen hij voor kanker was geopereerd, kon hij het allemaal in één zin samenvatten. Die hele oorlog, zei hij, dat was een en al verspilling geweest”.

  • Heeft je vader ooit verteld waarom hij dat executie-bevel naast zich heeft neergelegd?

Fisk: “Nee, ik heb nooit de kans gekregen om hem die vraag te stellen. Het intrigeert me wel, want vader was een principieel voorstander van de doodstraf. Dat was maar één van de onderwerpen waar we vaak ruzie over maakten. Vader was een conservatieve nationalist die op zijn oudere dag ronduit racistische praat over niggers uitkraamde.  Hij voelde zich geen Brit, maar een Engelsman. In zijn ogen was dat een belangrijke nuance. Engelsman, dat was een aparte mensensoort”.  

  • U bent zelf vlak na de Tweede Wereldoorlog geboren. Nochtans heb ik de indruk dat de Eerste Wereldoorlog diepere sporen in uw jeugd heeft getrokken.

Fisk: “Toch niet, de Tweede Wereldoorlog was erg prominent aanwezig in mijn kindertijd. Moeder, die 21 jaar jonger was dan vader, had de oorlog intens beleefd. Ze werkte voor de luchtmacht, ze herstelde boordradio’s van Spitfires. Vader, die na de Grote Oorlog een carrière als gemeenteambtenaar had gemaakt, kreeg er pas na de Duitse capitulatie mee te maken. Hij werd naar Hamburg gestuurd om er als expert te helpen bij de opbouw van een stadsbestuur. (grinnikt) Zo zie je maar, in tegenstelling tot de invasie van Irak vandaag, werd er in die tijd op voorhand nagedacht over de wederopbouw. Ik ben zelf vaak in Hamburg geweest, de eerste keer moet in 1949 zijn geweest. Hoe klein ik ook was, ik herinner me heel goed dat de stad nog volledig in puin lag. We verbleven in een van de weinige huizen die nog overeind stonden. Iedere namiddag moesten we de ramen openzetten, want dan lieten ze de blindgangers ontploffen die nog overal tussen het puin lagen. Van sommige taferelen begreep ik de betekenis niet. Op een keer zag ik hoe een groep Duitsers door Russische militairen werd geëscorteerd en aan de Britten werd overgedragen, velen droegen nog hun kepie met de Duitse adelaar erop. Later heeft vader uitgelegd dat het om soldaten van de Wehrmacht ging die bij Stalingrad krijgsgevangen waren gemaakt. Ik heb aan die periode een dierbaar souvenir overgehouden. Vader had me een speelgoedtrein gekocht, een Duitse stoomlocomotief uit de jaren dertig met alles erop en eraan. Thuis liet ik hem op de sporen van mijn Engels speelgoedtreintje rijden. De wielen pasten perfect, maar doordat het zo’n potente machine was, kwam het meteen tot een ontsporing. De locomotief is helemaal door de kamer langs de openstaande voordeur naar buiten gereden en aan de overkant van de straat in de berm gecrasht. Duitse kwaliteit”.

  • Geen wonder dat u als journalist ten oorlog bent getrokken. U bent in het vak geboren…

Fisk: “Meer nog dan je denkt. Vader heeft een camera meegenomen toen hij naar Somme vertrok, ook al wist hij dat fotograferen streng verboden was. Hij heeft een paar beelden van het front kunnen maken, op gevaar van zijn leven. Toen we die BBC-reeks maakten merkte de producer op dat mijn vader op zijn manier een reporter was.  Zo had ik hem nooit bekeken”.

  • Was hij gelukkig met uw keuze voor een journalistieke carrière die zich van slagveld naar slagveld sleept?

Fisk: “Niet toen ik bij de Sunday Express debuteerde, want die krant vond hij beneden zijn waardigheid. Maar toen ik naar de Times overstapte, was hij heel trots. De Times van voor Rupert Murdoch, dat was een eerbiedwaardig instituut. Toch vond hij na een paar jaar dat het welletjes was geweest. Het werd tijd dat zijn enige zoon trouwde en een gezin stichtte. Uiteindelijk heeft hij zich bij het onvermijdelijke neergelegd, hij is me tot aan zijn dood blijven volgen en lezen. Mijn verslaggeving van de oorlog tussen Iran en Irak, daarmee heb ik een gevoelige snaar geraakt. Het was een primitieve stellingenoorlog met loopgraven, modder en kindsoldaten die zich argeloos te pletter liepen op barrières van mitrailleurvuur. De taferelen die jij beschrijft kan ik me zo voor de geest halen, zei hij op een keer, het ging er net zo aan toe in de Grote Oorlog”.

  • Ziet u een verband tussen de Grote Oorlog en de conflicten die u zelf verslaat?

Fisk: “Oh ja, het ligt voor de hand. Na de wapenstilstand begon men driftig lijnen te trekken op de wereldkaart. Binnen de zeventien maanden werden de nieuwe grenzen van Noord-Ierland, Joegoslavië en het Midden-Oosten bepaald. Dat zijn niet toevallig de regio’s waar ik al mijn hele carrière van de ene brandhaard naar de andere spurt. Mijn werk had er zonder de oorlog van Bill Fisk heel anders uitgezien. Al die conflicten hebben natuurlijk hun specifieke oorzaak en context, maar na al die jaren heb ik ontdekt dat er een grote gemene deler bestaat. Oorlog is een verslaving, net zoals alcohol, tabak en drugs”. 

  • Wat bedoelt u daarmee?

Fisk: “Politici koesteren de illusie dat oorlog een middel is om problemen op te lossen. Hebben alle opties gefaald? Krijgen we Saddam Hoessein met politieke of economische druk niet op de knieën? Geen nood, dan grijpen we naar de ultieme remedie. Met groot geweld Irak binnenvallen, en het probleem is van de baan. We zien nu wat ervan gekomen is. Ach, ik weet waar het paard gebonden ligt. De huidige generatie van Westerse leiders weet niet meer wat oorlog werkelijk betekent. Loop het lijstje met staatshoofden af, vlooi de kabinetten van de bevoegde ministeries uit. Je zult niemand vinden die in loopgraven heeft gezeten of op een slagveld heeft gestaan, terwijl de kogels hem rond de oren fluiten en allerwegen granaten ontploffen. Vergelijk dat met de leiders met wie ik ben opgegroeid. Atllee, Eden, Churchill, de Gaulle, allemaal veteranen van WOI. Zij beseften dat oorlog niet in de eerste plaats om winnen of verliezen draait, maar om het doden van mensen, burgers zowel als militairen. Een van mijn favoriete citaten komt van Tolstoi.  In de oorlog bestaan geen regels, schreef hij, je kunt mensen straffeloos vermoorden en er nog een medaille voor krijgen”.

  • Zouden leiders echt andere beslissingen nemen moesten ze af en toe met de neus in een bloedbad worden gedrukt?

Fiks: “Ik ben daarvan overtuigd. Waarom denk je dat er zoveel spanningen bestaan tussen politici en journalisten? Omdat wij wel weten wat oorlog is, en omdat we dat ook willen tonen aan het publiek. Politici zijn daar allergisch voor. Oorlog moet zo clean mogelijk worden voorgesteld. Bombardementen worden met chirurgische precisie uitgevoerd, als er toch burgerslachtoffers vallen, dan vallen die onder het aseptische begrip collateral damage. Flauwekul natuurlijk. Oorlog, dat zijn huilende vrouwen die met de ingewanden uit de buik op noodbrancards naar onderbemande hospitalen worden afgevoerd. Dat zijn kinderen met afgerukte ledematen en gapende wonden waaruit nog de rook van de fosfor opstijgt. Het wordt steeds moeilijker om die rauwe werkelijkheid te tonen. Er is een kwalijke collusie aan de gang tussen media en politiek. In 2003 probeerde ik van Bagdad naar Basra te gaan om er de Britse belegering te verslaan. Ik moest rechtsomkeer maken, er vielen gewoon te veel bommen. De collega’s van Al Jazeera sloegen er zich wel doorheen, en keerden met waarlijk afgrijselijke beelden terug. De Britse artillerie had een bloedbad aangericht, de meeste slachtoffers waren vrouwen en kinderen. Ik was erbij toen ze de beelden bij Reuters in Londen aanboden. Nooit vergeet ik het antwoord. Die beelden waren volstrekt onbruikbaar, fulmineerde een stem in bekakt Engels, het was haast pornografisch. Maar de jongens van Al Jazeera bleven smeken, ze hadden tenslotte hun leven geriskeerd om die beelden te maken. Toen wond de stem in Londen zich op. Dit kunnen we niet maken. Beseften ze dan niet dat we een minimum aan respect voor de doden moeten tonen? Dat vond ik een verbluffend antwoord. We respecteren de Irakezen niet als ze nog leven, we respecteren ze nog veel minder als we ze aan flarden schieten. Maar zodra ze dood zijn, dan horen we respect te tonen. Zo ging het trouwens ook met de soldaten in de Grote Oorlog. Velen waren mijnwerkers en arbeiders uit Noord-Engeland die nooit enig respect hadden ondervonden. Als slachtvee werden ze door de gehaktmolen van de oorlog gedraaid, ook al totaal respectloos. En moet je nu zien: ze worden met monumenten en standbeelden vereerd. Sneuvelen moet je doen om gerespecteerd te worden”.

  • Het cosmetische beeld van de oorlog ligt niet aan uw verslaggeving waarin de lezer geen enkel goor detail bespaard blijft. Heeft u zelf moeten wennen aan die gruwel?

Fisk:  “Ik heb er nooit moeite mee gehad. Ik kan ’s middags een ziekenhuis vol kermende oorlogsslachtoffers bezoeken, en ’s avonds met smaak gaan dineren in een Frans restaurant. Ik ben in Noord-Ierland begonnen. Daar vielen geregeld doden, maar niets in vergelijking met Beiroet waar op grote schaal werd geslacht. Als journalist in het Midden-Oosten mag je daar niet over jammeren, dat is even belachelijk als een chirurg die niet tegen bloed kan. Bloed en miserie horen erbij, wie daar niet tegen bestand is, heeft in het Midden-Oosten niets te zoeken. Ik heb weinig geduld met journalisten die komen klagen over hun posttraumatische stresssyndromen. Boek dan een vlucht naar huis, is mijn raad, en als je eerste klasse neemt, krijg je er een glaasje champagne bij. Ik heb ook een hekel aan journalisten die in hun verslag uitweiden over de beproevingen die ze zelf moeten doorstaan. Zo was er een Amerikaanse collega die een drama maakte omdat zijn schoenen na een ziekenhuisbezoek onder het bloed zaten. For Christ sake, alsof wij de slachtoffers zijn! De echte slachtoffers, dat zijn de stakkerds in de ziekenhuizen, en de bewoners van de vluchtelingenkampen die onder vuur liggen en geen paspoort of geld hebben om een veilig onderkomen te zoeken.”.

  • Nooit nachtmerries gehad?

Fisk: “Een keer maar, na de massakers in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Ik was er die dag heel snel bij, de Falangisten waren nog aan het moorden, onder het goedkeurend oog van het Israëlisch leger. Ik ben toen letterlijk over bergen van lijken geklommen, ik moest me verstoppen omdat ik vreesde dat ze me als getuige uit de weg zouden ruimen. Ja, er zijn van die momenten dat de adrenaline je door de aders giert. In Bagdad heb ik een erg intens moment beleefd. Ik was met enkel collega’s in een ziekenhuis. Het was die keer echt verschrikkelijk: buiten woedde een intens artilleriegevecht, binnen stonden we letterlijk tot onze enkels in het bloed. Toen mijn notaboekje vol was, liep ik terug naar de auto. Wat me toen overkwam, zie je normaal alleen in de film. Op het slechtst denkbare moment, terwijl de kogels en granaten me letterlijk rond de oren vlogen, weigert de motor te starten. Ik heb wel honderd keer fuck geroepen, het hielp niet. En opeens komen er drie Irakezen aanlopen, winkeliers die het tafereel door de kieren van hun gesloten rolluik hadden gezien. Ze hebben de auto geduwd tot de motor aansloeg, ik zag in de achteruitkijkspiegel hoe ze me uitwuifden. Ik ben wel vaker door genereuze moslims uit de penarie geholpen”.

  • U woont al dertig jaar onder de moslims. In Vlaanderen en andere delen van Europa is het intussen bon ton om somber toe doen over het samenleven met moslims. Hoe kijkt u vanuit Beiroet naar ons geworstel met de multiculturele samenleving?

Fisk: “Vol onbegrip. Mijn chauffeur is een Arabische soenniet, mijn vertaler klassiek Arabisch een sjiiet, mijn huisbaas een Druus, mijn kruidenier een christelijke Maroniet. We kennen en respecteren elkaars verschillen. Wat is daar zo moeilijk aan?  Luister naar imam Ali, de stichter van het sji-isme. Vrees niet als je een vreemde man ziet, zei hij tot zijn volgelingen, ofwel is hij je broeder in het geloof, ofwel is hij je broeder in het mensdom”.

  • Uw recentste boek heet ‘The Age of the Warrior’. Ik dacht dat we in ‘The of the Terrorist’ leefden..

Fisk (gretig): “Dank u voor de gemeten voorzet. Terror, terrorist,  je hoort niks anders meer. Persconferenties, nieuwszenders, kranten, het gaat de hele dag door. Ik word ziek van dat woord. Terrorisme is een idioot, zinledig en bovenal racistisch begrip. Want het zijn altijd dezelfden op wie het label wordt geplakt. Het woord Palestijn is haast synoniem voor terrorist geworden. Als je het waagt om een pro-Palestijns standpunt in te nemen, slaan ze je met een dooddoener om de oren. Zozo, meneer verdedigt het terrorisme. Hoe is het zover kunnen komen? De Amerikaanse media hebben daar een perverse rol in gespeeld, zeker als het over Israël gaat. Joodse kolonies op de Westbank heten nederzettingen, de muur is een onschuldig hek, en bezette gebieden worden systematisch als omstreden gebieden aangeduid. Ze tonen Palestijnse tieners die met stenen gooien, maar vertellen er niet bij wat hen daartoe aanspoort. Dat ze die stenen gooien omdat Israël wegversperringen en muren bouwt om op Arabisch land kolonies te bouwen waar alleen joden welkom zijn, wat tussen haakjes gezegd een flagrante inbreuk is op het internationaal recht. Wat onthoudt de kijker als hij die context niet kent? Dat die Palestijnen geboren geweldenaars zijn, genetisch geprogrammeerd voor het plegen van terreur”.

  • Kunt u ook begrip opbrengen voor het fenomeen van de zelfmoordterro…euh..zelfmoordkrijger?

Fisk: “Kijk naar de context, dat heb ik na 9/11 geschreven en gezegd. Vlak na de aanslagen werd ik door een Amerikaanse radiozender opgebeld en live geconfronteerd met een Harvard-professor. Woedend was die academicus. Hoe durf je zoiets te schrijven? Dat komt neer op een steunbetuiging voor het terrorisme! Ik heb hem zijn vet gegeven. Natuurlijk ging het om walgelijke aanlagen op de menselijkheid. Maar maakt die vaststelling de vraag minder urgent: waarom hebben ze die aanslagen gepleegd? Is het een toeval dat alle daders uit het Midden-Oosten kwamen? En ligt het dan niet voor de hand dat we ons even bezinnen over de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten? Na de aanslagen op de Londense metro was Tony Blair er als de kippen bij om uit te sluiten dat dit ook maar iets met de oorlog in Irak te maken had. Zijn woorden waren nog niet koud of er dook een video op waarin de daders verklaarden dat het alles met Irak te maken had. Tja, hoe belachelijk kan een Britse premier zich maken. Weet je, het is echt niet moeilijk om te begrijpen waarom sommigen zelfmoordaanslagen plegen. Kom naar Libanon en neem een kijkje in de kampen van Sabra en Shatila, waar de overlevenden van het bloedbad nog altijd in afgrijselijke omstandigheden leven. Ga naar Gaza, of voor mijn part naar de Afghaanse vluchtelingenkampen in Pakistan. Wie het Midden-Oosten wil snappen, moet de wanhoop kennen waarin miljoenen mensen leven”.

  •  U klinkt niet bepaald optimistisch..

Fisk: “Ik ben ook niet optimistisch. De Amerikaans-Britse politiek in het Midden-Oosten is een fiasco. Mijn gratis advies: trek zo snel mogelijk alle militairen uit Irak en Afghanistan terug. Stuur in de plaats 40.000 dokters en hulpverleners, maar doe niet aan zelfoverschatting. We kunnen helpen met het bouwen en herstellen van ziekenhuizen, bruggen of elektriciteitscentrales. Maar zodra we de pretentie hebben om onze beschaving uit te dragen, zal het weer fout lopen. Probeer niet in Afghanistan een bebaarde dorpsleider te overtuigen van de noodzaak om meisjes naar school te sturen. Je kunt even goed proberen Hendrik de Achtste voor de democratie te winnen of Oliver Cromwell respect voor de rechtstaat bij te brengen. Het zal niet lukken, die baardige dorpsleider zal je inspanning als een opdringerige bemoeienis interpreteren. Kijk, er is een gigantisch communicatieprobleem tussen Oost en West. Wij hebben ons geloof afgezworen, de Eerste Wereldoorlog heeft daar trouwens flink toe bijgedragen. In het Midden-Oosten daarentegen zijn de mensen religieus gebleven. In die kloof ligt de bron van vele misverstanden. Wij, kinderen van de Verlichting, achten onze beschaving superieur, maar in het Midden-Oosten zien ze dat anders. Wie zijn die Westerlingen die ons militair, politiek en economisch komen domineren? Ze hebben niet eens een godsdienst”.

  • Wel zuur voor die meisjes in dat Afghaanse bergdorp…

Fisk: “Er is een oplossing, maar ze zal tijd vergen. Nodig die baardige dorpsleiders naar Europa uit. Toon hen hoe wij hier leven. Sommigen zullen onze levensstijl afwijzen, anderen zullen met positieve conclusies naar hun thuisland terugkeren. Op die manier werden in het verleden al grote stappen voorwaarts gezet. In de jaren twintig keerden Egyptische intellectuelen uit Parijs terug, verrijkt met humanistische denkbeelden die ze meteen begonnen toe te passen. Op die manier werden de eerste feministische organisaties van het Midden-Oosten opgericht, toen reeds”.

  • Slotvraag: waarom gaat u zo tekeer tegen de Nobelprijs van Barack Obama?

Fisk: “Ik zal antwoorden met een quote van mijn goede vriend Naom Chomsky met wie ik vorige week in Dublin ging dineren. Obama heeft nog volstrekt niks gedaan voor vrede, maar dat is nog altijd meer dan zijn voorgangers kunnen claimen. Nee, Obama heeft geen goede beurt gemaakt. Had hij die prijs beleefd geweigerd, dan was hij in mijn ogen een grote meneer geweest”.

De queeste naar de Begijnhofvlaming

Franse vertaling verschenen in Wilfried N°12 (zomer 2020): “La vie insulaire des béguinages”

Patrick Dewael: “Begijnhoven vormen de rode draad in mijn leven”

Groot Begijnhof Gent. Toegangspoort. (Foto: Tim Dirven)

Bestaat er buiten de Ijzertoren iets dat Vlaanderen meer typeert dan het begijnhof? Katholieke vroomheid gedrenkt in mystiek, Georges Rodenbach mocht er graag in zwelgen. Bruges-la-Morte had even goed Lierre-la-Morte, Termonde-la-Morte of Tongres-la-Morte kunnen heten. 26 van de meer dan 40 begijnhoven bleven bewaard, de helft met Unesco-werelderfgoed-status. Ascese hoeft er niet meer zo nodig, maar hun sociale rol is niet helemaal uitgespeeld. Begijnhoven zijn progressieve, spirituele eilandjes in een seculier, rechts stemmend Vlaanderen. Voor het Franstalige blad Wilfried trok ik op verkenning en deed een verrassende ontdekking. “De oorsprong van de begijnhoven ligt in Wallonië”.

Nee, Jacques Brel dacht niet aan Lier toen hij zijn Vlaamse klassiekers schreef. Het had nochtans perfect gekund. De Mariekes zijn er even mooi als in Brugge of Gent, en er is geen gebrek aan middeleeuwse torens, noirs comme mâts de cocagnes. In feite zijn alle ingrediënten van Brels haat-liefde-verhouding met Vlaanderen in deze Antwerpse provinciestad voorradig. De kronkelende steegjes, de huizen met trapgevels, de westenwind die lage wolken voortjaagt, een spektakel dat zich weerspiegelt in de wateren van de Grote en de Kleine Nete die in Lier samenvloeien. Maar ook het Vlaanderen van pastoors en kwezels, een realiteit die Brels bijtende spotlust uitlokte, heeft zijn stempel gedrukt. Nergens valt dat beter vast te stellen dan in de Lierse Begijnhofstraat.

Vaut le détour, zou de Guide Michelin over het Sint-Margharetabegijnhof zeggen. Een uitputtende beschrijving geven is onbegonnen werk, daarvoor werd de fotografie uitgevonden. De lezer mag zich een verkeersvrije doolhof van twee hectaren voorstellen, met kasseisteegjes en huizen van wisselend formaat, in renaissance- of barokstijl. Centraal ligt de Sint-Margarethakerk, volgens kenners een parel van Vlaamse barok met rococo-elementen.  Haast alle 156 woningen afficheren een gewijde naam, van Sint-Adrianus over Sint-Appolonia en Onze-Lieve-Vrouw van Visitatie tot De 3 Coninge. Het patrimonium dateert overwegend uit de 17de en 18de eeuw, maar de gemeenschap van godsvruchtige vrouwen werd al in 1256 gesticht. In vruchtbare bodem, want een eeuw later woonden hier al ruim 300 begijnen.

Religie is behalve een sociologisch fenomeen vooral een stedenbouwkundige factor van belang. Zeker in Vlaanderen waar het Roomse geloof complete stadswijken uit de grond deed rijzen. Het blijkt namelijk geen toeval dat in deze straat ook nog eens twee godshuizen liggen. ‘Die waren complementair met het begijnhof’, vertelt stadsgids en begijnhofbewoner Eddy Klynen. ‘Ze werden door vrome mecenassen gesticht om de armen van de stad op te vangen. De huisjes waren zo klein dat het OCMW ze later heeft samengevoegd om er leefbare appartementen van te maken. Daarin schuilt het contrast met het eigenlijke begijnhof. Kijk naar deze huizen: om zo’n kasten te bouwen moest je in de 17de eeuw schatrijk zijn. Pas op, niet alle begijnen zaten er warmpjes in. In feite was het begijnhof een standenmaatschappij waar arme begijnen de was en plas deden voor rijke begijnen. Die laatsten woonden in een echt huis, de anderen moesten vaak genoegen nemen met een chambrette in een convent dat ze met tientallen begijnen deelden. Doorgaans echter waren begijnen vermogende vrouwen die een aanzienlijke bruidsschat meebrachten als ze intraden’.

Lambert Le Bège

Bestaat er iets dat Vlaanderen meer typeert dan een begijnhof? Jazeker, kathedralen en belforten horen bij het cliché. Kathedralen vind je echter in heel Europa, terwijl belforten ook in Wallonië en Noord-Frankrijk vertrouwde fenomenen zijn. Begijnhoven daarentegen lijken even exclusief Vlaams als de Ijzertoren. In 1998 heeft de Unesco in een klap 13 Vlaamse begijnhoven bijgeschreven op de lijst van werelderfgoed. Deze heugelijke gebeurtenis, het product van jarenlang lobbyen, werd in 2018 met een tentoonstelling en champagne herdacht. Niks beters voor de citymarketing dan een Unesco-stempel, dat is algemeen bekend. Brugge, Dendermonde, Diest, Gent, Hoogstraten, Kortrijk, Leuven, Lier, Mechelen, Sint-Amandsberg, Sint-Truiden, Tongeren, Turnhout, in de communicatie door Toerisme Vlaanderen wordt de alfabetische volgorde strikt gerespecteerd. Het zal de geografisch beslagen waarnemer niet ontgaan dat alle Vlaamse provincies werden bediend. Geen wonder, want twintig jaar geleden speelden de provincies bij dit soort lobbywerk nog een prominente rol.

Georges Rodenbach was erdoor gefascineerd: het Brugse begijnhof leverde inspiratie voor Bruges-La-Morte en voor Musée de béguines. De vlijtige, godsvruchtige vrouwen met hun witte kappen bepaalden zijn beeld van Vlaanderen, gehuld in dichte nevelen van mystiek en nostalgie naar een verzonnen, middeleeuws verleden. Maar begijnen typisch Vlaams? Cor Vanistendael van Erfgoedcel Noorderkempen in Turnhout ziet zich verplicht om voorbehoud te maken. ‘In feite ligt de oorsprong in Wallonië’, komt hij verrassend uit de hoek. ‘Luik was de  bakermat van de begijnenbeweging in onze contreien’.  Geen loze bewering zullen we nadien middels enkele muisklikken constateren. Lambert Le Bège (1131-1177), wiens beeld de gevel van het prins-bisschoppelijk paleis in de Vurige Stede siert, wordt als de spirituele vader van de begijnen beschouwd. Vrouwelijke volgelingen van deze charismatische kerkhervormer zouden al eind van de 12de eeuw een proto-begijnengemeenschap hebben gesticht. Ook in Ognies en Nijvel ontstonden al heel vroeg begijnhoven. ‘Het is onzin om met een communautaire bril naar dit fenomeen te kijken’, zegt Vanistendael die als expert meewerkte aan de tentoonstelling over de Unesco-herkenning. ‘Begijnen zijn het product van een religieus-spirituele vernieuwingsgolf die in de 13de en 14de eeuw heel West- en Zuid-Europa overspoelde. Het is de periode van de mystiek, met figuren zoals Hadewych en Hildegarde von Bingen. Overal leefde een sterk verlangen naar ascese, als reactie op de decadentie en praalzucht van de katholieke clerus. Niet uitzonderlijk in de geschiedenis van de Kerk, het is dezelfde breuklijn die later in de reformatie en contrareformatie zal uitmonden. In dat plaatje past dus de opkomst van de begijnenbeweging, al speelden er ook andere, sociologische factoren mee. Voedselcrisissen veroorzaakten een plattelandsvlucht waardoor steden uit hun voegen barstten. In die steden ontstond een groot vrouwenoverschot, ook al omdat veel mannen vertrokken om deel te nemen aan de kruistochten naar het Midden Oosten. Hoe moesten die vrouwen, vaak met een stel kinderen aan hun been, in zo’n omgeving overleven? Als een huwelijk geen optie was, restte alleen nog het klooster of de prostitutie. Het begijnhof bood een uitkomst voor dat dilemma, een solidaire gemeenschap van vrouwen zonder verstikkende kloosterregel”.

Begijnen legden geen geloften van eeuwige trouw, gehoorzaamheid of armoede af, maar leidden wel een spiritueel leven waarin gebed, contemplatie en handenarbeid centraal stonden. Tegelijkertijd stonden ze met beide voeten in de maatschappij. Begijnhoven waren immers zelfbedruipende ondernemingen die een waaier van activiteiten ontplooiden, vaak met een parochiaal-caritatieve inslag: zieken en melaatsen verzorgen, weeskinderen opvangen, hosties bakken en kaarsen produceren. Ze leefden heus niet alleen van de productie van kant, een thuisnijverheid die in feite pas in de 17 de eeuw ontstond. Begijnen brouwden ook bier, maakten kaas of deden de was voor de rijke burgerij, vandaar dat de meeste begijnhoven over een bleekweide beschikten. Mannen waren in hun gesloten gemeenschap niet welkom. Zelfs priesters, noodzakelijk om de mis te celebreren en de biecht af te nemen, werden hooguit gedoogd. De pastorie lag altijd aan de rand van het begijnhof, met een aparte ingang. Redenen genoeg voor feministen om begijnen als vroege rolmodellen te omhelzen. ‘Een typisch voorbeeld van culturele apropriatie’, zegt Vanistendael daarover ietwat smalend. ‘Begijnen kozen wel bewust voor een vrouwengemeenschap, maar ze waren zich helemaal niet bewust van moderne genderdiscussies’.

Besloten hof

Van Frankrijk over Duitsland tot Engeland, overal ontstonden begijnengemeenschappen, vaak niet groter dan één straat of zelfs maar een huis in de stad. Pas in de 14de eeuw ontstond in het Graafschap Vlaanderen het model van het besloten hof: huizen rond een binnenplein, rondom muren met toegangspoorten die ’s avonds op slot gingen zodat begijnhoven een stad binnen de stad vormden. Het 14de-eeuwse Graafschap Vlaanderen valt in deze context overigens niet te verwarren met de huidige Belgische deelstaat Vlaanderen. Onder de noemer pasten behalve West- en Oost-Vlaanderen gebieden in Noord-Frankrijk en de huidige Nederlandse provincie Zeeland.  Brabant, Antwerpen en Limburg hoorden er niet bij.  Het ‘besloten hof-model’ maakte echter school, ook buiten het Graafschap. In Amsterdam en Breda vallen nog altijd goed bewaarde pleinbegijnhoven te bewonderen. Het groot begijnhof van Parijs werd helaas in de 18de eeuw afgebroken, en van het eens zo bloeiende Brusselse begijnhof rest alleen nog de prachtige barokkerk, bekend van talloze acties ten faveure van sans-papiers. ‘Ook in Wallonië werd alles afgebroken’, zegt Vaninstendael. ‘Alleen Doornik heeft nog een volledig begijnhof’.

Afbraak was nooit een optie in Tongeren. Maar in de vroege jaren zestig van de vorige eeuw, toen Kamervoorzitter Patrick Dewael (Open VLD) er nog in korte broek rondliep, lag het begijnhof er vervallen bij. De muren met de toegangspoort waren al lang verdwenen, de laatste begijn had er in de vroege 19de eeuw, kort na de Franse periode,  het licht uitgedaan. Zoals in verschillende Vlaamse steden zou het begijnhof langzamerhand opgaan in het stadsweefsel. De infirmerie, waar de begijnen ooit melaatsen en pestlijders verzorgden, werd een stedelijk weeshuis. Kapellen en conventen werden als school of armenhuis gerecycleerd, grotere panden door gegoede burgers opgekocht, terwijl in de kleine huisjes arbeiders en ambachtslieden hun intrek namen. Het Tongerense begijnhof, waarvan de eerste sporen naar de vroege 13de eeuw leiden, gold als een van de oudste van Vlaanderen. Helaas, besef van historisch erfgoed was in de 19de eeuw nauwelijks ontwikkeld. In 1834 werd de bleekweide opgeofferd voor de bouw van een slachthuis, een zware ingreep waarvan Patrick Dewael meer dan een eeuw later de gevolgen zintuigelijk kon waarnemen. ‘Het stonk hier vaak in mijn kindertijd’, zegt hij. ‘Het slachthuis loosde al zijn afval in de Jeker, kun je nagaan welk effect dat bij warm weer sorteerde.  Op de duur hebben ze de rivier overwelfd om de stank te beperken’.

Ook het slachthuis is intussen alweer geschiedenis, in de plaats is een jeugdherberg gekomen. En Patrick Dewael, die is zijn korte broek goed en wel ontgroeid. Er zijn weinig topfuncties die hij als politicus niet heeft vervuld, van Vlaams minister-president tot federaal vicepremier en meervoudig Kamervoorzitter. Daarnaast is Dewael een van de langst zetelende burgemeesters van Vlaanderen. De nieuwe decumul-regels van de Kamer noopten hem tijdens zijn vijfde termijn tijdelijk een stap opzij te zetten, sinds 1 juli draagt Ann Christiaens van coalitiepartner CD&V als plaatsvervanger de sjerp. Het belet de verkozen burgemeester niet om trots te zijn op een recente verwezenlijking van zijn stadsbestuur: de Jeker werd weer opengelegd en fungeert met zijn groene jaagpad als een magneet voor fietsers en wandelaars. Je zou het de kroon op een werk van lange adem kunnen noemen, of een feestelijke strik rond het begijnhof dat de voorbije dertig jaar een opvallend reveil kende. Dewael blikt er graag op terug in De Infirmerie, intussen een prachtige horecazaak aan de oever van de Jeker. Eigendom van de stad maar succesvol uitgebaat door een concessiehouder, zo mag een liberaal het graag zien. Ook in zijn relaas van de wederopstanding van het begijnhof sluipt een ideologische boventoon. De overheid beperkt zich best tot het scheppen van het kader waarbinnen de vrije markt en het privé-initiatief kunnen floreren, ziedaar de moraal van zijn verhaal. Dat de Unesco-erkenning een boost gaf aan het herstel, wil hij relativeren. ‘Die titel van werelderfgoed is natuurlijk een troef’, geeft hij toe. ‘Goed voor het stadsimago en belangrijk voor het toerisme. Maar daarmee haal je geen verloederde stadswijk uit het slop. Wat echt het verschil heeft gemaakt, dat was de versoepeling van de stedenbouwkundige regels via een aangepast BPA (Bijzonder Plan van Aanleg). Ziet u, ook zonder de Unesco viel het begijnhof al onder de Vlaamse wetgeving op beschermde monumenten en stadsgezichten. Goed bedoeld en noodzakelijk, maar die bescherming had een verlammend effect. Heel wat jongen mensen wilden graag in het begijnhof wonen, maar dan wel op voorwaarde dat ze hun huis konden verbouwen en uitrusten met modern comfort. Dat was het probleem met de vroegere regeling. Een badkamer of een centrale verwarming installeren, een binnenmuur slopen om van twee benepen kamers een mooie living te maken, het was allemaal verboden. Met ons BPA hebben we die regels versoepeld, en daarmee is de opwaartse spiraal beginnen draaien. Nu is het begijnhof een van de populairste woonwijken van Tongeren’. Natuurlijk spreekt hier de politicus die geen kans onbenut laat om een positieve balans van zijn beleid op te maken. Toch geloven we Dewael op zijn woord als hij beweert dat hij een emotionele band met het begijnhof heeft. ‘Dat zit in de familie’, zegt hij. ‘Mijn vader is van Diest, mijn moeder van Lier waar ik geboren ben. Twee steden met prachtige begijnhoven, net zoals Tongeren. Begijnhoven zijn zowat de rode draad in mijn leven’.

Over begijnhoven werden al bibliotheken vol geschreven. Toch bespeurt erfgoedspecialist Vanistendael een  hiaat: de moderne periode en de hedendaagse rol vallen haast altijd buiten het blikveld van de onderzoekers. ‘Begijnhoven zijn gedurende vier eeuwen relevant geweest voor de Lage Landen, met afwisselende periodes van bloei en verval’. zegt hij. ‘Eind van de 18de eeuw waren ze echter op sterven na dood. De Franse revolutie heeft de genadeslag gegeven. Begijnen mochten niet meer in habijt rondlopen, hun gebouwen werden onder toezicht geplaatst van de gemeentelijke Commissions des Hospices civiles, zeg maar de voorloper van onze OCMW’s. Na de Franse periode heeft de Kerk geprobeerd de begijnhoven terug te krijgen, maar met beperkt succes. De meeste begijnhoven zijn nog altijd in handen van OCMW’s. Je zou dat een vorm van continuïteit kunnen noemen. Net als de begijnengemeenschappen hebben de OCMW’s een sociale en caritatieve functie’. 

Grootjuffrouw

Het Elisabethbegijnhof van Sint-Amandsberg, beter bekend als het Groot Begijnhof van Gent, is in menig opzicht bijzonder. Het voorziet al sinds het interbellum in sociale huisvesting, ook al heeft het OCMW er niks te vertellen. Dit begijnhof, veruit het grootste en jongste van Vlaanderen, wordt door een vzw beheerd waarin behalve leken enkele vertegenwoordigers van het bisdom en religieuzen van de orde der Dominicanen zitten. De oprichting in 1872 was een politieke kwestie. Het toenmalige stadsbestuur, van liberale, antiklerikale signatuur, voerde een waar pestbeleid tegen de begijnen die al sinds de 13de eeuw in Gent waren gevestigd. Stadsvernieuwing was het wapen waarmee hen het leven zuur werd gemaakt. Muren moesten onverwijld worden gesloopt, de bleekweide moest plaats maken voor een nieuwe straat. De redding kwam van een aristocratische mecenas. De hertog van Arenberg schonk in Sint-Amandsberg, toen nog een landelijke randgemeente, een terrein van 7 hectaren om de met dakloosheid bedreigde begijnen uit de nood te helpen. Onder hoge tijdsdruk togen twaalf verschillende aannemers aan het werk. In minder dan twee jaar tijd ontstond zo een ommuurde site met 14 conventen, 80 huizen, een kerk en een infirmerie, allemaal in dezelfde strakke, neogotische stijl. In 1874 konden de 700 bewoners van het oude begijnhof er in hun intrek nemen, wat meteen verklaart waarom Gent thans twee begijnhoven met werelderfgoed-status telt. De bouw viel niet toevallig in een kortstondige periode van katholiek reveil. Vooral de Maria-devotie laaide in Vlaanderen hoog op, een rechtstreeks gevolg van de destijds fel gehypete Lourdes-verschijningen. In feite was het niet meer dan een laatste stuiptrekking. In 1900 was het aantal Vlaamse begijnen al teruggelopen tot 1500, een halve eeuw later waren ze nog met 600. Bij de eeuwwisseling schoten er in heel Vlaanderen nog drie begijnen over. Onder hen Josepha Goethals, de onbetwiste patrones van het Groot Begijnhof in Sint-Amandsberg.

Marijke Libert herinnert zich de Grootjuffrouw nog levendig. ‘Ik zie haar nog zo in de taxi stappen en door de poort wegrijden’, vertelt ze. ‘Drie maanden later is ze in een home  gestorven. 87 jaar oud, ze was al van haar zeventiende in het begijnhof. Toen ik haar die laatste dag zag vertrekken, besefte ik het meteen: dit is het einde van een tijdperk’. Marijke Libert, een dierbare collega met enkele romans op haar palmares, nam zowat twintig jaar geleden met haar echtgenote Lut Celie haar intrek in het Groot Begijnhof. ‘Met de zegen van de Grootjuffouw ‘, zegt ze. ‘De raad van bestuur had in haar tijd niet veel te vertellen, ze nam  alle beslissingen zelf. Ook over wie in het begijnhof mocht wonen, en hoeveel huur er werd aangerekend. Probleemgevallen, alleenstaande moeders of psychiatrische patiënten, kregen voorrang. Dat vond ik erg chique van haar. Ze heeft de gemeenschap voor haar ogen zien uitsterven, maar bleef tot haar laatste snik waken over de caritatieve roeping van de begijnen. Naar het schijnt heeft ze zelfs op haar sterfbed haar opvolgers op het hart gedrukt om die koers verder te zetten’.

De nieuwe lekendirectie bestaat niet bepaald uit pilaarbijters. Naar de zondagsplicht van kandidaat-huurders wordt bijvoorbeeld niet gepolst. Vraag maar aan Rebecca Van der Wiele, een jonge moeder die er geen geheim van maakt dat haar kinderen niet werden gedoopt. Voor ze aan een nageslacht begon, deelde ze een huis met een psychotische vrouw. ‘Soms kreeg ze een aanval’, vertelt Rebecca. ‘Dan klopte ze met een pollepel op alle ramen om de geesten te verjagen. Ze woont hier nog altijd, een van de vele bewoners met een hoek af. Het blijft een aparte plek om kinderen op te voeden. Volgens het huisreglement moeten we de stilte en rust respecteren. Terechte eis, maar sommige oudere bewoners overdrijven. Als kinderen buiten met de bal spelen, beginnen ze meteen te vitten of gaan ze klagen bij de directie’. En toch vinden zowel Marijke als Rebecca dat er vooral een warm groepsgevoel leeft onder de zowat 150 vaste bewoners. Dat heeft veel te maken met de twee poorten die ’s avonds voor buitenstaanders worden gesloten. Auto’s komen er na elf uur onder geen beding meer in, visite kan vanaf dan alleen door de gastheer- of vrouw via een discrete deur worden binnengelaten. Voor brandweer en politie geldt uiteraard een speciaal toegangsprotocol, en de portier _ in loondienst van de vzw _ blijft extra alert bij vergevorderde zwangerschappen. ‘Het is een eiland’, zegt Marijke. ‘Veel Gentenaars hebben hier nog nooit een voet gezet. Hun mond valt open als ze hier binnenwandelen. De rust, de schoonheid, als het sneeuwt is dit de mooiste plek op aarde. Niet dat ik het idealiseer, op sommige dagen kan het ook benauwend aanvoelen. We wonen in een gerestaureerd convent. Prachtig, maar in de winter stoken we ons te pletter. Beschermde monumenten en moderne isolatie, dat gaat blijkbaar niet samen’.

zomer in het Groot Begijnhof Gent (foto: Tim Dirven)

In Marijkes convent is de Bleekweide gevestigd, een gerenommeerd therapeutisch centrum voor jongeren in crisis, opgericht door haar echtgenote. Ook de andere conventen, minikloosters waar ooit tientallen arme begijnen in chambrettes woonden, vervullen een  functie die spoort met de begijnenspirit. We noteren de namen van een ngo, een centrum voor begeleid zelfstandig wonen, twee organisaties die rond autisme werken. Het non-profit-karakter neemt niet weg dat ze een forse huur betalen. Noodzaak, laat de directie weten. Met de opbrengst worden systematisch verloederde panden opgeknapt. Of dachten we dat de Vlaamse subsidies volstonden? Twintig jaar na de erkenning door de Unesco staat nog altijd een kwart van het patrimonium te vervallen.

Begijnhofvlaming

Zo imposant het Groot Begijnhof van Gent is, zo intiem is dat van Antwerpen. De bescheiden allure is de schuld van de Fransen die hier lelijk hebben huisgehouden. De helft van het begijnhof werd afgebroken, reden waarom de lieflijke Sint-Catharinakerk niet langer centraal maar aan de rand ligt. Dat een van de huizenblokken wat slordig werd gerestaureerd, doet geen afbreuk aan de charme. Voor de Unesco-inspecteurs was het wel een argument om Antwerpen net zoals twaalf andere Vlaamse begijnhoven de erkenning als werelderfgoed te weigeren. Peter-Holvoet Hanssen, dichter, schrijver en literair performer van beroep, zal er niet om treuren. Zeven jaar geleden verhuisde hij met vrouw, dochter en kat vanuit de stationsbuurt Antwerpen-Berchem naar het begijnhof. ‘Als officieel stadsdichter was ik een publiek figuur geworden’, vertelt hij. ‘Ik kon de straat niet meer op zonder te worden aangeklampt. Hier vond ik de stilte en sereniteit om de balans in evenwicht te brengen. Nochtans wonen we hier erg centraal, pal in de studentenbuurt. Overdag staat de poort open, maar veel bezoekers zien we niet. Zelfs heel wat geboren Antwerpenaren weten niet dat deze plek bestaat. Toch is het telkens weer een fijn gevoel wanneer om zes uur de poort dicht gaat en we de prachtige stiltetuin helemaal voor onszelf hebben’. Hij plukt enkele bessen van de 200 jaar oude moerbeiboom. Bijna rijp, bijna pluktijd. Het oogsten van fruit is een van de collectieve ondernemingen waar alle 70 bewoners aan deelnemen. Net als in Gent laten die zich niet voor één gat vallen. Ook in dit door het bisdom beheerde begijnhof hebben sociaal zwakkeren een betaalbaar onderkomen gevonden. Stilaan echter verandert de populatie. Jong en hip Antwerpen is bereid hoge huurprijzen te betalen voor de gerenoveerde huizen in deze stadsoase.

In Gent was het ons al opgevallen. Sint-Amandsberg is een gekeurde wijk met een grote Turkse gemeenschap. Die schittert echter door afwezigheid onder de bewoners van het Groot Begijnhof. Dezelfde vaststelling in Antwerpen: het begijnhof kleurt homogeen wit, één Syrisch gezin buiten beschouwing gelaten. Toch moeten we ons hoeden voor snelle conclusies. Zo is bekend dat Belgische Turken liever vastgoed kopen dan huren, een mogelijkheid die de meeste begijnhoven niet bieden. ‘Racisme en vooroordelen vind je overal’, vatte Marijke Libert het samen. ‘Er wordt wel eens gescholden op Turkse jongeren die hier in groepjes komen hangen. Het kerkportaal is trouwens een prima plek om te vrijen, buiten het alziende oog van de familie. Maar door de bank genomen? Dit is een behoorlijk progressieve gemeenschap, ik denk dat hier vooral groen en rood wordt gestemd’.

Daarmee rijst de vraag: bestaat er zoiets als een Begijnhofvlaming? En onderscheidt dat specimen zich van de gemiddelde Vlaming van wie analisten na de voorbije verkiezingen een robotfoto maakten? Erg veel verschilde die niet van eerdere versies, alleen werden de potloodlijnen wat dikker aangezet. Economisch rechts, ethisch liberaal, in toenemende mate gecharmeerd door een nationalistisch discours. De 30 % links stemmende Vlamingen zorgden alleen voor het contrast op de achtergrond. Over afwijkend stemgedrag spreekt de Lierse stadsgids Eddy Klynen zich niet uit. Het begijnhof van Lier, waar de poort dag en nacht open blijft, is in verkiezingstijd een wijk als alle andere. ‘Maar er heerst wel degelijk een sociologisch microklimaat’, stelt hij als bewoner vast. ‘De spreekwoordelijke Vlaming met de baksteen in de maag ga je hier niet vinden, want in het begijnhof kun je geen huiseigenaar worden. Ook wie belang hecht aan autobezit heeft hier weinig te zoeken. Met zo’n filters trek je onvermijdelijk een eerder progressief publiek aan’.

Een groen-rood stemmende huurder met een Cambio-abonnement? De 81-jarige Liliane Dennen zal zich in dit profiel niet herkennen. 175 euro huur betaalt ze aan de kerkfabriek, tot voor kort eigenaar van een derde van het Lierse begijnhof. Binnenkort moet ze weg uit haar appartement in Sint-Margaretastraat waar ze al 25 jaar woont. Het begijnhof, intussen volledig eigendom van het OCMW, wordt gerenoveerd. Vlaanderen, niet langer vroom maar wel rijk, investeert 13 miljoen euro. De eerste kasseistraat ligt al open, want ook begijnhofbewoners hebben recht op deugdelijke nutsvoorzieningen en snel internet. De werken zijn noodzakelijk, maar net als in Antwerpen wordt gevreesd voor gentrificatie. ‘Het OCMW heeft altijd de sociale mix bewaard’, zegt Eddy Klynen. ‘Huizen werden verhuurd via een systeem van opbieden. Niet goedkoop weet ik uit eigen ervaring, maar de opbrengst diende om een aantal sociale woningen te financieren. Ook de kerkfabriek, die enkele maanden geleden alles aan het OCMW heeft verkocht, hanteerde sociale tarieven. Ik houd mijn hart vast voor die sociale mix. Na de renovatie dreigt het begijnhof voor vele bewoners onbetaalbaar te worden. Straks wordt het echt een reservaat voor hoogopgeleide tweeverdieners’.

Volgend jaar gaat Liliane’s huis op de schop. Terugkeren na de renovatiewerken? ‘Onmogelijk’, zegt de krasse bejaarde.  ‘Ze gaan de huur opslaan tot 1.000 euro. Ik denk dat ik de straat oversteek. Naar het Godshuis, daar is het nog goedkoop wonen’. Te arm voor het begijnhof dus. Het kan zomaar in het rijke Vlaanderen.

Gent. Begijnen bij het kapelletje der zien Weeen. Copyright archief Groot Begijnhof

Sociolinguist Jan Blommaert over de ontbolsterende algoritmocratie

‘Mijn optimisme is niets anders dan strijdvaardigheid’

Knack Magazine, 28 juli 20202

De linkse academicus Jan Blommaert introduceerde het begrip superdiversiteit in Vlaanderen, achtervolgt de N-VA met de hashtag #extreemrechts en stelde 30 jaar geleden voor om een stolp over het Afrikamuseum te plaatsen. Ondanks een terminale kanker mag dit gesprek geen terugblik heten. ‘Aangezien de kaarten zo slecht liggen, kunnen wij ons niet veroorloven om niets te doen.’

door Simon Demeulemeester en Erik Raspoet, foto’s Franky Verdickt

Met zijn breedgerande hoed en rijzige gestalte is Jan Blommaert (59) een bekende verschijning in de Statiestraat in Oud-Berchem. De gezelligste buurt van Antwerpen, beweert deze uit Gent ingeweken halve Brusselaar. Hij heeft er een boekje over geschreven, dat tot zijn verbazing vertaald werd in het Tsjechisch. ‘Minder dan honderd pagina’s, maar ze hebben me wel tien jaar gekost’, zegt hij met gevoel voor zelfspot. ‘Ik liep rond, noteerde alles. Kwam ik twee weken later op dezelfde plek terug, dan bleek er van alles veranderd. Weer een nieuwe Marokkaanse bakker of een Turkse pittabar, en dat Nigeriaanse  gebedshuis bleek ineens ook Braziliaanse gelovigen aan te trekken. Na een tijd zag ik mijn vergissing in. Ik ging tewerk als een schilder die van zijn model verwacht dat het stil blijft zitten. Maar hier staat het nooit stil, alles is voortdurend in beweging’.

Oud-Berchem werd onder zijn pen opgevoerd als schoolvoorbeeld van superdiversiteit, een begrip dat hij als sociolinguïst in Vlaanderen heeft gemunt. Wie superdiversiteit zegt, denkt er van de weeromstuit migratie en politieke controverse bij. Blommaert weet er alles van, hij mengt zich al dertig jaar als polemist met scherpe meningen in het maatschappelijk debat. Links en kritisch luidt de hoofding van zijn persoonlijke blog waarop onder meer te lezen valt waarom hij voor de PVDA van Peter Mertens stemt. Veel van zijn publicaties, zowel academisch als polemisch, gaan over taal en andere communicatievormen die ons handelen en denken vormgeven, vaak zonder dat we er zelf erg in hebben. Geregeld echter steekt zijn eerste liefde de kop op. Blommaert heeft in een ver verleden Afrikanistiek gestudeerd. Zeer onlangs leverde hij een hoogst lezenswaardige bijdrage aan het debat over de koloniale monumentenstrijd.

Maar ook dit: Jan Blommaert is dodelijk ziek, een tegenslag waar hij geen geheim van maakt. ‘Het is ironisch’, zegt hij. ‘Ik hen mijn hele leven gerookt als als een stoomboot, en dan krijg ik een kanker die volgens de oncologen niets met roken te maken heeft. De plek waar mijn tumor zit, vlak onder de stembanden, is medisch niemandsland. Daar hebben specialisten dus ruzie over gemaakt: viel dit onder de longen of was het meer iets voor de mannen van neus -keel- en oren?.’  Zijn gevoel voor humor is niet aangetast, net zomin als zijn academische reflex. Vanaf zijn ziekbed observeerde Blommaert de nieuwe communicatievormen die tijdens de corona-epidemie gemeengoed zijn geworden. ‘Op het hoogtepunt van de epidemie was ik voor behandeling in het ziekenhuis. Uiteraard in strikt isolement. Ik sprong een gat in de lucht omdat ik mijn gsm mocht bijhouden. Voor ons patiënten was dat een echte levenslijn om belangrijke boodschappen aan het thuisfront over te brengen. ‘Breng eens een schone pyjama’, maar ook ‘Ik heb vernomen dat ik terminaal ben, de sociale dienst gaat u bellen’. Als sociolinguïst was het een interessante ervaring.  We voeren aan de universiteit van Tilburg onderzoek naar communicatie die zich steeds meer op het snijpunt tussen off- en online afspeelt. De voorbije maanden is gebleken dat online offline niet zomaar kan vervangen, want de twee zijn wezenlijk verschillend. Maar wat waren we blij met al die digitale opties!’

Wat doet een sociolinguïst precies?

Blommaert: De sociolinguïst gaat uit van een robuust beginsel uit de sociologie, met name dat de mens pas sociaal wordt wanneer hij communiceert, en bekijkt alle gedragingen die daarmee samenhangen. Wie praat met wie, waarom, waarover en op welke manier? Geloof me, er bestaat geen betere plek om dat te onderzoeken dan Oud-Berchem: hier worden meer dan 100 talen gesproken, met als grote gemene deler het Nederlands – of toch erg benaderende varianten ervan. We leven in boeiende tijden: ons communicatiemodel wordt compleet hertekend.

Wat bedoelt u?

Blommaert: (tekent schema op blad papier). Neem de communicatie van Donald Trump. Het is niet hij die bepaalt wie zijn tweets leest, dat doet een algoritme. En het zijn ook niet zijn 83 miljoen volgers die alleen beslissen wie van hun volgers de presidentiële tweets op hun feed te zien krijgen. Algoritmes zorgen ervoor dat een boodschap laag per laag doorsijpelt, tot bij bestemmelingen die initieel niet eens geïnteresseerd waren. Wie dat systeem beheerst, heeft enorme macht. De macht van algoritmes van bedrijven als Twitter, Facebook en Google is zo groot dat we stilaan van een algoritmocratie mogen spreken.

Dat rijmt wel met democratie, maar valt het ermee te verzoenen?

Blommaert: Ik kan alleen vaststellen dat geen enkele politiestaat ooit zoveel macht heeft kunnen concentreren als die internetgiganten, daar kon de Stasi enkel maar van dromen. Het is toch kras dat zelfs de grootste inlichtingendiensten bij Facebook moeten sméken om gegevens van bepaalde gebruikers in te kijken? Ik ben niet tegen technologie op zich, die beschouw ik als neutraal. Het zijn de achterliggende ideeën die we kritisch moeten onderzoeken. Het is fascinerend hoe onbevangen consumenten omspringen met hun persoonlijke gegevens. Gretig koppelen ze al hun klantenkaarten in één app, zonder te beseffen dat hun data daarmee nog gemakkelijker kunnen worden geoogst én geëxploiteerd. De zwakte van die algoritmes, is dat de sociologische verbeelding erachter nog altijd gebaseerd is op de offline wereld.

Wat bedoelt u met sociologische verbeelding?

Blommaert: Dat zijn onze aannames over hoe de maatschappij ineen zit. ‘Blijf in uw kot’, de oneliner van Maggie De Block (Open VLD), illustreert perfect dat de lockdown-maatregelen gebaseerd zijn op de veronderstelling dat we allemaal ‘een kot’ hebben, bij voorkeur met veel ruimte en een grote tuin voor de kinderen. Dat is het ingebeelde Vlaanderen van de witte middenklasse, het Vlaanderen van Matexi en Willems Veranda’s. In de eerste weken werd die verbeelding constant bevestigd door feel good-bijdragen in het avondjournaal. Allemaal samen in ons kot tegen het virus, op de achtergrond springen de kinderen op de nieuwe, online bestelde trampoline – misschien wel hét symbool van de hele lockdown. Dat werkt vervreemdend als je zelf niet in Matexi-Vlaanderen maar in een superdiverse buurt zoals Oud-Berchem woont.

Hoe definieert u superdiversiteit?

Blommaert: Het is de compleet nieuwe samenleving die vanaf midden de jaren negentig is ontstaan door twee aardverschuivingen die onze mobiliteit hebben getransformeerd. Ten eerste de val van het IJzeren Gordijn en de daaropvolgende Europese afspraken zoals het Verdrag van Maastricht en het Schengen-akkoord. Daarmee ontstond een gigantisch nieuw reguleringsmechanisme voor menselijke mobiliteit. Met de doorbraak van het internet, de tweede aardverschuiving, werden daarmee voorheen ondenkbare vormen van migratie mogelijk. Een Nigeriaans meisje van zes kan perfect in de Berchemse Statiestraat wonen en urenlang met haar nichtje uit Lagos in een taal spreken die door niemand anders in heel België of Europa wordt gesproken. Oost-Europese bouwvakkers werken hier terwijl ze verblijven in de huizen van Turkse huisbazen, die met hun huurgelden zelf naar de groene rand van onze steden verhuizen. Mateloos interessant allemaal.

Niet iedereen deelt uw enthousiasme, laat staan optimisme. Waarom kleeft het stempel probleemwijk aan superdiverse buurten?

Blommaert: Omdat dezelfde verhalen over migratie eeuwig blijven terugkeren. Ons publieke debat is cyclisch: om de zoveel tijd komen dezelfde debatten terug, met dezelfde argumenten, in dezelfde bewoordingen. Daarom blijft Het Belgische migrantendebat, het boekje dat ik in 1992 met taalkundige Jef Verschueren schreef, nog altijd actueel. Dat de kwaliteit van ons onderwijs te lijden heeft onder migratie, is zo’n evergreen. Meestal komt dat uit de mond van mensen wiens kinderen op scholen zitten waar nauwelijks diversiteit te bespeuren valt. Om hun gelijk te bewijzen sleuren ze er de PISA-resultaten bij. Daar moet ik mee lachen: de OESO meet al decennialang dezelfde parameters, terwijl leertechnologie pijlsnel evolueert. Jongeren leren vandaag meer skills via videogames als Dungeons and Dragons dan op school, maar dat wordt niet gemeten.

U bent het niet eens met Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) dat nieuwkomers vlot Nederlands moeten beheersen om hun plaats in de Vlaamse samenleving te vinden?

Blommaert: Als de kennis van het Nederlands het verschil maakt, waarom staan er dan zoveel geboren Nederlandstaligen op den dop? Ja, nieuwkomers moeten Nederlands leren, maar dat lukt het best als ze werken. De chronologie moet omgekeerd: eerst het werk, de taal volgt vanzelf. Dat weten slimme N-VA’ers zelf ook wel, toch werpen ze taalvereisten op als barrière. Tenslotte is die partij nooit in een regering gestapt om nieuwkomers sneller in onze maatschappij te integreren.

U bent vaak messcherp voor de N-VA. In tweets brandmerkt u ze met de hashtag #extreemrechts. Heet dat niet polariseren?

Blommaert: Als een arts zegt dat u een bronchitis hebt, heeft hij u die bronchitis dan bezorgd? Ik beschrijf wat ik zie. Wanneer u hun programma vergelijkt met het beruchte 70-punten programma van het Vlaams Blok, dan zal enige overlap u meteen opvallen. In de jaren 1990 werd dat programma, ook internationaal, als extreemrechts beschouwd. Waarom zou dat vandaag niet meer gelden?

Experts definiëren extreemrechtse partijen als antiparlementair en gewelddadig. Met de beste wil van de wereld kan je dat de N-VA toch niet verwijten? Is het niet preciezer te spreken van een rechtse partij met radicaalrechtse tendensen en retoriek?

Blommaert: (schudt het hoofd) N-VA speelt het spel van de relatieve afstand met het Vlaams Belang. Daarvoor hebben ze een grijze zone gecreëerd waarin bijvoorbeeld Schild & Vrienden gedijt, een clubje dat niet afkerig staat van geweld. Dat spel gaat al ver terug, hoor. Toen in 2004 drie vzw’s van het Vlaams Blok werden veroordeeld wegens racisme, wilde geen enkele partijvoorzitter naar de VRT-studio’s komen voor een debat met Filip Dewinter. Behalve Bart De Wever, die kwam zeggen de uitspraak te betreuren omdat je je politieke tegenstrever niet in de rechtbank moet bekampen. Tja

U heeft zich op uw blog in het dekoloniseringsdebat geworpen met een oude anekdote. 30 jaar geleden solliciteerde u als jonge professor Afrikanistiek voor de baan als directeur van het Afrikamuseum met een opmerkelijk voorstel: u wilde een stolp over dat museum zetten.

Blommaert: (grinnikend) Voor de duidelijkheid: ik wilde die baan niet. Dat heb ik ook meteen gezegd aan de commissie waarvoor ik – tot mijn grote verrassing – mijn visienota mocht gaan verdedigen. Zo kreeg ik de kans om 45 minuten lang mijn ideeën uiteen te zetten. Mijn redenering was en is dat je van een gebouw waarvan de façade om de vijf meter met het embleem van Leopold II is opgesmukt, geen hedendaags Afrika-museum kan maken. Het museum van Tervuren was wereldwijd bekend bij kenners als het laatste koloniale museum in de wereld. Dáár moest je zijn om in het hoofd te kijken van een koloniale ambtenaar. In plaats van dat museum te renoveren, hadden ze het moeten bewaren zoals het was, als metamuseum.

U bent optimistisch over het dekoloniseringdebat. Waarom?

Blommaert: Omdat we een omwenteling zien. De relatie tussen wit en zwart is in de antiracisme- en dekolonisatiebeweging fundamenteel gewijzigd. Lange tijd keek men vanuit zo’n bewegingen naar mensen zoals ik om de leiding te nemen. Nu zijn het jongeren uit de diaspora die de zaak trekken, mij wordt alleen nog gevraagd hun open brieven en eisenbundels bij wijze van steunbetuiging te ondertekenen. Ik stel ook met plezier vast dat verschillende debatten worden geconnecteerd. Black Lives Matter begon lokaal maar werd in een mum van tijd een globale beweging die de brug slaat tussen racisme en kolonialisme. Dat is cruciaal, je kunt niet over kolonisatie spreken zonder het over racisme te hebben. Zelfs koning Flip linkte in zijn spijtbrief dekolonisatie aan Black Lives Matter. Dat is een paradigmashift hoor, na decennia van stilzwijgen vanuit het koningshuis.

Sommigen vinden dat koning Filip niet ver genoeg ging. Spijt betuigen is nog geen excuses aanbieden, klinkt het.

Blommaert: Ken je de uitdrukking? “Het is niet omdat je niet alles hebt gedaan, dat je niks hebt gedaan”. Koning Filip is bijzonder ver gegaan. Excuses zullen deel gaan uitmaken van de normale betrekkingen tussen voormalige koloniale mogendheden en hun oud-kolonies.. Mensen die vinden dat we nu wel genoeg over het verleden hebben gepraat, mogen hun borst natmaken: dit is maar een begin.

Wat is uw standpunt over koloniale standbeelden en monumenten?

Blommaert: Je moet ze niet weghalen, dat zou witwassing zijn. Gebruik ze als leeromgevingen. Stap bijvoorbeeld van het federaal parlement naar het koninklijk paleis van Brussel, door het Warandepark: een wandeling vol aanknopingspunten voor een prachtig gesprek over macht en democratische verbeelding. Om dat gesprek te voeren, heb je meer aan standbeelden van klootzakken zoals Leopold II en Godfried Van Bouillon dan van pakweg Toots Thielemans.

U volgt met enkele onderzoekers van de universiteit van Tilburg van nabij de socialistische Democrate Alexandria-Ocasio Cortez. Waarom?

Blommaert: De campagne van AOC, gemodelleerd overigens volgens de presidentscampagne van Bernie Sanders waaraan ze in 2016 meewerkte, stemt hoopvol. Terwijl Sanders toen de Democratische nominatie niet kon binnenhalen, slaagde zij er in 2018 wel in om een zetel te veroveren in het Huis van Afgevaardigden. Dat was compleet onverwacht, die zetel werd al 14 jaar bezet door haar partijgenoot Joseph Crowley. Na haar sensationele overwinning in de primaries versloeg ze ook nog eens haar Republikeinse opponent met 78 procent. De campagnes van Sanders en AOC stoelen op twee pijlers. Enerzijds het ouderwetse werk: van deur tot deur gaan en alle markten en schooldebatten afschuimen, anderzijds microtargeting op sociale media. Dat is electorale spitstechnologie: je kan voor weinig geld enorme hoeveelheden kiezers individueel bereiken. Wie daar ook goed in is, is The Lincoln Project.

Wat is dat?

Blommaert: Een van de gekste dingen die ik al heb gezien én de nachtmerrie van Trump. Het is een organisatie van zogenaamde Never Trumpers: conservatieven, zowel Republikeinen als ex-Republikeinen, die zich verzetten tegen Trump. Een van de aanvoerders is George T. Conway III, nota bene de man van Trumps voornaamste communicatieadviseur Kellyanne Conway. The Lincoln Project roept op om voor Democraat Joe Biden te stemmen en vraagt Republikeinen: distantieer u van die aap in het Witte Huis. Ze vrezen, terecht, dat Trump de partij zal meesleuren in zijn val. Dan bedoel ik niet alleen dat hij de verkiezingen wellicht verliest, maar ook dat de kans groot is dat hij in de cel eindigt, aangezien het Amerikaanse parket eindelijk zijn boekhouding zal kunnen inkijken.

Waarom denkt u dat Trump zal verliezen? Zijn ondergang is al vaak voorspeld.

Blommaert: Hij kampt met een aantal problemen die hij in 2016 niet had. Het format van die verkiezingen leek wel een kopie van zijn televisieshow The Apprentice: bullebak Trump tegen de rest. De ‘grootsheid’ van zijn campagne waren de Republikeinse primaries, waarin hij de ene vulgaire aanval na de andere afvuurde op andere kandidaten, van ‘Crazy’ Ted Cruz tot ‘Low Energy’ Jeb Bush. Vandaag werkt dat niet, hij zit niet in het offensief. Het enige wat hij nu kan, is angst zaaien.

Dat werkte prima voor Richard Nixon eind de jaren 1960. Waarom niet nu voor Trump?

Blommaert: Enter The Lincoln Project. Wanneer Trump de stoere uithangt, lanceren zij binnen het uur een tegenaanval. ‘Don, are you ready,’ tweeten ze en dan volgt een filmpje waarin ze uitleggen dat Amerika helemaal niet onder bedreiging ligt, maar dat Donald Trump gewoon in zijn broek schijt. Ze maken hem belachelijk en dat maakt hem razend. Begrijpelijk, want The Lincoln Project heeft impact. Formeel is het geen partij, maar toch kun je het zien als de emanatie van de echte Republikeinse Partij. Het illustreert dat de politiek van de grote massaorganisaties dood en begraven is. Partijen en vakbonden zullen blijven bestaan, maar ze domineren niet langer het publieke domein dat in duizenden fracties is uiteengevallen. De uitdaging vandaag is het bedenken van doordachte allianties. Dat had extreemrechts sneller door dan progressief links. Zo was de brexit-campagne een alliantie van verschillende bubbels. Extreemrechts weet dat de klassieke sociaaleconomische dialectica niet weg zijn, maar dat ze worden omgeven door allerlei andere krachtvelden zoals ras, sociale klasse en gender.

Extreemrechts, denk bij ons aan Schild & Vrienden, wint wel de meeste van de digitale veldslagen. Wat maakt u als progressief dan toch optimistisch?

Blommaert: Mijn optimisme is niets anders dan strijdvaardigheid. Aangezien de kaarten zo slecht liggen, kunnen wij ons niet veroorloven om niets te doen. En: het ís mogelijk om te winnen. Kijk naar AOC en The Lincoln Project, maar ook naar die K-popfans. (geamuseerd) Piepjonge liefhebbers van Korean pop, een mix van hiphop en pop, die Donald Trumps eerste verkiezingsrally in volle coronacrisis hebben verpest. K-popfans vormen geen activistische organisatie, maar ze kunnen zich wel als zodanig gedragen omdat enkelen snappen hoe algoritmes werken om vluchtige, maar slagkrachtige allianties te smeden. Al bij al was het poepsimpel: ze riepen via socialenetwerksite TikTok, razend populair onder tieners, op om massaal tickets te boeken voor Trumps rally en dan niet op te dagen. De machtigste man van de wereld stond in zijn hemd dankzij een paar tieners.

Hoe kijkt een socialistische sociolinguïst naar de nieuwe SP.A-voorzitter Connor Rousseau, fel gehypet onder meer vanwege zijn taalgebruik en looks?

Blommaert: Zonder veel belangstelling. Dat niveau van politiek interesseert me niet. In plaats van het over beleid te hebben, gaat het tegenwoordig over de vraag of Wouter Beke (CD&V) zich gekwetst voelt door de harde kritiek die hij heeft gekregen op zijn aanpak van de coronacrisis. (gedecideerd) Dat interesseert mij geen kloten. Als Annelies Beck heel dure zendtijd op de openbare omroep spendeert aan Bekes gevoelens, dan voel ik mij beledigd en geïnfantiliseerd. Vroeger was niet alles beter, toch heb ik heimwee naar de zondagnamiddagen waarop ministers anderhalf uur lang werden gegrild door drie lustig paffende journalisten, Guy Polspoel, Walter Zinzen en Kris Borms. Die politici zaten peentjes te zweten, maar ze werden tenminste niet constant onderbroken zoals later de vaste gewoonte werd op de openbare omroep. Daar heeft Siegfried Bracke nog voor gezorgd, hij heeft bij de VRT-nieuwsdienst de regel geïntroduceerd dat een praatgast nooit langer dan 32 seconden aan het woord mocht blijven. Later is die tijdspanne zelfs tot 16 seconden ingekort. Ik werd laatst gebeld door De Afspraak – nu ik ziek ben, word ik weer overal gevraagd. Ik zei dat ik wilde komen op één voorwaarde: word ik één keer onderbroken, dan geef ik een waarschuwing. Een tweede keer: ik neem mijn oortjes uit en verlaat de studio. (grijnst) Ik hoefde niet meer te gaan.

  • 1961, Dendermonde, groeit op in Brussel
  • Afrikanistiek aan de Universiteit Gent.
  • Doet onderzoek aan Universiteit Antwerpen en London Institute of Education.
  • Voorzitter vakgroep Afrikanistiek U Gent.
  • Legt zich toe op politieke antropologie en sociolinguistiek. Sinds 2010 verbonden aan Universiteit Tilburg waar hij het Babylon Centrum voor de Studie van Superdiversiteit opricht
  • Waslijst publicaties over o.a. superdiversiteit, nationalisme, populisme en politiek taalgebruik.
  • Bekroond met Arkprijs van het Vrije Woord 1993
  •  

Artistiek eilandhoppen in Japan

Knack Weekend, 29 april 2020

Ondanks het boomende toerisme blijft Japan verrassen. Ver van de begane paden liggen de Kunsteilanden in de Seto Binnenzee. Welkom op Naoshima, Teshima en Inujima, waar kunst, architectuur en natuur een perfecte driehoeksrelatie aangaan.

tekst en foto’s ERIK RASPOET en ANNE ADE

Yayoi Kusama, een van de trekpleisters van Naohsima

Daar zitten we dan, in het pikkedonker in het hart van een kunstwerk. Deuren kwamen er niet aan te pas, twee gangen en één hoek volstonden om de stralende middagzon boven Naoshima helemaal weg te filteren. Are you okay, vraagt een stem op fluistertoon. De bron is onzichtbaar, de stijl herkenbaar. Discreet en vriendelijk maar immer alert, zo hebben we de alomtegenwoordige suppoosten op de Kunsteilanden leren kennen. Nadat het voltallige gezelschap de vraag affirmatief heeft beantwoord, worden we achtergelaten in een volmaakte stilte. Minuten gaan voorbij, ik begin een evocatie van de oerknal te vermoeden. Er volgt echter geen bigbang, maar wel het flauwste schijnsel dat ooit mijn netvlies heeft bereikt. Heel langzaam neemt de intensiteit toe, tot we op een onpeilbare afstand een grote rechthoek in fluweelzacht paars zien ontstaan. De suppoost lispelt dat we mogen opstaan om ons naar het fenomeen te begeven. Schuifelend, met gestrekte armen als schokbrekers, naderen we het gloren. Verrassing: dit is geen videoprojectie, maar de lichtbron blijft een raadsel.

Tadao Ando

Kunst, architectuur, natuur, dat is de heilige drievuldigheid op Naoshima, Teshima en Inujima. Op de kaart van Japan zijn het niet meer dan stippen in de Seto Binnenzee die het hoofdeiland Honshu van Shikoku scheidt. De hele binnenzee is trouwens bezaaid met eilanden, vaak klein en onbewoond. Eeuwenlang stond dit gebied bekend voor exquise vis en schaaldieren, maar ook voor citrusvruchten en olijven die uitstekend gedijen in het mediterrane klimaat. Minder idyllisch is de erfenis van de snelle industrialisering tijdens de voorbije twee eeuwen. Steengroeven, raffinaderijen en fabrieken deden de bevolking groeien en het milieu afkalven. Heel wat van die industrie en tewerkstelling is al lang weer verdwenen, met verontreinigde sites en gepollueerde visgronden als souvenir. Zo’n dertig jaar geleden begon in Naoshima het reveil. De toenmalige burgemeester sloeg de handen in elkaar met Tetsuhiko Fukutake, stichter-miljardair van de Fukutake Publishing Corporation, een grote uitgeverij die internationaal bekend is als eigenaar van taalonderwijsgroep Berlitz. Hedendaagse kunst als motor voor economische wederopstanding, dat kennen we van Bilbao. Verwacht in Naoshima echter geen spektakelarchitectuur. De stichting Benesse Art Site Naoshima ging in zee met Tadao Ando, de grootmeester van het Japanse minimalisme. Bouwen in harmonie met landschap en natuur, zo luidt het credo dat hij hier virtuoos heeft waargemaakt.

Lee Ufan Museum, Naoshima

Een illustratie daarvan is het houten paviloen waar we buitenstappen, knipperend met de ogen na onze duik in het heelal. “Backside of the Moon” heet de installatie van James Turrell, een Amerikaan met een fascinatie voor licht en ruimte. Zijn samenwerking met Tadao Ando vormt een van de zeven art houses in het mooie vissersdorp Honmura. Ze typeren het Benesse-concept: ingebed in de omgeving, met werk van bekende kunstenaars, speciaal voor de locatie gemaakt. De meeste art houses werden ondergebracht in bestaande panden, zoals een voormalige tandartswoning. We lopen langs bij het ANDO MUSEUM, door de meester zelf ontworpen. Onder de houten schil van een honderdjarige woning schuilt een vernuftige structuur in gepolierd beton, materiaal dat de architect weet te kneden als warme was. Ando is een autodidact uit Osaka die alles heeft geleerd uit boeken over architectuur en kunst. Intussen is er over zijn eigen werk een hele bibliotheek geschreven. Je hoeft de verklaring niet noodzakelijk in het museum te zoeken, want op Naoshima staan enkele hoogtepunten uit zijn oeuvre. Zoals het Lee Ufan Museum, gebouwd rond het werk van de Zuid-Koreaanse schilder en beeldhouwer. Het museum ligt ingegraven in een heuvel, het uitzicht over de kust maakt er integraal deel van uit. Ando en Lee regiseren onze blik, de eerste door het landschap met betonnen muren te structureren, de tweede door het met een monumentaal sculptuur te verrijken.

Yayoi Kusama

Niet monumentaal maar speels is de gele pompoen van Yayoi Kusama, beeldend kunstenaar, performer en rebel van 91-jaar. Haar pompoenen _ in de haven staat nog een rood exeplaar _ zijn zowat het visitekaartje van de Kunsteilanden. Hier heeft ze als klankbord niemand minder dan Niki de Saint Phalle, goed ververtegenwoordigd in het beeldenpark voor het Benesse House Museum dat zelf bulkt van de coryfeeën. We noteren Giacometti, Warhol, Rauschenberg, Nauman, Hockney, Richter, naast Aziatische grootheden zoals de Japanse conceptualist Yukinoro Yanagi die ons later op Inujima compleet zal overrompelen. Ook hier heeft Ando getoverd met beton en licht, altijd ten dienste van de geëxposeerde kunstwerken.  

Contact Lens van Haruka Kojin, een van de Art House Projects op Inujima

Bij het Benesse House hoort een exclusief hotel, waar geregeld artists in residence verblijven tijdens de creatie van een nieuw in situ-kunstwerk. Het hele project, veelbesproken tijdens hoogmissen in Venetië en Kassel, blijft immers maar uitbreiden. Tijdens de Art Setouchi Triennale, in 2022 aan zijn vijfde editie toe, is het hier over koppen lopen. Ook zonder tentoonstellingen en happenings is een verkenning van de Kunsteilanden een zaak van minitieus plannen. Na een eerste nacht op Naoshima nemen we de ferry naar Inujima, het kleinste van de drie eilanden. Honderd jaar geleden, tijdens de hoogdagen van de koperraffinaderij, woonden er ruim 3.000 arbeiders. Intussen is de bevolking gekrompen tot vijftig, met een gemiddelde leeftijd van 80 jaar. Toch is het gevaar op uitsterven geweken, Inujima werd letterlijk gered door Kunst. Bewoners krijgen we niet te zien, maar de aangeharkte moestuinen en perfect gesnoeide sinaasappelbomen wijzen op een dorpsleven dat het canvas vormde voor een rist bekende kunstenaars. Onze favoriet: Haruka Kojin die een dubbelwandige, golvende muur in plexiglas bouwde met binnenin lenzen van wisselende grootte, net bubbels in een fles spuitwater. Het effect is wonderbaarlijk, het transparante werk dialogeert met de omliggende huizen en reageert op ieder schapenwolkje dat de zon komt versluieren.

badhuis I Love Yu op Naoshima

De absolute trekpleister van Inujima is echter de koperraffinaderij, een reusachtige fabriek die na amper tien jaar in 1919 definitief werd gesloten. Veel later, in 2007, werd de site als industrieel erfgoed beschermd. Yukinoro Yanagi en architect Hiroshi Sambuichi hadden dus geen vrije hand toen ze de volledige site transformeerden in het Seirensho Art Museum. Het resultaat is er niet minder verbluffend om. We wandelen argeloos de Icarus Cell binnen, een onderaardse gang gemetseld in zwartglanzende karami-baksteen, een afvalproduct van het raffinageproces. Achter ons speelt een video met een intimiderende close-up van de zon als permanente kernreactie, in de verte zien we een raam met een helblauwe hemel. Groot is onze verbazing als blijkt dat deze gang helemaal niet kaarsrecht loopt, maar zigzaggend langs een half dozijn spiegels naar een opening in het dak leidt, de bron van het hemelzicht. De ontregelende trip gaat naadloos over in een reeks installaties opgedragen aan wijlen Yukio Mishima, beroemd als schrijver maar ook omstreden als narcistische dweper met het Japanse militairsme. Het is verwarrend om hier zijn tirade tegen de westerse invloed op Japan te lezen, een extract uit het beruchte slotmanifest dat hij schreef vooraleer seppuku te plegen. Dit is echter geen eerbetoon, Mishima fungeert als medium om te reflecteren over de prijs van de modernisering, in een kader waar die prijs cash werd betaald. Koperraffinage is een vervuilend proces, reden te meer voor Yanagi en Sambuichi om het museum op een  duurzame leest te schoeien. Verbouwen gebeurde uitsluitend met ter plaatse gerecycleerde materialen, afvalwater wordt door planten gefilterd, de onderaardse gangen garanderen winter en zomer een stabiele temperatuur. Zelfs de dreigende score in de Icarus Cell is recyclage, we horen in feite een versterkte opname van de luchtstroom in de imposante schoorsteen.

Les Archives du Cœur

En toch moet volgens onze bronnen het beste nog komen. De boottocht naar Teshima is alleszins veelbelovend, het lijkt wel de Egeïsche zee. We huren batterijfietsen, geen overbodige luxe op dit heuvelachtige eiland. Het Teshima Art Museum is alweer het product van een samenwerking tussen een conceptueel kunstenaar en een architect, beiden met wereldfaam. Rei Naito en Ryue Nishizawa lieten zich elk op hun manier inspireren door water. Het museum heeft de vorm van een uitgerekte waterdruppel, een ruimte van zestig meter lang waar je overal het plafond kunt aanraken. Beton maar toch verderlicht, nergens is de schil dikker dan 25 centimeter. Er staan plasjes op de gepolierde vloer. Afkomstig van de twee ronde openingen, bedoeld om de natuurelementen in de beleving van het kunstwerk te betrekken, denken we. Bij nader inzien zijn het druppels die permanent opwellen uit duizenden gaatjes in de vloer, water opgestuwd door een natuurlijke bron. Je kunt blijven kijken naar het schouwpel. Druppels rekken zich uit en gaan aan het schuiven, sleuren in hun dolle vaart andere druppels mee, komen onverwacht tot stilstand of gooien zich in plassen. Naar verluidt krijgen sommige bezoekers letterlijk tranen in de ogen van deze esthetische topervaring. Ik houd het droog, maar ik kan er me iets bij voorstellen.

baai nabij Les Archives du Coeur, Teshima

Leve de schoonheid, het leek me een passende afscheidsformule. Ik registreer ze samen met mijn hartenklop in Les Archives du Cœur, Christian Boltanski’s poëtische bijdrage aan het Teshima-parcours, enig mooi gelegen in een baai met zandstrand. De Franse kunstenaar, gefascineerd door thema’s als dood, vergankelijkheid en herinnering, heeft wereldwijd al tienduizenden hartslagen gegeristreerd en voor de eeuwigheid opgeslagen. Je kunt ze hier in een loop beluisteren of met de koptelefoon de database raadplegen. Voor een klein extraatje overhandigt de als medicus verklede receptionist je een soort stetoscoop om je eigen hartslag aan de verzameling toe te voegen, met een certificaat als bewijs. Versmelten met een kunstwerk, die kans konden we niet laten liggen.

met dank aan Benesse Art Site Nasohima http://benesse-artsite.jp/en/

en The Setouchi Tourism Authority https://setouchitrip.com/

De Grote Kerkenkrimp in Vlaanderen

Knack Magazine, 28 augustus 2019

“Er komt een tsunami van kerkspullen op ons af

De ontkerkelijking heeft een bakstenen fase bereikt. Zo’n 600 Vlaamse kerken worden op korte en middellange termijn herbestemd. Zoals de verhuizing van een riante villa naar een serviceflat vergt de operatie pijnlijke keuzes. Wat met de inboedel? Knack dook onder in de wereld van kerkfabrieken en experts religieus vaatwerk.


Sint-Martinuskerk – Schelderode. Christusbeeld wachtend op een ongewisse toekomst. (foto: Jonas Lampens)

Het lijkt wel uitverkoop in de Sint-Martinuskerk in Schelderode. Kandelaars, paaskaarsen, processielantaarns, kerkstoelen, kazuifels, reliekhouders, alles moet weg, zelfs de gebeeldhouwde kruisweg. De 14 staties werden al van de muur gehaald en op de vloer uitgestald. Met respect voor de chronologie, een rondgang begint nog altijd bij de terdoodveroordeling om te eindigen bij de graflegging. Het is natuurlijk geen uitverkoop, noch is er sprake van een faillissement. Wel waar is dat het in plaaster gebeitelde lijdensverhaal van Christus hoe langer hoe minder gelovigen op de been brengt. Niet alleen in Schelderode. Uit een in 2017 gepubliceerd onderzoek van de KU Leuven blijkt dat nog 6 procent van de Vlamingen wekelijks naar de mis gaat. Het verval gaat snel, bij een eerder onderzoek in 1996 scoorde de zondagspraktijk nog 20 procent. Intussen nijpt het priestertekort steeds harder, terwijl roepingen even zeldzaam blijven als sneeuw na Pasen.

Was ontkerkelijking tot dusver vooral een sociologisch begrip, dan heeft het fenomeen intussen een nieuwe, bakstenen fase bereikt. De uitdunnende geloofsgemeenschap is veel te ruim behuisd. Sinds 2013 werden al 62 Vlaamse parochiekerken aan de eredienst onttrokken, maar de plannen voor een veel grotere krimp liggen klaar. Het in Leuven gevestigde CRKC, het expertisecentrum voor religieus erfgoed waarbij ook het bekendere museum PARCUM hoort, houdt de cijfers bij. Een derde van de 1789 kerken krijgt op korte of middellange termijn een neven- of herbestemming: gecombineerd liturgisch en profaan gebruik of een volledige onttrekking aan de eredienst. Katalysator in het proces zijn de voorwaarden die de Vlaamse overheid sinds 2015 koppelt aan het subsidiëren van kerkrestauraties. Alleen steden en gemeenten met een kerkenbeleidsplan komen voor bepaalde subsidies nog in aanmerking. De maatregel, reeds aangekondigd in 2011 door de toenmalige vice-minister-president Geert Bourgeois (N-VA) in zijn conceptnota “Een toekomst voor de Vlaamse parochiekerken”, veroorzaakte een schokgolf. Lokale overheden en kerkfabrieken, samen bevoegd voor het beheer van kerkgebouwen, schoten in actie.

Napoleon Bonaparte

De confectie van een deugdelijk kerkenbeleidsplan bleek geen simpele opgave. Het Oost-Vlaamse Merelbeke bijvoorbeeld telt zeven parochies en evenveel gebedshuizen, waaronder de Sint-Martinuskerk in Schelderode. Iedere kerk heeft een kerkfabriek, een instituut met wortels in het concordaat dat Napoleon Bonaparte in 1801 met paus Pius VII afsloot. Concreet gaat het om vijf onbezoldigde parochianen plus een vertegenwoordiger van het bisdom, meestal de pastoor. Op hun schouders rustte de taak om in samenspraak met de gemeente en het bisdom een strategische visie op het Merelbeekse kerkenpatrimonium te ontwikkelen. Het plan, tot stand gekomen met advies van de regionale erfgoedcel De Viersprong en het CRKC werd in september 2017 door gemeenteraad goedgekeurd. Het oogt behoorlijk drastisch: drie kerken worden op korte termijn aan de eredienst onttrokken en herbestemd, voor twee andere valt de hakbijl mogelijk na 2020. Op termijn kunnen parochianen nog maar in twee kerken terecht, de Sint-Pietersbanden in het centrum en de Sint-Annakerk in Bottelare.

Sint-Martinuskerk – Schelderode. Ontwijd wegens te weinig gelovige zielen. (foto: Jonas Lampens)

Deze oefening wordt in nagenoeg alle Vlaamse gemeenten gemaakt. 2019-2024 zal de geschiedenis van de lokale besturen ingaan aan de legislatuur van de Grote Kerkenkrimp. Daarmee rijst een prangende vraag: wat aanvangen met al die overtollige tempels? De controverse rond de Gentse Sint-Annakerk _ die de stad in erfpacht wil geven aan een vastgoedgroep rond winkelketen Delhaize _ bewijst hoe gevoelig de kwestie ligt. Maar de operatie stelt nog een uitdaging waar zelden over gesproken wordt: wat met de inboedels? Kerkmeubilair, liturgisch vaatwerk, kandelaars, beelden, religieus textiel, onze kerken puilen letterlijk uit van wat met een containerbegrip roerend religieus erfgoed wordt genoemd. Er zit veel rommel tussen, maar ook kunst en artisanaat met grote museale of heemkundige waarde.

In die laatste categorie is geen plaats voor de kruisweg van de Sint-Martinuskerk. Een banaal gipswerk, zo luidde het oordeel van experts van Erfgoedcel Viersprong die de inboedel kwamen inventariseren. ‘Goed voor het containerpark’, zegt Lucie De Moor (63) die als secretaris van de kerkfabriek de boedelbeschrijving bijwoonde. ‘Zo hebben we hier wel meer spullen. Neem nu de kazuifels en koormantels in de sacristie. In perfecte staat, maar niemand wil ze nog hebben’. Ze ontvangt ons samen met Gaby Brain (71), al meer dan dertig jaar penningmeester van de kerkfabriek. Hun bestuursmandaat zit er bijna op. Sint-Martinus verdampt straks in een megafusie van 12 kerkfabrieken en evenveel parochies, verspreid over Merelbeke en buurgemeente Oosterzele. Ook dat is geen unicum, de Grote Kerkenkrimp gaat gepaard met een nog ingrijpender hertekening van het parochiale landschap. Het bisdom Gent reduceert het aantal parochies van 425 tot 48. In andere bisdommen worden gelijkaardige samenwerkingsverbanden opgezet, al gaat het onttrekken aan de eredienst er minder hard.

enkeltje containerpark

Het herbestemmen van de inboedel wordt de laatste missie van de kerkfabriek. Penningmeester Brain neemt het eerder gelaten op, secretaris De Moor heeft er meer moeite mee. Het voelt als een terdoodveroordeelde die zijn eigen graf moet delven, zeker voor een parochiaan die zich niet alleen als kerkbestuurder betrokken voelt. ‘Ik ben in Gent geboren maar in Schelderode getogen’, zegt ze. ‘Dit gebouw betekent veel voor mij. Ik heb hier mijn plechtige communie gedaan, ben hier getrouwd, heb hier mijn beide ouders begraven’. Ze voelt zich als een curator in haar persoonlijk museum. Die twee knielstoelen tussen de rommel bij het koor? Daar heeft ze op gezeten, zij aan zij met haar aanstaande, terwijl pastoor Debruyne hen in de echt verbond. Hun lot is nog niet bezegeld, maar een enkeltje containerpark zit er dik in. Voor de kapel van Sint-Blasius, aan te roepen bij keelontstekingen en brandwonden, staat een verzameling koperen kandelaars van wisselend formaat. Een vondst uit een kast die in geen decennia meer werd geopend. ‘Ik herkende ze meteen’, zegt De Moor. ‘Mijn moeder, een diepgelovig mens, stond altijd klaar voor parochie. In de zomer werd het koper gepoetst, dan ging ik als kind helpen. Ik heb het de laatste maanden vaak gedacht. Moesten mijn ouders weten wat er nu met hun kerk gebeurt, ze zouden zich omdraaien in hun graf’.

Lucie De Moor en Gabie Brain inspecteren de sacristie. “Niemand wil die kazuifels nog hebben”. (foto: Jonas Lampens)

Vrome parochianen van zo’n kaliber zijn zeldzaam geworden. Toch heerste er verslagenheid in Schelderode toen Sint-Martinus in het gemeentelijk kerkenbeleidsplan als prioritair te herbestemmen werd aangewezen. Een centenkwestie, langer wachten had een streep getrokken door een reeds toegezegde restauratiesubsidie. “Je had de laatste zondagsmis twee jaar geleden moeten meemaken’, zegt De Moor. ‘Stampvol, er waren heel veel bezoekers die in geen jaren nog een mis hadden bijgewoond maar persoonlijke herinneringen hadden aan onze kerk. Maandag ben ik de bloemstukken gaan ophalen om ze naar de kerk van Melsen te brengen. Toen pas sijpelde het door: het is nu echt afgelopen. Niet veel later is het decreet van de bisschop is in Kerk en Leven verschenen. Sint-Martinus is ontwijd, er is geen weg terug’.

De geprofaniseerde kerk krijgt een toekomst als polyvalent dorpshuis, met onder meer een afhaalpunt van de bibliotheek en blokruimtes voor studenten. Het is een bestemming waarmee ze zich kunnen verzoenen, zeker omdat het koor als stille ruimte wordt ingericht. Voor introspectie, desgewenst onder de vorm van een gebed. Beter alleszins dan de voorbeelden uit Nederland die tijdens een voorlichtingsavond van het CRKC de revue passeerden. ‘Daar steken ze zwembaden en discotheken in kerken’, zegt De Moor. ‘Ik mag er niet aan denken’. De nakende verbouwing noopt echter tot harde keuzes. Wat hoort in de kerk te blijven? Wat mag weg en waarheen? Er bestaan regels, zowel in het kerkelijk en burgerlijk wetboek als in de uitdeinende Vlaamse erfgoedregulering. Gewijde voorwerpen zoals kelken en monstranzen mogen volgens canoniek recht niet worden vermarkt. Kandelaars of lantaarnhouders daarentegen kunnen wel worden verkocht, en meubilair is een verhaal apart. Attributen zoals lambriseringen, monumentale altaren of kerkorgels zijn onroerend door aard. Die status geldt vaak wel maar niet altijd voor biechtstoelen. In geval van twijfel kan het criterium van nagelvastheid de doorslag geven, een merkwaardig begrip overigens in een kerkelijke context. Roerende goederen kunnen onroerend worden door bestemming, omdat ze bijvoorbeeld speciaal voor de kerk werden vervaardigd, zoals een beeld in een nis of een schilderij van een patroonheilige. In de praktijk is het allemaal nog veel complexer, want er moet ook rekening worden gehouden met een waaier van beschermingsregimes voor kerken en kerkinterieurs. Zo vergt een middeleeuwse kerk een totaal andere aanpak dan een exemplaar uit de 19de of 20ste eeuw. De Moor heeft goede hoop voor een van haar favoriete stukken: een reusachtig doek uit de 16de eeuw, voorstellend de heilige Martinus die de tempel van Jupiter vernielt. Niet echt nagelvast, maar wel een cultuurgoed waarvan de functie duidelijk bij het beschermde kerkgebouw hoort. ‘Ik hoop dat ze die naar de stille ruimte verplaatsen’, zegt ze. ‘Net zoals de biechtstoelen waar ik als kind nog heb in gezeten’.

tsunami

In theorie is het simpel. Het CRKC heeft twee jaar geleden een stappenplan voor het waarderen, selecteren en herbestemmen van roerend religieus erfgoed in parochiekerken opgesteld, in samenwerking met de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen. Het document staat online ter beschikking van kerkbestuurders en andere erfgoedbeheerders. Overzichtelijk en volledig, maar toch worden instanties zoals het CRKC, bisdommen en erfgoedcellen overstelpt met vragen van radeloze kerkbestuurders. ‘De procedures zijn te complex om het hele traject over te laten aan de  kerkfabrieken’, zegt Bert Van der Veken, consulent religieus erfgoed van de provincie Oost-Vlaanderen. ‘Het gaat om vrijwilligers, doorgaans niet van de jongsten. Met het stappenplan redden ze niet, er moet begeleiding bij’. Jan Klinckaert, senior adviseur bij het CRKC, kan het beamen. ‘De herbestemmingen zijn nog maar goed begonnen, de volgende jaren krijgen we een vloedgolf van roerend religieus erfgoed over ons heen. Er is dringend nood aan meer expertise’. Aan de inspanningen van het CRKC ligt het niet. Medewerkers reizen Vlaanderen rond om herbestemmingstrajecten te initiëren of inventariseringen te begeleiden. Vanaf dit najaar zal extra worden ingezet op de vorming en ondersteuning van regionale adviseurs, een rol die lange tijd door de provincies werd vervuld. Door de zesde staatshervorming echter is de bevoegdheid roerend erfgoed per 1 januari 2018 naar Vlaanderen verhuisd.t

Naar een zusterkerk? Een museum of een opkoper? Of wordt het toch een enkeltje containerpark? Moeilijke keuzes dringen zich op. (Foto: Jonas Lampens)

In feite werd het CRKC in 1997 opgericht _ toen nog zonder museum PARCUM _ om een crisis te bezweren. Het was een periode waarin kloosterkerken, rusthuishuiskapellen en andere niet-parochiale gebedsruimten stelselmatig werden afgebroken of van hun liturgische functie ontheven. Het verschil tussen parochiaal en niet-parochiaal is in deze essentieel. Kerkfabrieken, onderworpen aan een publiekrechterlijk regime, staan onder streng toezicht. Ze zijn verplicht hun rekeningen en begroting aan de gemeente, bisdom en provincie voor te leggen. Daar staat tegenover dat lokale overheden verplicht zijn financiële tekorten bij te passen, meteen een goede reden waarom ze met hun neus bovenop herbestemmingsdossiers zitten. Heel wat oude kerken zijn overigens eigendom van steden en gemeenten, een situatie die aan de Franse revolutie te danken is. Het reeds vermelde concordaat maakte geen einde aan de nationalisering van parochiekerken. De meeste kerkgebouwen bleven openbaar bezit, met die restrictie dat ze verplicht ter beschikking van de eredienst werden gesteld, onder beheer van een kerkfabriek. Dat keurslijf ontbreekt bij kloosters, abdijen of inrichtende machten van scholen of rusthuizen. De ontmanteling van privaatrechterlijke kerken en kapellen was dan ook een feest voor antiquairs en brocanteurs die voor een prikje complete inboedels konden verwerven, in zoverre die niet zonder meer op het containerpark werden gedumpt. Het CRKC kon gelukkig heel wat waardevolle stukken redden en in het eigen depot opslaan. Dat zit intussen bomvol, voor de aanzwellende tsunami van roerend parochiaal erfgoed zijn andere oplossingen aangewezen.

Het zijn vuistregels uit het stappenplan: laat staan wat mag of moet blijven staan. Bestem de rest zoveel mogelijk lokaal, bij voorkeur met een liturgische of religieuze functie. De unieke kandelaar voor paaskaarsen of het fraaie wierrookvat kunnen banale exemplaren in een naburige kerk vervangen. Sommige rusthuizen maken graag een plek vrij voor een mooi Mariabeeld. Uitzonderlijk waardevolle stukken horen uiteraard in een museum thuis. Klinkt logisch, maar Annemie Van Dyck weet beter.  ‘Je moet echt leuren om een stuk geplaatst te krijgen. Vlaamse musea leggen een terminale onverschilligheid voor religieus erfgoed aan de dag. Helaas spoort dat met de houding van onze maatschappij. De huidige generatie heeft geen benul van de waarde van ons religieus patrimonium’. Van Dyck deed tien jaar expertise op bij het CRKC, sinds begin dit jaar werkt ze als freelance erfgoedconsulent. Op haar palmares staat onder meer de inventaris van de veelbesproken Sint-Annakerk in Gent, evenals een gezaghebbend boek over religieus textiel. ‘Misschien is dit een voorbijgaande fase’, zegt ze, ‘Ik heb soms het gevoel dat we ons nog altijd aan het afzetten zijn tegen de Kerk als instituut. Precies daarom moeten we voorzichtig zijn. We moeten ons religieus erfgoed vrijwaren voor de toekomstige generaties die het wel naar waarde zullen schatten’.

Kerk in Nood

Bij het CRKC leggen ze er de nadruk op: bij herbestemming weegt de lokale en heemkundige betekenis even zwaar als de kunsthistorische waarde. Een beeld van middelmatige kwaliteit kan het voorwerp hebben uitgemaakt van lokale devotie, in de kerk of in de processie. Idem voor een banaal schrijn met een reliek van een patroonheilige. Dergelijke identitieitsbepalende stukken worden bij voorkeur lokaal bewaard. Toch gaat er heel wat religieus erfgoed de grens over, vaak richting Oost-Europa waar een halve eeuw communisme grote gaten in de kerkelijke menagerie heeft geslagen. Een organisatie zoals Kerk in Nood heeft al menige vrachtwagen richting Polen, Hongarije of Slowakije gestuurd. Meubilair, kelken, zelfs kazuifels komen er nog van pas. Verrassend genoeg is ook Frankrijk een afnemer. ‘De wet op de laïcité van 1905 heeft de Franse kerken zowat kaalgestript”, zegt Jan Klinckaert. ‘Nu het parochieleven in enkele regio’s zoals het Zuidwesten een voorzichtige heropbloei kent, kampen ze met tekorten. We hebben zelf onlangs een mooie abdijretabel op transport naar Bayonne gezet’. Voor een deel van de inboedels echter is een herbestemming met liturgische, museale of heemkundige meerwaarde geen optie. Vermarkten valt te overwegen, tenminste als er geen canonieke bezwaren zijn. De vraag naar plaasteren beelden of koperen kandelaars is echter niet onbeperkt. Een tombola of uitverkoop voor het goede doel kan een oplossing zijn voor onverwoestbare maar ongemakkelijk zittende kerkstoelen. Toch kan niet worden vermeden dat grote hoeveelheden kerkgoederen roemloos op het containerpark of bij de schroothandelaar eindigen.

Ook onze kerken hebben vorige eeuw een beeldenstorm beleefd. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) heeft er met zijn aggiornamento stevig ingehakt. De mis, niet langer in het latijn maar in de volkstaal, moest worden opgedragen in een kader zonder tierelantijntjes en klatergoud. In de drang naar versobering vlogen de kroonluchters en beelden met dozijnen tegelijkertijd de kerkdeur uit, in Schelderode werden zelfs de fresco’s van het koor met saai wit overschilderd. Zo’n vaart zal het met de herbesttemmingsgolf niet lopen, maar de Mechelse erfgoedconsulent Patick De Greef is er toch niet gerust op. Door het gebrek aan expertise en de grote tijdsdruk dreigt er volgens hem een erfgoedkundige aderlating. Hij maakt zijn punt bij een plaasteren beeld in de Sint-Albertuskerk in deelgemeente Muizen, reeds aan de eredienst onttrokken en op weg naar een toekomst als wijkcentrum. ‘Kunsthistorisch is dit beeld waardeloos’, zegt De Greef. ‘Toch is het bijzonder, want niemand weet wie het voorstelt. Deze mysterieuze heilige staat in geen enkel iconografisch naslagwerk. Of neem het wierrookvat dat we bij het inventariseren hebben ontdekt. Klein, sober, zwart uitgeslagen, maar wel handgeslagen zilver. Een uniek stuk, we kunnen alleen gissen naar de herkomst. Vermoedelijk komt het uit een Waalse abdij en werd het door de kerkfabriek als welkomsgeschenk aan een pas benoemde pastoor gegeven. Als je even niet oplet, belandt zo’n stuk bij het oud ijzer. Voor topwerken is er geen gevaar, er zal heus geen Rubens of Van Eyck verloren gaan. Het is de categorie daaronder, de minder opvallende parels in de bulk, die me zorgen baart. De verleiding is immers groot om er met de grove borstel doorheen te gaan. Een herbestemming is voor de veelal gepensionneerde vrijwilligers van een kerkfabriek een loodzware opdracht die ze bovendien met frisse tegenzin moeten klaren. Want met of zonder kerkenbeleidsplan, velen zijn boos omdat uitgerekend hun kerk wordt opgedoekt. Heel wat bestuurders geven er de brui aan, het is trouwens bekend dat de bisdommen nauwelijks nog vrijwilligers vinden om de overblijvende kerkfabrieken te bevolken. Geen wonder, want door de megafusies wegen de verantwoordelijkheden veel zwaarder. Kerkfabrieken zouden geprofessionaliseerd moeten worden’.

superpli’s

De ontmanteling van de Sint-Albertuskerk, eigendom van de stad Mechelen, is een pilootproject van CRKC en de provincie Antwerpen. In lijn met het stappenplan werd eerst geïnvesteerd in een lokaal draagvlak. Behalve de stedelijke erfgoeddienst en de kerkfabriek zaten lokale verenigingen en betrokken parochianen mee aan de tafel. Eens de knoop over de herbestemming doorgehakt, verschoof de focus naar de inboedel. De kerkfabriek huurde De Greef in om de inventaris te maken. De historicus en stadsgids heeft zich gespecialiseerd in kerkelijk erfgoed. Koorkappen, stola’s, manipels, dalmatieken en superpli’s, weinigen kunnen zoals hij begeesterend praten over religieus textiel. Maar De Greef is ook beslagen in kerkmeubilair, en over religieus vaatwerk maakt niemand hem iets wijs. Wie het verschil wil kennen tussen een miskelk en een ciborie is bij hem aan het goede adres. ‘We beseffen niet welke schatten er in onze kerken liggen’, zegt hij. ‘Zilversmeden, houtbewerkers, brokaatwevers, hun namen zijn onbekend, maar het waren toppers in hun vak. Ze werkten in opdracht van kerkfabrieken, maar ook van rijke families die wilden bijdragen aan de luister van een kerk en het heil van hun ziel. De productie van kerkgoederen was tot diep in de 19de eeuw een belangrijke nijverheid. In Mechelen waren tientallen gespecialiseerde ateliers en winkels. Dit is natuurlijk de zetel van het aartsbisdom, maar ook in Antwerpen was er een belangrijke industrie. In deze kerk hebben we op twee mooie heiligenbeelden uit de 19de eeuw de namen van twee verschillende Antwerpse ateliers ontdekt. Het zou zonde zijn dat allemaal weg te gooien, want we weten nog maar bitter weinig af van die hele 19de eeuwse nijverheid. Zelfs de 20ste eeuwse periode, toen er van artisnale naar machinale productie werd overschakeld, is niet te versmaden. Stadelmaier, dat was de Gucci van de religieuze mode. Pokkeduur, een standaardset met een kazuifel, een koorkap en twee dalmatieken kostte een half huis. Sint-Albertus was een arbeidersparochie met een arme kerkfabriek. Toch hebben we in de sacristie een Stadelmaier gevonden. Oudere parochianen kenden het verhaal nog. Pastoor Mollekens had zijn ietwat vermogende parochianen aangepord om te doneren voor zijn Stadelmaier. Hij was dan wel herder op een arbeidersparochie, hij wilde goed voor de dag komen. Geweldig toch? De verhalen zijn even waardevol als de spullen waaraan ze kleven’.

gedenkpenningen van processies die ooit jaarlijkse uitgingen in Schelderode. (foto: Jonas Lampens)

De Greef bouwde met het stappenplan zijn eigen drietrapsraket: inventariseren, waarderen en uitvoeren. Het eerste spreekt voor zichzelf. Opmeten, fotograferen, beschrijven, per object was hij een half uur tot een uur kwijt. Bij de tweede stap boog een gemengde commisie zich over de inventaris, gecomprimeerd tot 150 ensembles. Van depot over museum en rusthuis tot vermarkten en afvoeren naar het containerpark, per lot werd een consensueel besluit genomen dat nog op uitvoering wacht. ‘Het is allemaal ontzettend tijdrovend’, zegt De Greef. ‘De waarderingsronde heeft een tiental vergaderingen gekost. Sint-Albertus is maar een bakstenen kerkje uit 1903 met weinig belangwekkend erfgoed. Binnenkort komen ook middeleeuwse kerken aan de beurt, met erfgoed van voor de Franse revolutie. We staan voor een titanenklus’.

“De Volksunie hielp collaborateurs aan een Duits oorlogspensioen”

Alvin De Coninck over Duitse oorlogspensioenen voor collaborateurs

Knack Magazine, 10 april 2019

Belgische collaborateurs of nabestaanden ontvangen tot vandaag een Duits pensioen voor bewezen diensten aan het Derde Rijk. Een schande, vindt Alvin De Coninck die de zaak voor het Belgisch parlement bracht. Gesprek over een persoonlijke queeste.



Foto: Franky Verdickt

Zelfstandig denker op rust, zo staat het op Alvin De Conincks naamkaartje. Bij de pensioendienst kennen ze hem inderdaad als zelfstandige. Taxi rijden en denken, het eerste deed hij om den brode, het tweede uit noodzaak. Wie tussen beide zelfstandige activiteiten een onverenigbaarheid bespeurt, vergist zich schromelijk. ‘In elk beroep vind je wel één of twee procent intellectuelen’, ginnegapt hij tijdens een lang gesprek in een Leuvense koffiebar.

Alvin De Coninck (74) ligt aan de basis van een merkwaardig verhaal dat een knipperlicht-relatie met de actualiteit onderhoudt. Duitsland betaalt tot op heden pensioenen aan Belgische collaborateurs, zo luidt de korte samenvatting van een complex dossier waarvan de voorbije jaren meer en meer details bekend raakten. Telkens met dank aan De Coninck die zich na zijn pensionering in 2011 vastbeet in een zaak die intussen ruis zet op de doorgaans kraakvrije lijn tussen Brussel en Berlijn. Zo keurde de Kamer op 14 maart een resolutie goed met een dringende oproep aan Duitsland om sofort opheldering te verschaffen over het aantal en de identiteit van de begunstigden, bij voorkeur door middel van een bilaterale onderzoekscommissie. De tekst van de resolutie, ingediend door Défi-leider Olivier Maingain, werd goeddeels door De Coninck geïnspireerd. Zijn campagne werd internationaal opgepikt. De Coninck haalde met zijn Nazi-pensioenen onder meer de New York Times en de cover van Bild Zeitung.

Zijn drijfveer mag gerust persoonlijk worden genoemd. De Coninck kan met evenveel recht als Harry Mulisch poneren dat hij de oorlog is. Zijn in 2006 overleden vader was een monument van het verzet tegen de nazi-bezetter. Albert De Coninck, overtuigd communist, Brigadist tijdens de Spaanse burgeroorlog, schopte het tijdens de oorlog tot commandant van de Vlaamse partizanen, de gewapende arm van het communistisch geïnspireerde Onafhankelijkheidsfront. Ook Rachel Souritz, zijn joodse moeder die hem twee weken na de bevrijding op de wereld zette, verdiende haar sporen bij het verzet. Het onwaarschijnlijke verhaal van die geboorte zal hij pas op het einde van het gesprek, na enig aarzelen, prijs geven. Maar we mogen nu al weten dat zijn joodse grootvader en tante in Auschwitz werden vermoord, na eerst in Antwerpen te zijn verklikt. Zijn Mechelse opa werd dan weer doodgeslagen door de Gestapo, tijdens een zoektocht naar de ongrijpbare Albert De Coninck.

Over het aantal pensioentrekkende collaborateurs wordt gespeculeerd. In de media circuleren cijfers van 18 tot 27. De begunstigden zijn ofwel stokoud ofwel lang dood. De cijfers slaan immers op actieve dossiers, het geld kan even goed bij weduwen of andere nabestaanden belanden.

Waarom maakt u zich druk? Het probleem lost zichzelf op, binnen vijf à tien jaar staat de teller op nul.

De Coninck: Het gaat om het principe. Zelfs als alle titularissen zijn overleden en het laatste dossier wordt afgesloten, blijft het een schande. Duitsland heeft decennialang voortgezette salarissen, pensioenen en sociale uitkeringen betaald aan collaborateurs. Dat gebeurde in de grootste discretie, ironisch genoeg met medewerking van het Duitse en Belgische Rode Kruis. Want zo ging het in de praktijk: de voortgezette salarissen werden via een van de deelstaten aan het Duitse Rode Kruis overgemaakt, en van daar vloeide het via het Belgische Rode Kruis naar de rechthebbenden, belastingvrij in beide landen nota bene. Waarschijnlijk is het Rode Kruis die rol bij het uitbetalen van pensioenen blijven spelen, maar dat weten we niet zeker. Het Simon Wiesenthal Instituut in Wenen heeft dat proberen te onderzoeken, niet alleen voor België trouwens. Helaas, geen enkele Rode Kruis-afdeling wil haar archieven open stellen. Het belonen van collaborateurs is op zich al moreel verwerpelijk, maar daar stopt het niet. Even bedenkelijk is de houding die Duitsland tot op de dag van vandaag in dit dossier aanneemt. Van een bevriend buurland had België echt wel meer openheid mogen verwachten.

Heus? Rudiger Ludeking is als toenmalig Duits ambassadeur in mei 2017 voor de Kamercommissie Buitenlandse Zaken uitleg komen geven.

De Coninck: Inderdaad, en hij heeft er vooral mist gespuid. Volgens hem was er geen sprake van pensioenen, het ging om uitkeringen die pasten onder het Bundesversorgungsgesetz. Die wet uit 1950 regelt de bijstand voor oorlogsslachtoffers in dienst van het Duitse Rijk, zoals soldaten die verminkingen hadden opgelopen of jaren in krijgsgevangenschap hadden gesleten. Die regeling, een onderdeel van de Duitse sociale zekerheid, geldt ook voor niet-Duitse oorlogsslachtoffers, inbegrepen collaborateurs. Zijn opvolger Martin Kotthaus heeft onlangs nog tijdens een debat op RTL-TVI diezelfde riedel afgedraaid. Een week later echter moest hij al een bocht nemen. Journalisten van Le Soir hadden hem geconfronteerd met bewijsmateriaal uit mijn dossier. Ineens luidde het dat het toch niet helemaal ondenkbaar was dat er behalve sociale uitkeringen ook pensioenen aan collaborateurs worden betaald.

Uw detectivewerk leidde naar Berkenkruis, het ledenblad van het Sint-Maartenfonds dat tot 2006 de belangen van de Vlaamse Oostfront-strijders behartigde. Welke bewijzen vond u daarin?

De Coninck: Ik heb alle jaargangen doorploegd, tot in de jaren zeventig en tachtig verschenen er geregeld artikels over de Duitse oorlogspensioenen. Het hoorde bij de lezersservice, er werden zelfs modelformulieren voor het aanvragen van een pensioen afgedrukt. Vandaag schrikken we van deze toestand, maar na de oorlog was er helemaal geen geheim bij. Collaborateurs hadden een arbeidscontract met het Derde Rijk. Ik heb het dan specifiek over de militaire collaboratie. Behalve de SS’ers van het Vlaams en Waals Legioen hoorde daar onder meer de NSKK bij, een logistieke eenheid die de Wehrmacht hielp met transport en bewakingsopdrachten. Vooral in de eerste fase van de oorlog werden veel van die contracten voor onbepaalde duur afgesloten, vanuit de optimistische redenering dat het zaakje al tegen Kerstmis zou beklonken zijn. Al die contracten bleven na de oorlog geldig, tenminste in de Bondsrepubliek die een heel andere politiek voerde dan de DDR. De Bondsrepubliek beschouwde zichzelf in burgerrechterlijk opzicht als de opvolgstaat van het Derde Rijk. Contracten zijn heilig, en dus werden ook de arbeidscontracten van buitenlandse collaborateurs gehonoreerd. Wedden bleven gewoon doorlopen, na verloop van tijd werden dat pensioenen. Niet alleen in België, maar overal in Europa, zelfs in neutrale staten. 6.000 Zwitsers en 4.000 Zweden zijn vrijwillig voor Hitler gaan vechten, dat is weinig bekend.

In haar servicepagina’s aarzelde Berkenkruis niet om voor verdere inlichtingen naar de Volksunie te verwijzen. Welke rol speelde die partij precies?

De Coninck: De service kon verschillende vormen aannemen. Op een bepaald moment verwijst Berkenkruis zijn lezers inderdaad voor verdere inlichtingen naar de sociale dienst van de Volksunie, met adres en telefoonnummer erbij. Maar sommige mandatarissen spanden zich ook persoonlijk in om collaborateurs met hun pensioenaanvraag te helpen. Willy Kuijpers ging daar het verst in, hij reed geregeld met Oostfronters naar Aken, naar de sociale dienst van Noordrijn-Westfalen, de deelstaat bevoegd voor de pensioenen in België en Nederland.

Willy Kuijpers maakt daar geen geheim van. Integendeel, hij heeft zijn dienstbetoon in een recent televisiedebat op RTL-TVI verdedigd. Het werd een wat gênante vertoning, een van de panelleden is zelfs uit protest opgestapt. Hoe ziet u Kuijpers engagement?

De Coninck: Moeilijk vraag, want ik ken hem al heel lang. Ik heb Kuijpers vaak in mijn taxi vervoerd, vooral in de periode toen hij volksvertegenwoordiger was. Meer nog, hij heeft ervoor gezorgd dat ik een van de vaste taxichauffeurs van de quaestuur van de Kamer werd. We konden goed opschieten. Kuypers is oprecht progressief, sociaal voelend en absoluut geen racist.

Kende hij uw achtergrond?

De Coninck: Nee, daarover heb ik hem pas verteld toen ik hem vorige zomer met de bevindingen van mijn onderzoek ging confronteren. Zonder veel resultaat overigens. Hij ontkende niks, maar ik ben er niet veel wijzer van geworden. Kuijpers was ook niet de enige binnen zijn partij. De Volksunie zag collaborateurs als kameraden die misschien wel betwistbare keuzes hadden gemaakt, maar die toch vooral geestesgenoten waren die alle solidariteit verdienden. Ik wil die partij hier niet viseren. Als het gaat over het acceptabel maken van de collaboratie in Vlaanderen na de oorlog, dan heeft de CVP (voorloper CD&V, ER) een veel grotere rol gespeeld.

Er bestaat onduidelijkheid over het aantal nazi-pensioenen die in België worden uitbetaald. Heeft u een idee?

De Coninck: Volgens Duitse bronnen zou het om hooguit een twintigtal gaan, maar het is niet duidelijk waar dat cijfer vandaan komt. Toen de Kamercommissie Buitenlandse Zaken bij de Duitse instanties cijfers en namen opvroeg, kreeg ze nul op het rekest. Die vraag moesten we aan de Länder stellen, en die Länder schermen op hun beurt met privacy-bezwaren. Het hele systeem, met geld dat uit tal van verschillende fondsen komt, is sowieso weinig transparant. Maar er zijn indicaties. In 1997 heeft ARD Panorama voor het eerst de aandacht gevestigd op de pensioenkwestie. Het ging toen over Deense collaborateurs, maar die uitzending heeft ook in België voor controverse gezorgd. Fred Erdman (SP.A) heeft toen in de senaat uitleg gevraagd aan minister van pensioenen Marcel Colla, maar die beet zijn partijgenoot toe dat hij zich niet te bemoeien had met privé-aangelegenheden. Hoe dan ook, volgens Erdman ging het destijds om een kleine 400 begunstigden.

Intussen zijn we 20 jaar later. Hoeveel schieten er daarvan over?

De Coninck: Bij het begin van mijn opzoekingen in 2011 heb ik zelf een extrapolatie gemaakt. Het vertrekpunt was helder: in ons land werden tijdens de oorlog 38.000 militaire arbeidscontracten ondertekend, van Waffen SS tot logistieke collaboratie. 25.000 Vlaamse en 13.000 Waalse dossiers, ook die verdeelsleutel is bekend. Dat betekent niet dat er in België 38.000 collaborateurs rondliepen. Sommigen hebben meerdere kortlopende contracten ondertekend, gemiddeld waren er tienduizend landgenoten in militaire dienst van de Nazi’s. In 2011 waren volgens mijn gegevens 6 procent van die dossiers actief. Daarmee kwam ik uit op een theoretisch maximum van 2.400 rechthebbenden, collaborateurs en hun nabestaanden. Intussen zijn we natuurlijk alweer acht jaar verder.

Kunnen er ook oorlogsmisdadigers tussen zitten?

De Coninck: De Duitse ambassadeur heeft in de Kamercommissie Buitenlandse Zaken uitgesloten dat er onder de Belgische militaire collaborateurs veroordeelden waren voor schending van de mensenrechten of het begaan van oorlogsmisdaden. Dat klonk echter niet overtuigend, want de ambassadeur baseerde zich op een onderzoek door het ministerie van Volksgezondheid van Noordrijn-Westfalen. Dat ging dus alweer over de schadevergoeding voor oorlogsslachtoffers, niet over oorlogspensioenen.  Een onderzoek naar eventuele Belgische strafdossiers werd alleszins nooit gevoerd. Kijk, de Duitse houding is op dit punt altijd ambigu gebleven. De Bondsrepubliek heeft de Nürnberg-veroordelingen bijvoorbeeld nooit erkend. Wel werden er in de jaren vijftig ruimhartige amnestiewetten gestemd. Misdaden gepleegd op bevel van hogerhand konden niet worden vervolgd. Pas in 1998 kwam er een amendement om oorlogsmisdadigers het recht op schadevergoeding te ontzeggen. Het Simon Wiesenthal Instituut heeft toen een lijst van 300.000 verdachten aan Duitsland overgemaakt. Weet je tot hoeveel schrappingen dat heeft geleid? 99 dossiers, terwijl algemeen wordt aangenomen dat 5 procent van alle Duitse soldaten betrokken was bij oorlogsmisdaden. Maar om op je vraag te antwoorden: of er onder de Belgische rechthebbenden dossiers van oorlogsmisdadigers zitten, dat zullen we pas achterhalen wanneer we hun identiteit kennen. Maar ik heb wel al een pikant detail ontdekt: veroordeelde collaborateurs mochten hun straf in aanmerking brengen voor hun Duits oorlogspensioen. Ersatzzeit, heet dat bij onze Oosterburen. 

 Hoe hoog liggen die pensioenen? Gaat het om meer dan een habbekrats?

De Coninck: De wedde voor een NSKK’er, de laagste trap in de militaire collaboratie, bedroeg 2.000 Belgische frank (50 euro). Dat was in de jaren vijftig geen bagatel. Hoe hoog de pensioenen nu liggen, valt moeilijk te achterhalen. Elk dossier is verschillend, en het geld komt uit verschillende potjes. Feit is dat ze vele malen hoger liggen dan de 40 à 50 euro per maand die dwangarbeiders sinds 2000 van de Duitse overheid als compensatie ontvangen. En veel hoger ook dan de aalmoes die de Belgische overheid aan erkende weerstanders uitkeert.

Een gevoelig punt. Hoe was het om als kind van twee weerstanders op te groeien?

De Coninck: De oorlog was altijd aanwezig, op vele verschillende manieren. Moeder had al twee kinderen voor ze mijn vader ontmoette, een joodse weerstander die als een van de eerste verzetsstrijders werd geëxecuteerd. Mijn oudste broer en zus hebben de trauma’s van de oorlog nooit kunnen afschudden. Ik kom niet uit een doorsnee gezin. Vader is in volle Koude Oorlog nationaal-secretaris van de Belgische Kommunistische Partij (BKP) geworden. Toen we naar Edegem verhuisden, riep de pastoor de gelovigen vanop de kansel op om een kruisteken te slaan als ze aan onze deur voorbijliepen. Weet je wat merkwaardig is? Pas sinds ik zelf kleinkinderen heb, ben ik gaan beseffen hoe sneu het is om zonder grootvaders te moeten opgroeien.

Uw vader is een mythe met een Wikipedia-pagina. Maar wat deed uw moeder in het verzet?

De Coninck: Ze was koerier bij de partizanen toen ze vader leerde kennen. Het is een wonder dat ze oorlog heeft overleefd, en dat ik hier nu zit. (valt stil)

Hoezo?

De Coninck: (aarzelend) Het is pijnlijk om dit op te rakelen. Veertien dagen voor de bevalling stond moeder voor een executiepeloton, samen met zes andere partizanen. Het gebeurde tijdens de bevrijding, in Menen. Overal hingen al Belgische vlaggen uit, de collaborateurs waren al in een kelder opgesloten. Toch was het nog niet afgelopen, de frontlijn tussen de Amerikanen en de Duitsers ging nog op en neer. Zo is het misverstand ontstaan. De brug over de Leie werd door een Duitse tank bewaakt. Een verdwaald exemplaar, dachten de partizanen. Ze gingen er naartoe om de bemanning te vragen om zich over te geven, zonder te beseffen dat de brug nog in vijandelijke handen was. Een Duitse officier onderschepte hen en gaf het bevel hen stante pede te fusilleren. Ze werden meteen tegen de muur van een café gezet. Toen de soldaten al aanlegden heeft moeder vertwijfeld uitgeroepen “soll mein Kind dann leben”. Daarop heeft de bevelgevende officier het geweer weggeslagen dat op haar was gericht. Ze is de enige die de executie heeft overleefd. Dank zij die officer dus, een Oostenrijker.

Zult u dat straks kunnen vertellen in ‘Kinderen van het  verzet’, de opvolger van de succesvolle Canvas-reeks ‘Kinderen van de collaboratie’?

De Coninck: Ik heb een interessant voorgesprek met een researcher gevoerd, maar werd niet opgevist. Het zou te maken hebben met mijn jongere zus met wie de klik tijdens het voorgesprek niet is gelukt. Jammer, maar voor zo’n programma is de combinatie van broers en zussen blijkbaar onweerstaanbaar. Dat bleek ook al uit ‘Kinderen van de collaboratie’, een reeks die ik overigens graag heb bekeken. Ik ken Koen Aerts persoonlijk, ik vind hem een bekwaam historicus.

Vaak gehoord: het begrip voor collaborateurs is in Vlaanderen groter dan het respect voor het verzet. Strookt dat met uw ervaring?

De Coninck: Het mag gerust wat meer zijn. Waarom geen nieuw museum oprichten zoals de Kazerne Dossin? Dat mag zich niet beperken tot het verzet tegen de nazi’s, al valt daar veel over te vertellen. Net zoals in de Kazerne Dossin moet de focus veel breder. Zo’n museum kan vertellen hoe belangrijk het is dat burgers zich verzetten tegen dictatoriale of totalitaire systemen.

Foto: Franky Verdickt

Alvin De Coninck

Menen, 1944

Enkel lagere school in Antwerpen. Gaat als 38-jarige geschiedenis en communicatiewetenschappen studeren aan  VUB 

Taxichauffeur in Hoofdstedelijk Gewest. Sociaal en syndicaal actief in taxiwereld

1992: wordt allereerste VDAB-instructeur voor taxibestuurders. Inspireert verschillende parlementaire vragen over taxiwetgeving

publiceert in 2011 eerste bevindingen over Duitse oorlogspensioenen op website Cegesoma

onderzoeker vaderlandse vereniging Herinnering/Mémoire

2015: organiseert tentoonstelling over dwangarbeiders in Leuven

2017: deskundige voor Kamercommissie Buitenlandse Zaken over Duitse oorlogspensioenen

De Belgisch-Congolese activiste Mireille-Tsheusi Robert over het AfricaMuseum

verschenen in Knack Magazine 5 december 2018

“Tervuren is een graftombe”

Mireille-Tsheusi Robert op de Square Patrice Lumumba: (foto: Dieter Telemans)

Koning Filip aarzelt nog, maar Mireille Tsheusi-Robert heeft de knoop al doorgehakt. De Belgisch-Congolese activiste gaat zaterdag niet naar de inhuldiging van het vernieuwde AfricaMuseum. ‘Je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst’.

Je zou de plaats van afspraak als een cliché kunnen bestempelen. De gesprekspartner is Belgisch-Congolees, het onderwerp is het Belgisch-Congolese verleden met zijn postkoloniale uitlopers. Dan ligt een koffiebar aan de Naamsepoort in Elsene wel voor de hand. Toch is het niet de als vanouds bruisende Matongéwijk die Mireille-Tsheusi Robert naar deze plaats heeft gelokt. Het metrostation Naamsepoort geeft sinds een half jaar uit op het Lumumbaplein, een nieuwkomer in de hoofdstedelijke wegenatlas waar ze jarenlang voor gevochten heeft. Niet zonder trots zal ze voor de fotograaf poseren bij het infopaneel over de allereerste premier van de onafhankelijke republiek Congo, brutaal vermoord na machinaties waarin Belgen een groot aandeel hadden. Als het van haar afhangt, komt er straks nog een monument voor Patrice Ermery Lumumba bij.

Mireille-Tsheusi Robert, voorzitster van de Afro-Belgische, feministische vereniging  BAMKO, is in Franstalig België een belangrijke stem in wat men het nieuwe  dekolonisatiedebat is gaan noemen. Het zijn twintigers en dertigers met roots in Centraal Afrika die daarbij de toon zetten. Ze stellen vragen bij de alomtegenwoordigheid van koloniale monumenten in de publieke ruimte, ijveren voor het vernoemen van pleinen en straten naar Afrikaanse onafhankelijkheidsstrijders, en keren zich tegen racisme en koloniale stereotypen die volgens hen zowel de media als de handboeken geschiedenis domineren. Met zo’n drijfveer zou je enthousiasme verwachten voor het vernieuwde Koninklijk Museum Midden-Afrika (KMMA) in Tervuren dat zaterdag onder internationale mediabelangstelling wordt heropend. De voorbije vier jaar werd immers niet alleen het imposante, door Leopold II gebouwde paleis gerenoveerd en uitgebreid. Er wordt vooral uitgekeken naar de vernieuwde tentoonstelling. De collectie blijft wat ze is, een van de rijkste verzamelingen Afrikaanse etnografica ter wereld, de rijkste zonder meer waar het Congo betreft. Het gaat om het narratief waarin deze kunstschatten worden geplaatst. Decennialang stond Tervuren bekend voor zijn paternalistische voorstelling van het Belgisch kolonialisme, met veel nadruk op het blanke beschavingswerk ten bate van een primitieve, inheemse bevolking die nauwelijks een actieve rol in haar eigen geschiedenis speelde. Het nieuwe museum, waaraan onder anderen Afrikaanse experts meewerkten, belooft een radicale breuk. Congolezen krijgen een volwaardige stem. Racisme, repressie en exploitatie worden geduid als de peilers van de koloniale constructie, met de gruwelen in de Congo Vrijstaat van Leopold II als een van de treffendste illustraties.

Een opsteker voor eenieder die de dekolonisatiestrijd genegen is? Daar heeft het alle schijn van. En toch zal Mireille-Tshieusi Robert de persoonlijke uitnodiging voor het openingsfeest zaterdag onbenut laten. ‘Ik ga niet dansen op een graf’, zegt ze bij het nuttigen van een latte.

Wat bedoelt u?

Mireille-Tsheusi Robert: In Tervuren liggen twee mummies, naast fetisjen waarin menselijke resten zitten verwerkt. Heel wat van die etnografische kunstvoorwerpen werden eigenlijk gemaakt als een representatie van onze voorouders. Op zo’n plek wil je niet feesten, er valt trouwens niks te vieren.

Het nieuwe KMMA wil breken met de koloniale nostalgie en propaganda uit het verleden. Dat gaat behoorlijk ver, zoals blijkt uit de aarzeling van koning Filip om de inauguratie bij te wonen, uit schrik voor de ontluistering van zijn voorzaat Leopold II. Daar moet u toch blij om zijn?

Robert: Hoe de collectie wordt getoond, dat is voor mij irrelevant. Modern of oubollig, dat oordeel laat ik graag aan museumspecialisten over. Ik ben geen kunsthistorica, mijn expertise situeert zich op het vlak van dekolonisering. Dat is precies mijn punt: je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst. Best mogelijk dat ze die voorwerpen in een nieuwe context hebben geplaatst, maar dat noem ik geen vooruitgang. Stel ik val bij jou binnen, vermoord je grootmoeder en neem haar schedel en juwelen mee naar een ver land. Als jij dan later komt aankloppen om je erfernis  op te eisen,  lach ik je in gezicht uit. Die schedel en die juwelen? Je mag ze gaan bekijken in mijn museum, maar je moet wel eerst 10 euro entree betalen. Een kind kan toch zien hoe onrechtvaardig dat is? Welnu, die situatie blijft even onrechtvaardig als ik de schedel en de juwelen op dezelfde plek in een andere context toon. Zo’n ingreep verandert helemaal niets aan het feit dat jij je rechtmatige erfenis niet terugkrijgt, en het verzacht evenmin de pijn van de gruwel die aan dat gemis is voorafgegaan.

BAMKO lag mee aan de basis van een open brief over koloniale roofkunst, met een oproep tot restitutie die aan weerskanten van de taalgrens veel weerklank vond in kringen van academici, kunstenaars en zelfs bepaalde museumdirecties. Wat willen jullie precies?

Robert: Om te beginnen een moratorium op het tentoonstellen van koloniale roofkunst. Het nieuwe museum in Tervuren mag voor ons part open gaan, maar dan zonder illegaal verkregen voorwerpen. We willen voorts dat er zo snel mogelijk een onafhankelijke commissie komt om de kwestie in kaart te brengen. Tenslotte moet er een internationale conferentie worden georganiseerd om richtlijnen voor Europese musea te bepalen, in overeenstemming met de spelregels die daarover al door de UNESCO werden opgesteld. We inspireren ons onder meer op het precedent van joodse kunstcollecties die die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden geroofd. Als daar restitutie mogelijk is, dan zie ik geen enkele reden waarom dat voor koloniale roofkunst niet zou kunnen. We werken trouwens nauw samen met mensen binnen de joodse gemeenschap.

Het thema is actueel, en niet alleen vanwege de heropening van het KMMA. De Franse president Macron heeft vorig jaar in Ouagadougou verklaard dat het niet langer aanvaardbaar is dat 90 procent van de Afrikaanse kunstschatten zich in buitenlandse, voornamelijk Europese musea en privécollecties bevindt. Op zijn vraag hebben een Franse en Senegalese expert een lijvig rapport met aanbevelingen geschreven dat vorige week werd voorgesteld. Liefst 70 procent van de collecties in Franse musea zou voor restitutie in aanmerking komen. Moet België dat voorbeeld volgen?

Robert: Absoluut, Macrons initiatief is er trouwens gekomen onder druk van de Afrikaanse diaspora. Het verschil met België is frappant. We hebben staatssecretaris voor wetenschapsbeleid Zuhal Demir (N-VA) al via onze advocaat aangepord. Dat ze de kwestie ernstig moet nemen, want dat ons land anders het risico loopt voor heling te worden veroordeeld. Ze heeft in september beloofd een federale werkgroep op te richten. Alleen weet niemand wie in die werkgroep zit of met welke missie ze van start gaat. Eigenlijk weten we niet eens of die commissie al echt bestaat. Wat een verschil met de transparante aanpak van de Fransen.

In de jaren zeventig heeft Tervuren een aanzienlijke collectie geschonken aan de Musées Nationaux du Zaïre, een prestigeproject van de toenmalige dictator Mobutu. Heel wat van die schatten zijn binnen de kortste keren verdwenen, verkwanseld door corrupte politici en ambtenaren aan buitenlandse kunsthandelaars en collectionneurs. Mobutu is al lang dood, maar de chaos en corruptie zijn in Congo niet verdwenen. Is restitutie in die omstandigheden wel een goed idee?

Robert: (geërgerd) Mobutu inzetten als joker, dat ben ik stilaan beu. Wie was Mobutu trouwens? Een creatuur van de Belgen die ervoor moest zorgen dat Congo vooral niet kon uitgroeien tot een echt onafhankelijke staat. Kijk, bij corruptie zijn altijd twee partijen betrokken, de omkopers en de omgekochten. En wie waren in dit geval de corrumpeurs? Ik heb het een Belgische kunsthandelaar in Kinshasa ooit horen vertellen: telkens wanneer een Belgische museumdelegatie naar ginder werd gestuurd, verdwenen er werken uit de Musées nationaux. Die zogenaamde schenking aan Mobutu was overigens geen restitutie. Tervuren heeft wel de objecten maar niet de eigendomstitel aan de Zaïrese staat overgedragen. Toen die voorwerpen even later bij bepaalde antiekhandelaars aan de Brusselse Zavel opdoken, kon Tervuren ze met de papieren in de hand als eigendom claimen. Voor koloniale roofkunst moet er een volledige restitutie komen, met overdracht van eigendomstitels. Congo is een souvereine staat die zelf over zijn erfgoed kan beslissen. Misschien verkiest Congo wel om de collectie geheel of gedeeltelijk in Tervuren te laten, tot het land klaar is om ze zelf te ontvangen. Dat is slechts een kwestie van tijd. In Kinshasa wordt met Koreaanse steun een hypermodern nationaal museum gebouwd, waardoor de hele restitutieproblematiek alleen maar urgenter wordt. Het kan niet dat er straks in dat nieuwe museum alleen maar hedendaagse kunst wordt getoond. Het Congolese volk heeft het recht om zijn culturele erfgoed in eigen land te ontdekken.

Moeten we Tervuren niet geven wat Tervuren toekomt? Zonder de verzamel- en inventariseerwoede en het bijbehorende wetenschappelijk onderzoek van het KMMA, was een groot deel van het culturele erfgoed van Midden Afrika vernietigd of verloren voor de mensheid, inbegrepen de toekomstige generaties van Congo.

Robert: Dat is alsof een verkrachter zijn slachtoffer achteraf zou zeggen dat ze hem dankbaar moet zijn, want dat hij haar toch maar mooi een kind heeft geschonken. Altijd weer die neiging van de Belgen om zich op de borst te kloppen voor de goede daden die ze voor de arme Afrikanen hebben gesteld. Ja, die kunstvoorwerpen werden bewaard en voor het publiek ontsloten. In België, en alleen ten behoeve van de Belgen. Dat zeg ik als Belg van Afrikaanse oorsprong, een dubbele identiteit waar velen het hier moeilijk mee hebben. Een conservator van Tervuren heeft het me een keer letterlijk voor de voeten geworpen: als echte Belg heb je niet het recht om voor restitutie te pleiten. Onzin, ik laat me niet de mond snoeren met loyauteitsargumenten.

Het KMMA heeft bij het herdenken van het museum niet alleen het advies van Afrikaanse experts gevraagd, maar ook van Congolese diaspora in België. U verkoos aan de kant te blijven staan. Is het dan niet gemakkelijk kritiek spuien?  

Robert: Ieder zijn rol. Ik wil de vrijheid hebben om kritisch toe te kijken en actie te voeren. Maar nu u de vraag stelt: behalve de kwestie van de roofkunst heb ik ook problemen met het proces van de zogenaamde dekolonisering. Het klopt dat de diaspora werd uitgenodigd om mee na te denken over de transitie. Er werden verschillende werkgroepen opgericht, in een ervan zat een medestander van BAMKO. Dat is echter met een sisser afgelopen. De diasporavertegenwoordigers mochten wel adviezen geven, maar daar werd niets mee gedaan. Op de duur hebben ze het opgegeven, ze kregen het gevoel dat ze als alibi werden gebruikt. Kijk ook eens naar de raad van bestuur: de enige Afrikaanse vertegenwoordigster heeft alleen een raadgevende stem, de beslissingsmacht is volledig in handen van witte mannen, zoals in de tijd van Belgisch Congo. Dat kan toch niet? Dekoloniseren betekent dat je ook de macht deelt.

Het AfricaMuseum is vier jaar gesloten gebleven voor renovatiewerken. Kwam u er vroeger wel eens?

Robert: Jawel, toen ik als opvoedster werkte nam ik er wel eens jongeren naartoe, soms samen met hun ouders. Die ervaring staat niet los van mijn engagement voor dekolonisering. Ik werd in die periode volop geconfronteerd met het bendegeweld onder Afrikaanse jongeren in Brussel.

Infobord squarel Patrice Lumumba. Alleen het standbeeld ontbreekt nog. (foto: Dieter Telemans)

De beruchte bende van de Matongéwijk?

Robert. Niet alleen in Matonge, er waren in Brussel een tiental Afrikaanse jongerenbendes, onder meer in Schaarbeek, Evere en aan het Madouplein. Het ging er geweldadig aan toe, tussen 2001 en 2016 zijn een dertigtal doden gevallen. Opvallend genoeg keerde de agressie zich niet tegen blanken of Maghrebijnen, het geweld was op de eigen gemeenschap gericht. Dan rijst toch de vraag: waar komt die zelfhaat vandaan?

De vraag stellen is ze beantwoorden…

Robert: Aliënatie, culturele vervreemding. Door gebrek aan omkadering zijn Afrikaanse jongeren het dominante, Belgische naratief over zwarten gaan volgen. Zwarten zijn wilden, zijn lui, kunnen niet eens een appartement onderhouden. Omdat niemand, ook hun ouders niet, een tegenstem liet horen, zijn ze die witte stereotypen gaan verinnerlijken. Vroeg of laat slaat die zelfhaat om in zelfdestructie. Dat fenomeen is bekend, ik ben trouwens voor het Brussels gewest op studiereis naar Frankrijk en Canada getrokken waar ze met soortgelijke problemen kampten. In feite ging het om een revolte tegen een zelfbeeld dat hen door de maatschappij werd opgedrongen maar dat helemaal niet klopte. We hebben het bendegeweld onder controle gekregen, onder meer dank zij een speciale politiecel. Maar de echte oplossing lag natuurlijk elders, in het herstellen van hun zelfbeeld en het construeren van een identiteit waarop ze trots konden zijn. Dat is een van de missies van BAMKO. We halen bijvoorbeeld Afrikaanse professoren naar hier die jongeren uitleggen dat Afrika ook voor de komst van de blanken een geschiedenis en beschaving had. De jongeren uit die periode zijn intussen twintigers en dertigers die werken of een gezin hebben. Hun boosheid is niet verdwenen, maar ze richt zich niet meer op de eigen gemeenschap maar op de maatschappij, tegen racisme en discriminatie. Het is niet toevallig de generatie die de dekolonisatiebeweging drijft.

Op welke manier paste een bezoek van die jongeren aan het vroegere AfricaMuseum in de queeste naar een nieuwe, begeesterende identiteit?

Robert: Het was de ideale plek om stereotypen te duiden en te deconstrueren. De representatie van Afrika was hilarisch: een wild en maagdelijk continent, bewoond door primitieve stammen die dankbaar waren dat ze door de blanken met harde hand werden beschaafd. Tervuren was één groot koloniaal, racistisch cliché. Maar laten we het niet alleen over het museum hebben. Onze strijd gaat veel breder, het gaat om de erkenning van onze cultuur en identiteit, en om wederzijds respect tussen Belgen en Congolezen. In dat opzicht was de erkenning van het Lumumbaplein door het Brusselse stadsbestuur niets minder dan een mijlpaal.

U heeft er samen met andere activisten lang moeten voor vechten. Eerdere plannen voor een Lumumbaplein in de gemeente Elsene werden in de gemeenteraad gedwarsboomd, mede door hardnekkig lobbywerk van oud-kolonialen. Hoe diep is het water?

Robert: We zijn geen vrienden, dat spreekt voor zich. Het gaat niet alleen om een snel slinkende groepje van bejaarde oud-kolonialen, ook hun kinderen en nazaten lobbyen. Onze tegenstanders slagen er niet altijd in om hun racistische vooroordelen te verdoezelen, vooral niet als ze loos gaan op de sociale media. La négresse de Bruxelles is een van mijn geuzennamen. Het blijft niet bij beledigingen. Kort voor de inhuldiging van het Lumumbaplein werden er bedreigingen geuit, de politie heeft zelfs extra manschappen moeten ontplooien.

De campagne tegen koloniale monumenten slorpt veel energie op. Loont dat wel de moeite? Het gaat tenslotte maar om symbolen.

Robert: Symbolen zijn belangrijk in een emancipatieproces. Zopas is een nieuwe studie over de discriminatie van Afro-Belgen verschenen. Blijkt dat die het slechtst scoren op de  arbeidsmarkt en het minst zichtbaar zijn in de media, terwijl ze de hoogst opgeleide bevolkingsgroep van het land vormen. Het ergst is de situatie van zwarte vrouwen, en dat ondanks de vaststelling dat ze meer diploma’s bezitten dan zwarte en witte mannen. Dat moet dus veranderen, daar draait het echt om.

Mireille-Tsheusi Robert

37 jaar, geboren in Kinshasa

groeit op in Villers-Devant-Orval (Gaume)

master sciences de l’éducation, UCL

werkt als opvoedster met Brusselse probleemjongeren

2015: sticht Afro-Belgisch en feministische actiegroep BAMKO

2016: publiceert ‘Le racisme anti-Noirs. Entre méconnaissance et mépris’

2018: bijdrage aan pas verschenen boek Pietpraat, essaybundel over het fenomeen Zwarte Piet

Latijns-Amerikakenner An Vranckx: “Ik heb in Colombia respect gekregen voor militairen”

Knack, 13 augustus 2018

Bevorderen van vrede in postconflict gebieden, het is een beroep. An Vranckx vult er haar dagen mee, in verafgelegen landen die opvallend vaak in Latijns-Amerika liggen. Over wapens en munitie maakt niemand haar iets wijs, de War on Drugs kent ze van het terrein. Gesprek met een Antwerpse globetrotter die bijdroeg aan de vrede in Colombia.

foto: Hatim Kaghat

foto: Hatim Kaghat

Wee de ambtenaar die ooit het pensioendossier van An Vrankx moet uitvlooien. Universiteiten in binnen- en buitenland, Europese en nationale overheden, ngo’s, stichtingen en thinktanks in diverse hoofdsteden, met haar wisselende opdrachtgevers valt een middelgrote concertzaal te vullen. Al even onoverzichtelijk is de lijst met landen waar ze professioneel actief was. Ze verzamelde airmiles naar bestemmingen zoals Nepal, Ivoorkust, Congo, Kenia, Oeganda en Zuid-Soedan, maar haar echte biotoop is Latijns-Amerika. Weinig landen van Midden- en Zuid-Amerika ontbreken op haar CV, maar de naam van Colombia springt eruit. Een ereburgerschap heeft ze er nog net niet gekregen, maar haar verdiensten voor de Colombiaanse zaak spreken voor zich. An Vranckx kan met recht en rede claimen dat ze een bijdrage heeft geleverd aan het vredesakkoord dat in 2016 een einde maakte aan 50 jaar burgeroorlog.

Haar vakgebied laat zich lastig omschrijven, maar “vredesbevordering in postconflict gebieden” komt aardig in de buurt. Een van haar specialiteiten is de handel in lichte wapens. Vranckx hield exportvergunningen tegen het licht, traceerde wapenleveringen op hun vaak grillige parcours tussen producent en officiële koper, dook in wapendepots van legerkazernes om serienummers te verifiëren. Een van haar bijdragen aan het Colombiaanse vredesproces was overigens het opzetten van een waterdicht controlesysteem voor het registreren en vernietigen van de door de FARC-rebellen ingeleverde wapens. Stof genoeg voor avondvullende gesprekken, maar Vranckx heeft meer op haar repertoire. Volgens de Getuigenbank van het Antwerps Vredescentrum kan ze als spreker worden ingehuurd voor een bonte waaier van thema’s, gaande van bloeddiamanten in Afrika over de War on Drugs en Mexicaanse drugkartels tot het verband tussen Latijns-Amerikaans machismo en geweld.

In de media wordt ze sporadisch als Latijns-Amerika-kenner opgevoerd. Zo ook vorige week  toen Venezuela door een aanslag op president Nicolás Maduro werd opgeschrikt. Het incident was voer voor wilde speculaties. Was het echt een poging om de speechende president via een luchtbombardement met drones te elimineren? De brandweer van Caracas trok zelfs in twijfel of er wel drones in het spel waren, een zegsman verklaarde de explosies door een ontplofte gastank in een appartement nabij het spreekgestoelte. De opeising van de mislukte aanslag maakte er de verwarring niet minder op. An Vranckx maakt er zich al dagenlang vrolijk over. ‘Welke zichzelf respecterende guerrillabeweging noemt zichzelf nu Soldados de Franelas?’, vraagt ze retorisch. ‘Soldaten in T-shirt, dat is een naam voor een operettestaatsgreep. We zullen er wellicht nooit het fijne van weten, maar één ding is zeker: dit komt Maduro goed uit. De aanslag geeft hem de kans om de aandacht af te leiden van de chaos in zijn land. Hij heeft onmiddellijk de oppositie ervan beschuldigd achter de aanslag te zitten, samen uiteraard met buitenlandse vijanden. Ik vrees dat de repressie in Venezuela de komende weken nog zag toenemen’.

Maduro beschuldigde niet alleen de VS als usual suspect, maar ook Juan Manuel Santos, de uittredende president van buurland Colombia, nota bene Nobelprijswinnaar voor de Vrede.  Wat zit daar achter? 

An Vranckx: Een rookgordijn. Kijk naar de timing: de aanslag werd op 4 augustus gepleegd, drie dagen voor het aflopen van Santos’ tweede termijn als Colombiaans president.  Belachelijk gewoon te veronderstellen dat Santos zich met zoiets zou inlaten. Het is anderzijds geen toeval dat Maduro naar Colombia wijst. Honderdduizenden Venezolanen zijn de grens overgestoken, op de vlucht voor de uitzichtloze crisis en chaos in hun land. Ook een deel van de oppositie zit in Colombia.

over Colombia gesproken: hoe bent u eigenlijk in Latijns-Amerika verzeild?

Vranckx: Niet door carrièreplanning. Ik heb een academische achtergrond: na studies Germaanse en internationaal recht in Brussel en wetenschapssociologie in Rotterdam, heb ik bij Jean-Paul Van Bendegem een doctoraat gemaakt. Epistemologie, ik heb toen zelfs een boekje geschreven over de vraag hoe je wetenschappelijke kennis in een niet-exacte omgeving zoals politiek en beleid kunt toepassen. In zekere zin heb ik dat nadien in de praktijk gebracht. Of ik nu illegale handelsstromen doorlichtte of beleidsrapporten schreef, ik vertrok altijd vanuit een wetenschappelijke methodologie. De eerste keer Colombia, dat was in opdracht van IPIS,  het Antwerpse Vredesinformatiecentrum waar ik na mijn doctoraat was verzeild. IPIS was door Pax Christi International aangezocht om het fenomeen van ontvoeringen in Colombia te onderzoeken.

bizar thema… .

Vranckx: Niet in Colombia. Iedereen kent het geval van Ingrid Betancourt, de groene senator en presidentskandidate die in 2002 door de FARC werd ontvoerd en pas zes jaar later door het leger werd bevrijd. Maar ook daarvoor waren ontvoeringen al schering en inslag. Losgeld was een belangrijke bron van inkomsten voor guerrillabewegingen, een manier vooral om wapens te kopen. Niet alleen de FARC pleegde ontvoeringen, in Colombia was wel een half dozijn extreemlinkse guerrillabewegingen actief. Onder de slachtoffers waren veel militairen, maar ook burgers en nogal wat buitenlanders. Colombia was een gevaarlijk land voor expats.

hoe heeft u dat onderzoek aangepakt?

Vranckx: Mijn opdracht was het  voorstellen van een gedragscode. Uitgangspunt was dat er geen losgeld mocht betaald worden. Daarmee financier je immers de guerrilla en geef je de kidnap-industrie vleugels. Als een groep één keer losgeld incasseert, is de kans groot dat ze meteen een volgende ontvoering plant en dat haar voorbeeld door andere bewegingen wordt gevolgd. Simpel was het niet, ik heb snel ondervonden hoe groot het taboe was. Ik klopte aan bij ambassades en ministeries van buitenlandse zaken, ik nam contact met werkgevers van gijzelaars. Ofwel botste ik op gesloten deuren, ofwel werd in alle toonaarden ontkend dat er losgeld werd betaald. Van een Belgische bouwfirma wist ik dat ze 5 miljoen dollar had betaald om een ingenieur vrij te kopen. Toch mocht dat niet gezegd of geschreven worden. De enige die me echt wilde helpen en open kaart speelde, dat was Andrés Peñate, de Colombiaanse directeur Latijns-Amerika van British Petroleum die toen in Londen werkte. Die ontmoeting heeft veel te weeg gebracht. Peñate, een briljante man die in Oxford had gestudeerd, is later viceminister van landsverdediging en baas van de Colombiaanse staatsveiligheid geworden. Maar vooral: hij heeft me geïntroduceerd bij een van zijn beste vrienden, Sergio Jaramillo. Ik ben erg trots dat ik die laatste intussen zelf een goede vriend mag noemen.

Jaramillo, de echte architect van het vredesakkoord met de FARC?

Vranckx: Inderdaad, de man die door president Santos in 2010 werd gemandateerd om in Havana verkennende gesprekken met de FARC aan te knopen. In het grootste geheim, alleen de president en een handvol vertrouwelingen zoals Sergio wisten ervan. Terwijl op het terrein de gevechten en bombardementen doorgingen, raakte Sergio het met de FARC-delegatie eens over de agenda voor de officiële besprekingen die in 2012 in Oslo werden aangekondigd. Hij had lessen getrokken uit vorige pogingen die mislukt waren door de overdreven ambities. Het is immers onbegonnen werk om na een decennialange burgeroorlog alle problemen en geschilpunten met één globaal akkoord op te lossen. De nieuwe vredesdialoog zou daarom tot vijf thema’s beperkt blijven: landhervorming, aanpak van de drugeconomie, de politieke integratie van de FARC met daaraan gekoppeld het vraagstuk van gerechtigheid. Voorts zou er worden gepraat over de erkenning van slachtoffers, terwijl een vijfde subcommissie zich over het ontwapenen van de FARC zou buigen. Sergio heeft het meesterlijk aangepakt. Er is pas een vredesakkoord als over elk van de vijf agendapunten overeenstemming werd gevonden, dat was de afspraak. Weinigen hielden het voor mogelijk, maar in september 2016 was het vredesakkoord een feit.

dat akkoord wekte wereldwijd euforie, president Santos werd een maand later al met de Nobelprijs voor de Vrede bekroond. In die tussentijd echter werd het vredesakkoord in een referendum door een nipte meerderheid van de Colombianen verworpen. Was dat referendum een weeffout in het masterplan?

Vranckx: Integendeel, Sergio had het heel bewust in het vredesakkoord ingeschreven. Hij wilde het scenario van 1984 vermijden, toen het vredesakkoord mislukte omdat het niet door het volk werd gedragen. In dat akkoord kregen de FARC-strijders niet alleen amnestie, maar ze mochten ook hun wapens behouden. Ze komen veel te goedkoop weg, vonden de Colombianen. Dat sentiment leeft nog altijd, de afkeer van de FARC zit er diep in. Sergio besefte dan ook dat het referendum spannend zou worden. Dat het dubbeltje aan de verkeerde kant is gevallen, mag je op het conto van de voormalige rechts-conservatieve president Uribe schrijven. Zijn haat jegens de FARC is niet alleen ideologisch maar ook persoonlijk, zijn vader werd door de FARC ontvoerd en vermoord. Ik heb Álvaro Uribe twee keer ontmoet, die man heeft tonnen charisma. Die heeft hij royaal ingezet in zijn no-campagne, vooral in zijn geboortestad Medellín en de provincie Antioquia was de afwijzing massaal. Maar een streep door Sergio’s rekening? Hij heeft de nee-overwinning handig gebruikt om de FARC opnieuw naar de onderhandelingstafel te dwingen en hen een stuk of 50 aanpassingen te doen slikken. Ik ben optimistisch. De nieuwe president Duque is weliswaar een partijgenoot van Uribe, maar het aangepaste vredesakkoord zal standhouden.

 laat ons raden: het was Sergio Jaramillo die u bij het vredesproces heeft betrokken?

Vranckx: Klopt, maar daarvoor moeten we enkele stappen terug zetten. Ik heb Sergio in 2003 leren kennen. Ook toen liep er een vredesinitiatief, met financiële steun van de Europese Unie. Sergio, die uit Europa was teruggekeerd om voor het ministerie van defensie te werken, zocht naar expertise voor het vredesproces. Van zijn vriend Peñate kreeg hij de tip om mij te contacteren. Het klikte, en zo kwam ik bij de door Sergio opgerichte Fundación Ideas Por La Paz terecht. Colombia heeft mij de ogen geopend. Ik heb er het belang leren inzien van een functionerende staat, een staat die effectief het monopolie op het geweld kan afdwingen. Als linkse Vlaming ben ik nochtans opgegroeid met een frisse afkeer van al wat een uniform draagt. Aan VUB leefde dat sterk. Ik herinner me nog discussies over mijn onderzoek naar de kidnap-industrie. Natuurlijk had de guerrilla het recht om militairen en burgers te ontvoeren en jarenlang te gijzelen, werd er betoogd. Hoe moesten ze anders hun wapens kopen om het kapitalistische bestel omver te gooien? Vanuit de VUB-cafetaria zag de wereld er bedrieglijk simpel uit, maar de realiteit in Colombia was anders. In de streek waar ik werkte, schitterden leger en politie door afwezigheid, de vrouwen in mijn dorpen waren overgeleverd aan gewapende bendes die over elkaar heen buitelden, de FARC, de ELN, de M-19 of de paramilitairen. Die vrouwen wilden niks liever dan dat een reguliere troepenmacht met uniform en al orde en gezag kwam herstellen. Ik heb in Colombia veel respect gekregen voor het leger. Zeker toen Sergio me jaren later opnieuw vroeg, als adviseur voor de vijfde subcommissie die het luik ontwapening van het vredesproces behandelde. Ik heb toen workshops gegeven aan generaals, onder meer over het opbouwen van vertrouwensrelaties in een conflictsituatie. Voor de rest hield ik me vooral bezig met ontwapening, op een heel praktisch niveau. Neem nu de containers met een dubbele sleutel, één voor de FARC en één voor de VN-monitors. Een idee dat ik in Ivoorkust had opgepikt, in de periode toen ik voor de Britse NGO Saferworld door Afrikaanse post-war landen toerde.

België is geen onbekende naam als het over de handel in lichte oorlogswapens gaat. Bent u wel eens illegale schietijzers van FN Herstal tegengekomen?  

Vranckx: Meermaals, zowel in Afrika als in Colombia. Gedemobiliseerde guerrillero’s kwamen het me soms zelf tonen. Kijk, zeiden ze trots, een wapen gemaakt in uw land. Maar om een steen te gooien naar FN? Ik heb jarenlang rapporten over dat bedrijf geschreven, als specialist internationale wapenhandel bij het Waalse onderzoeksplatform GRIP (Groupe de Recherche et d’Informations sur la Paix et la Sécurité). Die rapporten werden door de administratie van het Waals gewest gebruikt om adviezen over exportvergunningen te onderbouwen. Niks op aan te merken, zowel het FN-management als de Waalse administratie speelden het spel correct.

echt waar? Wat dan met de omstreden levering van 2.000 oproerwapens aan het Libië van Khadafi in 2009?

Vranckx: Een schande, ik heb er voor de Europese Commissie een zwartboek over geschreven. De Waalse minister-president Rudy Demotte heeft het negatieve advies van zijn administratie straal genegeerd. Dat krijg je als de politiek er zich mee bemoeit, een scenario dat helaas nooit uit te sluiten valt wanneer het om een wapenproducent gaat die eigendom is van de overheid die de exportvergunningen verleent.

traceren van illegale handel in vuurwapens, hoe begin je daaraan?

Vranckx: Het is een leerproces. Ik ben intussen een expert in wapenstempels, haast onmerkbare tekens die door de producent in een geweer worden gegraveerd. Daarnaast heeft ieder leger eigen herkenningstekens die ze op haar wapens aanbrengt. Daar kun je veel uit afleiden. Als je bepaalde wapens bij de guerrilla in de jungle aantreft, dan weet je dat er sprake is van diversion, wapens die uit een legerdepot zijn verdwenen of er zelfs nooit zijn aanbeland. Ook over verschillende kalibers kun je me niks meer wijsmaken. Ik heb ooit in opdracht van het IPIS een mysterieuze vondst in Colombia onderzocht. Het ging om kalasjnikovs van Oost-Duitse makelij, gedropt in FARC-gebied dicht bij de Braziliaanse grens. Dan denk je: cadeautje van een bondgenoot, misschien wel van de toenmalige Venezolaanse president Hugo Chávez. Tot je naar het kaliber keek. Omdat de wapens afweken van de standaard kalasjnikovs, was er haast geen munitie voor te verkrijgen. Met andere woorden, ze waren nagenoeg nutteloos.

en welke conclusie moeten we daaruit trekken?

Vranckx: Dat het misschien niet om een cadeau van een bondgenoot ging. Het kan toeval zijn, maar kort na het bekendmaken van die verontrustende dropping heeft het Amerikaanse Congres het licht op groen gezet voor een steunprogramma van 1,3 miljard dollar aan het Colombiaanse leger, uitgerekend op een moment toen dat onder zware druk van de FARC stond. De Amerikanen hebben onder meer Black Hawk helikopters geleverd, een echt cadeau dat de krijgskansen heeft doen keren. Overigens, als je in Latijns-Amerika naar de herkomst van illegale vuurwapens zoekt, kom je haast altijd bij el Tío Sam uit. De Amerikaanse hypocrisie op dat vlak is stuitend. Probeer maar eens een flesje parfum het land uit te smokkelen, het zal niet lukken. Maar containers vol wapens exporteren? Geen probleem, zeker niet sinds president Bush in 2004 alle beperkingen op de import en doorvoer van volautomatische wapens heeft opgeheven. Russische of Tsjechische kalasjnikovs, het reist allemaal via de VS naar Centraal- en Zuid-Amerika.

waar ze niet alleen in handen van guerrillero’s vallen, maar vaker nog in die van drugkartels. Vooral in Mexico loopt het geweld van de narco’s de spuigaten uit. Valt dat soort gruwel binnen uw vakgebied?

Vrankcx: Het boeit me absoluut. Journalist en antropoloog Teun Voeten is er een phd over aan het schrijven, en ik ben één van zijn begeleiders. Hij focust onder meer op de ogenschijnlijk absurde wreedheid die bendes in hun onderlinge oorlogen aan de dag leggen. Slachtoffers die met kettingzagen worden bewerkt, verhakkelde lijken die aan bruggen boven de autosnelweg bengelen. Teun beschrijft dat als een vorm van communicatie, en ik volg hem daarin. Het is een manier waarmee bendes rivalen intimideren en hun territorium afbakenen. Overigens, in Mexico valt het nogal mee, het geweld beperkt zich tot enkele provincies, tegenwoordig vooral Guerrero. Alleen vanwege de link met de Amerikaanse markt wordt er zoveel aandacht aan besteed. Honduras, El Salvador en Brazilië kennen veel meer geweld, en ook Venezuela is de voorbije jaren naar de top van de statistieken doorgeschoten.

bewijst het endemische geweld het failliet van de Amerikaanse War on Drugs?

Vranckx: Wat alleszins een fiasco is gebleken, dat is de Amerikaanse poging om de coca-industrie te vernietigen. Met alle mogelijke middelen, van sproeivliegtuigen tot bombardementen. Door de productie te reduceren hoopte men cocaïne uit de markt te prijzen, maar dat is niet gebeurd. Ook bij ons niet, de prijs is merkwaardig stabiel. 50 euro per gram is al twintig jaar het tarief in Antwerpen. De productie is dan ook niet verminderd, integendeel zelfs. Door het ontbreken van alternatieve teelten blijven boeren coca verbouwen. Geef ze eens ongelijk, de plant groeit vanzelf en het is de enige teelt die hen een leefbaar inkomen garandeert. Overigens, de link tussen de drugeconomie en geweld is niet eenduidig. Bolivië en Peru zijn belangrijke cocaïne-producenten, en toch is er opvallend weinig geweld.

hoe verklaart u dat?

Vranckx: Een politieke keuze. Plata o plomo, zeggen ze in Bolivië en Peru, geld of lood. Je kunt de narcos bekampen, maar dan oogst je plomo, kogels. Beter is een oogje dicht te knijpen. Laat de narcos met rust, en dan kun je er nog wat corruptiegeld van opstrijken. Zo ging het trouwens ook in Mexico, tot president Vicente Fox begin jaren 2000 onder Amerikaanse druk de kartels de oorlog verklaarde. Even leek het te gaan lukken. Ladingen werden onderschept, bendeleiders opgepakt, de smokkel naar de States werd effectief gestremd. Maar algauw ontdekte men een vervelend neveneffect: er barstte een genadeloze straatoorlog los tussen bestaande en nieuwe bendes, met als inzet de vrijgekomen posities. Voorspelbaar, want als de nummer één van een bende wegvalt, dan kun je er donder op zeggen dat de nummers twee en drie elkaar naar het leven staan om de baas te spelen. Die geweldspiraal is sindsdien blijven draaien.

wie Latijns-Amerika zegt, denkt er spontaan staatsgrepen en militaire dictators bij. Ergert u zich aan dat cliché?

Vranckx: (lacht). Het is de schuld van Hergé. In Het Gebroken Oor laat hij Kuifje kennismaken met een achterlijk continent vol schietgrage kolonels. De waarheid is dat het de goede kant op gaat. De voorbije twintig jaar heb ik het onderwijs spectaculair zien verbeteren, analfabetisme is haast uitgeroeid. Er is meer democratie en minder geweld, uitgezonderd de blackspots waar we het al over hadden. De allergrootste opsteker, dat blijft toch wel de vrede in Colombia. Het blijft me ontroeren: hoe de Colombianen zonder buitenlandse inmenging uit die put zijn gekropen, louter gedreven door hun geloof in de staat.

Sergio Jaramillo werd enkele maanden geleden tot ambassadeur in Brussel benoemd. Hebben jullie nog contact?

Vranckx: Jazeker, hij heeft het hier naar zijn zin. Na zeven jaar onderhandelen was hij toe aan herbronning, hij heeft in die periode zijn gezin nauwelijks gezien. Ik zag hem onlangs op de televisie met een geïmmobiliseerde arm. Blijkt dat hij zich hier heeft laten opereren voor tendinitis, een gevolg van de 12.000 handtekeningen die hij vorig jaar onder dossiers voor gedemobiliseerde Farc-leden heeft gezet. Mijn bewondering voor zijn inzet is grenzeloos. Sergio komt uit een vooraanstaande familie. Hij heeft in Oxford, Cambridge, Heidelberg en Moskou gestudeerd, en spreekt zes talen waaronder oud-Grieks. Hij had voor een comfortabel leven kunnen kiezen, een kosmopoliet met uitzicht op een internationale topcarrière. Maar nee, hij is uit naar Colombia teruggekeerd om zich achter het vredesproces te scharen. In België is patriotisme haast een scheldwoord, in Colombia een erezaak. Ik heb lang geleden in Audergem een optreden van een folkloristische dansgroep uit Medellín bijgewoond. Er was te weinig plaats, bij de ingang werd haast gevochten voor tickets. Chaos en rumoer alom, tot bij de eerste drumslag iemand de kreet “ai mi pueblo” lanceerde. De hele zaal veerde recht, de hand op  het hart. Mi pueblo, mijn volk, dat betekent echt iets voor Colombianen.

Payoke-bezielster Patsy Sörensen over Bart De Wever en loverboys

Knack, 8 augustus 2018

“Ik weet dat ze het bij de Nationale Vrouwenraad niet graag horen, maar ik heb geen probleem met prostitutie, zolang er geen uitbuiting aan te pas komt”.

Verontwaardiging is de brandstof waarop Payoke-bezielster Patsy Sörensen draait. Officieel is ze met pensioen, maar de tank is nog niet leeg. Vorige week mocht ze voor het eerst een Antwerps burgemeester als bondgenoot in de strijd tegen de mensenhandel in het Schipperskwartier verwelkomen. Laat de gewezen politica van rood en-groen zich voor de N-VA-kar spannen? ‘Zolang het mijn eigen agenda dient, zie ik geen probleem’.

foto: Hatim Kaghat

foto: Hatim Kaghat

 

Antwerpen Linkeroever. Ergens, in een van de vele identieke torenflats, moet oud-burgemeester Bob Cools wonen. Onze chauffeur grijnst als de naam valt. Bob Cools, de man die haar ooit in volle gemeenteraad vroeg of ze misschien de late shift had gedraaid toen ze op een keer met lichte vertraging haar zitje op ’t Schoon Verdiep kwam innemen. Een goede verstaander had maar een half woord nodig. Patsy Sörensen kwam recht van kantoor in het Schipperskwartier. Van bij Payoke dus, destijds in de wandel bekend als hoerenvakbond. Nee, de partijgenoten Cools en Sörensen waren geen kameraden. Maar bestaat er wel zoiets als vriendschap in de politiek? Tijdens het interview zal ze daarover vooral scepsis tonen. Na haar periode bij de Antwerpse socialisten werd Sörensen verruimingskandidaat op een kartellijst met Agalev. De oversteek leverde haar een schepenmandaat op, gevolgd door een verblijf in het Europees parlement. Een thuisgevoel echter heeft ze er niet gevonden. Politieke warmte komt haar tegenwoordig zelfs uit een heel andere windstreek aanwaaien. Sörensen, in binnen-en buitenland gelouwerd voor haar strijd tegen mensenhandel, wordt steeds inniger aan de borst gedrukt door de N-VA. Vorige week nog bracht burgemeester Bart De Wever een in de media breed uitgemeten bezoek aan Payoke om zijn steun toe te zeggen in de strijd tegen het fenomeen loverboys.

Ze parkeert voor haar deur, een voormalige groentenwinkel in een uitgestorven straat. Ze woont graag op Linkeroever, al was de verhuis uit het drukke Schipperskwartier geen vrije keuze. ‘Ik had het toen aan de stok met het Albanese milieu’, vertelt ze terwijl we uitstappen. ‘Een heftige tijd, ik liep permanent met een kogelvrije vest rond, net zoals mijn man en kinderen. Slapen deden we in de kelder, met een baseballknuppel naast ons bed. Dat was geen paranoia. We ontvingen geregeld doodsbedreigingen, en er werd meermaals bij ons ingebroken. We konden bovendien geen stap buiten zetten of er stonden mannetjes op de loer. Het was geen leven meer’. De Nederlandse Bende van de Miljardair, de Georgische en Russische criminelen van het Falconplein, Albanese pooiers en Hongaarse gangsters, aan vijanden had ze nooit een gebrek. Sinds november is ze officieel met pensioen, maar vanuit het Payoke-kantoor zet ze de strijd onverminderd voort. Straf, want tegelijkertijd levert ze op het thuisfront een ander gevecht, als mantelzorgster. Staf, haar man lijdt al drie jaar aan MSA, een zeldzame en dodelijke spierziekte die Vlaanderen pas leerde kennen toen N-VA-kamerlid Flor Van Noppen eraan stierf. Dat ze intussen een dynamisch bestuurslid van de Belgische MSA-patiëntenvereniging is geworden, zal niemand verbazen. Dat de peter van diezelfde vereniging niemand minder is dan N-VA-minister van binnenlandse zaken Jan Jambon, dat heet dan weer toeval.

geen toeval was de komst van Bart De Wever naar het Payoke-hoofdkwartier in Leguit. Maakt de burgemeester zich zorgen over het fenomeen loverboys?

Patsy Sörensen: Met reden, want het probleem escaleert. Payoke heeft het zowat ontdekt, meer dan twintig jaar geleden. Kasten vol rapporten hebben we erover volgeschreven, maar op het terrein gebeurt er weinig of niks. Beste bewijs: we hebben momenteel 50 dossiers in behandeling. Samen met Child Focus hebben we een rapport geschreven voor de Stuurgroep Tienerpooiers die door Vlaams minister van welzijn Vandeurzen (CD&V) werd opgericht. Een wat misleidende naam, ik verkies zelf de term loverboys. De pooiers zijn immers geen tieners, de gemiddelde leeftijd schommelt tussen 18 en 25 jaar. Tieners, dat zijn de slachtoffers die vaak onherroepelijk beschadigd raken als ze in de klauwen van een loverboy vallen. Onze voornaamste eis is het oprichten van een gespecialiseerd opvangcentrum. We zijn dan ook erg blij dat De Wever zich daar heeft achter geschaard. Als burgemeester, maar ook als partijvoorzitter. Dat is geen detail, want zo’n centrum hoeft niet per se in Antwerpen te staan. Liever niet zelfs, hoe mee afstand tussen slachtoffers en pooiers, hoe beter.

bestaat er dan geen opvang voor slachtoffers?

Sörensen: Toch wel, ze belanden in de bijzondere jeugdbijstand, in gesloten instellingen zoals Beernem of Mol. Helaas werkt dat van geen kanten. Slachtoffers hebben niet alleen psychosociale en pedagogische begeleiding maar ook politioneel toezicht nodig. Nu staan de pooiers hen letterlijk bij de poort op te wachten als ze worden ontslagen. In Mol zitten daders en slachtoffers zelfs samen, sommige loverboys zetten er hun handeltje gewoon verder. Ze geven met de gsm instructies aan handlangers: zorg ervoor dat meisje x zich vanavond naar adres zus of zo begeeft. Het gebeurt ook dat slachtoffers als daders worden behandeld, zoals meisjes die door hun loverboy werden verplicht om andere meisjes te rekruteren. We roepen al jaren om een gespecialiseerd centrum, zoals dat bij ons bestaat voor slachtoffers van internationale mensenhandel. Dat is het schrijnende van de zaak: als Payoke kunnen we wel Nigeriaanse of Albanese slachtoffers helpen en opvangen, maar voor Belgische  minderjarige slachtoffers kunnen we niks doen.

ik kan me inbeelden dat die wantoestand bij N-VA een gevoelige snaar raakt. Net zoals ik me kan voorstellen dat de hele missie van Payoke kan ingepast worden in de strijd tegen de internationale mensensmokkel, een uitwas van migratiecrisis waarvan enkele N-VA- excellenties hun handelsfonds hebben gemaakt. Loert er geen gevaar voor politieke recuperatie?

Sörensen: Je m’en fous! Natuurlijk heeft de N-VA een eigen agenda, zo werkt dat altijd in de politiek. Maar waarom zou ik daar wakker van liggen als die agenda mijn eigen zaak dient? Ik volg de politiek op de voet, ik heb op kieslijsten gestaan en mandaten opgenomen. Maar ik ben nooit een echte politica geweest, politiek was voor mij altijd een middel tot. En jawel, ik heb er veel mee bereikt. De uitbouw van Payoke, nationale wetgeving op mensenhandel, zelfs regelgeving op Europees niveau. Maar ik ben binnen mijn eigen partij vaak op muren en tegenkanting gebotst, bij de socialisten en later ook bij Agalev. Niettemin, ik was er niet gerust op toen de N-VA hier in 2012 de verkiezingen won. De Wever had mij in een interview een extreemlinkse Trotskiste genoemd, bepaald geen koosnaampje in zijn mond. En die man zou burgemeester worden? Nu gaan we het krijgen, dacht ik. Welnu, die vrees bleek ongegrond. Het nieuwe stadsbestuur heeft zich vanaf dag één constructief opgesteld. Zo hebben we een uitstekend contact met OCMW-schepen Fons Duchateau. Ik kan het ook niet helpen, maar de N-VA doet echt moeite voor ons. Niet alleen in Antwerpen, Zuhal Demir vecht als staatssecretaris voor onze financiering. Broodnodig, want de huidige regeling verplicht ons ieder jaar weer om voor onze werkingssubsidies te bedelen. Ook dat hebben we hebben we vorige week bij De Wever aangekaart, en hij heeft beloofd er wat aan te doen. Zijn bezoek is trouwens flink uitgelopen. De Wever staat bekend als een koele kikker, maar bij ons was hij een en al empathie. Ook met Jan Jambon en Theo Francken schiet ik goed op, ze zijn zich allebei al uitvoerig over onze werking komen informeren.

al een partijkaart overwogen? Kost bij de N-VA maar 12,50 euro…

Sörensen (lacht). No way, ik sta op mijn onafhankelijkheid. Het is niet omdat ik met Theo Francken praat, dat ik zijn standpunten over migratie onderschrijf. Fort Europa is niet mijn ideaal. Het blokkeren van alle legale migratiekanalen duwt duizenden Afrikanen in de armen van mensenhandelaars, dat zal je niet gauw uit Franckens mond horen. Overigens, Payoke heeft ook een prima verstandhouding met het kabinet van justitieminister Geens. Moet ik dan misschien ook een CD&V-partijkaart kopen? Nee toch.

klopt Bart De Wevers bewering dat hij de allereerste Antwerpse burgemeester is die een werkbezoek aan Payoke heeft gebracht?

Sörensen:  Ongelooflijk, vind je niet? Koning Boudewijn is in 1992 bij ons geweest, jaren later ook koningin Paola. We hebben ministers over de vloer gehad, buitenlandse delegaties volgen elkaar op. Maar onze eigen burgemeester? Daarvoor hebben we moeten wachten tot vorige week. Okay, ik had De Wever zelf uitgenodigd, nadat hij Payoke tijdens de presentatie van het nieuwe beleidsplan prostitutie een compliment had gegeven. Ik was er die dag zelf niet bij, maar Klaus, mijn opvolger als directeur, viel haast van zijn stoel van verbazing.

hoezo, verbazing?

Sörensen: Het was toch wel een historisch moment. Payoke en Antwerpse burgemeesters, dat is altijd een moeilijk verhaal geweest. Voor Bob Cools was ik de gebeten hond. Met zijn opvolgster Léona Detiège kwam ik beter overeen, ik was toen schepen voor Agalev. Maar ook zij is nooit bij Payoke langs geweest. Met Patrick Janssens had ik dan weer nauwelijks contact. Ja, hij is een keer bij ons over de drempel geraakt. Per ongeluk haast, het was niet gepland. Janssens leidde die dag een Waals politicus rond in het Schipperskwartier. Zijn naam ontglipt me, maar ik had hem kort voordien tijdens het nationaal défilé op 21 juli leren kennen. Toen de delegatie onze voordeur passeerde, wilde hij per se een bezoekje brengen om gedag te zeggen. Met een zuur kijkende  burgemeester in zijn kielzog, hij is zelfs de trap niet opgelopen. Janssens zag Payoke niet zitten, hij vond dat ons werk beter door het OCMW of andere overheidsinstellingen kon worden gedaan.

waarom die animositeit? Payoke is snel doorgegroeid van een soort vakbond voor prostituees tot een nationaal en internationaal erkend expertisecentrum inzake mensenhandel. Toch wel een instelling waarop een progressieve burgemeester trots kon zijn?

Sörensen: Tja, waarom is het scheef gelopen? Botsende karakters zullen wel een rol gespeeld hebben. Naar het schijnt ben ik ben niet altijd even diplomatisch. (lacht) Maar natuurlijk was er meer aan de hand. Bob Cools is een intelligente man, maar hij had het moeilijk met een partijgenoot die het openlijk voor prostituees opnam. En vooral: hij nam me kwalijk dat ik zijn plannen voor de opkuis van het Schipperskwartier tegenwerkte. Het ging om mijn eigen buurt, ik denk dat ik alle 4.000 inwoners persoonlijk kende, uiteraard ook de prostituees, in die tijd vooral Belgische, Franse en Nederlandse meisjes. Ik zag de overlast en de problemen, een sanering was noodzakelijk. Maar ik verzette me tegen de willekeur van Cools die in sommige straten met één pennentrek alle bars en ramen wilde schrappen. Het bezoek van Koning Boudewijn aan Payoke heeft onze relatie geen deugd gedaan. Cools was er niet bij, maar de hele démarche werd als een signaal geïnterpreteerd, een striemende terechtwijzing van de burgemeester en andere falende instanties. We spreken hier over de periode toen ik samen met Chris De Stoop de Bende van de Miljardair op de kaart heb gezet, het echte startschot in de strijd tegen de mensenhandel. Die affaire heeft uiteindelijk tot een complete breuk met de socialistische partij geleid.

hoe dan wel?

Sörensen: Ik heb er in 1994 zelf een boek over geschreven, “Maskers af”.  Daarin noem ik man en paard, ook de namen van partijleden die zich door het prostitutiemilieu hadden laten corrumperen. Niet alleen de Antwerpse partijtop was boos, ook voorzitter Frank Van den Broucke reageerde woedend. Pijnlijk, want ik zat destijds samen met onder meer Steve Stevaert, Johan Vande Lanotte en Anne Van Lancker in de Domino-groep over de partijvernieuwing te brainstormen. Na de breuk hebben Paul Goossens en Tom Lanoye me de weg gewezen naar Agalev. Zo ben ik dus schepen geworden en heb ik het Antwerpse prostitutiebeleid in een nieuwe bedding kunnen leggen. Het was een spannende periode, vooral de besprekingen over de toekomst van het Schipperskwartier die in het grootste geheim verliepen. Lastig als je zelf in de buurt woont en werkt. Ik wist perfect wie bij het plan zou winnen en wie zou verliezen, maar ik mocht geen woord lossen. Uiteindelijk raakte het plan, dat ook al voorzag in de komst van een megabordeel, goedgekeurd, vlak voor mijn vertrek naar het Europees parlement. Eindelijk verlost van die lastpak, moeten ze in Antwerpen hebben gedacht. Ook bij Agalev, want het is geen geheim dat ik niet bijster goed kon opschieten met Mieke Vogels. Onder Patrick Janssens werden de relaties met de Stad alleen maar slechter. De contacten verliepen via OCMW-voorzitser Monica De Coninck, iemand die ik al lang kende. Toch heeft uitgerekend zij geprobeerd ons uit het pand in Leguit te zetten, een eigendom van de stad. Gelukkig stond er toen hoog bezoek gepland: koningin Paola. Er moeten beelden van bestaan: Paola die Monica De Coninck voor de camera vraagt hoe het nu zit met de huisvesting van Payoke…

ingeving van het moment?

Sörensen  Laat ons zeggen dat de koningin haar huiswerk goed had gemaakt. En dat wij haar daarbij een handje hebben geholpen. (schaterlacht). Feit is dat haar bezoek zijn effect niet heeft gemist. Ineens hing De Coninck aan de lijn met de vraag om de uitzettingsbrief te verscheuren. We hebben er niks meer van gehoord en huizen nog altijd in Leguit.

foto: Hatim Kaghat

foto: Hatim Kaghat

Payoke heeft blijkbaar een rechtstreekse lijn met Laken. Wijlen koning Boudewijn was zoals bekend geschokt door de verhalen die Chris De Stoop in dit blad publiceerde over moderne slavernij in de rosse buurten van zijn rijk. Op 28 oktober 1992 bracht hij een verrassingsbezoek aan Payoke om er met slachtoffers te praten, wat aanleiding gaf tot zoutloze grappen over Boudewijn die voor het eerst naar de hoeren ging. Hoe belangrijk was dat bezoek voor Payoke?

Sörensen: Enorm, dat heeft alles veranderd. Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Eerst dat verrassende telefoontje: van Ypersele, de kabinetschef van Boudewijn aan de lijn. Dat de koning Payoke wilde bezoeken. En of wij een scenario konden bedenken? Ik ben toen naar Laken moeten rijden om alle details te bespreken. Voor de buitenwacht was het een verrassingsbezoek, maar in feite kwam er geen improvisatie aan te pas. Na Boudewijns passage gingen ineens alle deuren open. Ministers, staatssecretarissen, topambtenaren en hoge politieofficieren, ze stonden in de rij om met ons te praten. Boudewijn heeft veel meer gedaan dan een luisterend oor verlenen aan enkele gewezen prostituees, hij heeft zich met zijn volle gewicht achter onze eis geschaard om aan slachtoffers van mensenhandel een verblijfsstatuut en opvang te geven. Met resultaat, dat statuut is er opvallend snel gekomen. Mede dank zij Boudewijn is ons land een koploper geworden in de strijd tegen mensenhandel, met Payoke als expertisecentrum. Dat is geen overdrijving. In 2014 hebben de Belgische, Nederlandse en Hongaarse justitie een bende opgerold die in twee jaar tijd 400 meisjes in Gent en Den Haag had geplaatst. Het Belgische luik van het onderzoek, dat hebben wij samen met het Gentse parket gevoerd. Als het over mensenhandel gaat, komt ook het federaal parket haast altijd bij Payoke aankloppen. Ik ben de voorbije vijfentwintig jaar de halve wereld rondgereisd om onze aanpak toe te lichten. Europol, Frontex, de VN blauwhelmen, ik ben overal gaan spreken. Cuba heeft me uitgenodigd, rechtstreeks via Castro’s dochter die per se iets wilde ondernemen tegen de mensenhandel in haar land. Ik heb in China, Afghanistan, Nigeria, Albanië en Irak gewerkt. Naar Syrië ben ik vijf jaar op en af gereisd, tot daar de burgeroorlog uitbrak.

wat deed u daar?

Sörensen: Ik werd gevraagd door de Syrische ambassadeur bij de Europese Unie. Bedoeling was twee vluchthuizen uit de grond te stampen, in Damascus en Aleppo. Het plan kreeg de rechtstreekse steun van het regime, vooral mevrouw Assad was er nauw bij betrokken. We kregen dus alle medewerking, maar tegelijkertijd voelde je dat er iets niet in de haak was. Syrië was een echte politiestaat. Iedereen wantrouwde iedereen, ook wij werden constant in de gaten gehouden. Ik heb er zelf de stekker uitgetrokken kort voor de burgeroorlog uitbrak, maar de tekens aan de wand waren duidelijk. Vlak naast ons opvanghuis in Damascus was een pand waar de politie opposanten folterde, we konden het gewoon horen. Een van onze meisjes, pas bevallen na een verkrachting, werd weggehaald en naar het martelcentrum gebracht. Omdat haar broer een terrorist was, zo werd er gefluisterd. Dat fluisteren mag je letterlijk nemen, want door de angstcultuur durfde niemand hardop te praten over gevoelige zaken. We hadden een arts in dienst, een Mexicaanse die met een Syriër was getrouwd. Soms werd ze door de buren opgevorderd om gemartelde slachtoffers weer op te lappen of bij te brengen.

het ontbreekt in uw carrière niet aan sterke anekdotes. U werd met de dood bedreigd, aangevallen met een bunsenbrander, raakte verwikkeld in nachtelijke achtervolgingen in Limburgse bossen. Het is maar een greep uit de voorbereidende research. Allemaal waarachtig of ietwat aangedikt door journalist of verteller?

Sörensen: Allemaal echt gebeurd. Kijk, ik ben van nature nieuwsgierig. Als een onbekende me belt en zegt dat hij me na zonsondergang op een afgelegen plek wil spreken, dan ga ik er naartoe, louter om te weten wat er dan gaat gebeuren. En wees gerust, ik heb nog niet alles verteld. Zoals die keer in dat megabordeel in Szentendre, een stad vlakbij Boedapest. Het moet 1995 zijn geweest, ik had me er binnen gebluft als eigenares van een Luxemburgs bordeel op zoek naar nieuwe meisjes. In feite was ik er om een spoor na te trekken, het had te maken met hardcore pornovideo’s die toen in Hongarije werden gedraaid. Ik zie die club nog zo voor me: tientallen meisjes, het krioelde er van de Russische maffiosi. Ik heb toen nog een meisje helpen ontsnappen dat op het punt stond aan een pooier re worden doorverkocht.

na dertig jaar kunt u de balans opmaken: is de mensenhandel op zijn retour?

Sörensen: Nee. Het is net zoals met drugs, er valt zoveel geld mee te verdienen, dat het nooit zal verdwijnen. We hebben de voorbije dertig jaar natuurlijk een enorme weg afgelegd in de bestrijding van het fenomeen. Helaas loopt het de laatste tijd weer wat stroever, omdat de strijd tegen het terrorisme bij de politie veel energie en mankracht heeft weggezogen. Prostitutie trekt de meeste aandacht, maar in feite is dat misleidend. Mensenhandel gaat veel breder, Payoke vangt tegenwoordig meer slachtoffers van economische dan van seksuele exploitatie op, vooral mannen zelfs. Ook daar hoor je schrijnende verhalen. Mannen en vrouwen die op weg naar Europa werden mishandeld en vernederd, om zich hier vervolgens in abominabele omstandigheden te laten uitbuiten. Ze wassen auto’s in de carwash, kloppen marathondiensten in nachtwinkels en restaurants,  maken wc’s schoon, als ze al niet gedwongen worden om te bedelen. Altijd voor een hongerloon, want het echte geld gaat naar de mensenhandelaars. Het is je reinste slavernij.

heel wat feministen ijveren voor een verbod op prostitutie. Zoals in Zweden, waar klanten van prostituees worden vervolgd. U heeft die piste altijd afgewezen. Waarom?

Sörensen: “Ik weet dat ze het bij de Nationale Vrouwenraad niet graag horen, maar ik heb geen probleem met prostitutie, zolang er geen uitbuiting aan te pas komt”. Dat is trouwens altijd al de visie van Payoke geweest: we vechten niet tegen prostitutie maar tegen mensenhandel. Kijk, Nigeriaans meisjes zitten haast altijd in de greep van een voodoopriester, nog zo’n fenomeen dat Payoke een kwarteeuw geleden als eerste heeft gesignaleerd. We werden toen bij de politie uitgelachen, het ging er niet in dat meisjes konden afgedreigd worden met een morsig zakje met wat haarlokken, vingernagels of bloederige smurrie. Intussen weten ze wel beter, dat morsig zakje is haast altijd een sterke aanwijzing voor mensenhandel. Maar wat ik daarmee bedoel: Payoke heeft al heel wat Nigeriaanse meisjes geholpen om met hun voodoopriester te breken. Toch zie je dat sommige van die meisjes na hun verblijf in ons centrum vrijwillig naar het vak terugkeren. Dat lijkt onbegrijpelijk, maar je moet het vanuit hun standpunt bekijken. Na jaren van uitbuiting krijgen ze eindelijk de kans om voor eigen rekening te werken en er echt aan te verdienen. Een jaar in de prostitutie, en ze kunnen met opgeheven hoofd en een gevulde portefeuille naar Nigeria terugkeren. Daar heb ik geen probleem mee.

op jullie website staan schokkende getuigenissen. Meisjes die jarenlang brutaal werden mishandeld, of door hun eigen moeder aan pooiers worden verkocht. Dat heet dus dagelijkse kost bij Payoke. Hoe houdt u dat al dertig jaar vol? Met een dikke laag eelt op de ziel?

Sörensen: Nee, geen eelt op de ziel. Dat zou dodelijk zijn voor de motivatie. Ik word nog altijd kwaad als ik met zulke toestanden word geconfronteerd. Verontwaardiging is de brandstof waarop ik draai.

Veenbrand in de Marokkaanse Rif

Knack, 20 juni 2018

Al 20 maanden sluimert in de Marokkaanse Rif een volksopstand. Terwijl de historische leiders van de Hirak in Casablanca voor de rechter verschijnen, slaan hun medestanders terug met een boycot van Danone-producten. De Vlaamse en Nederlandse diaspora leeft intens mee, zo blijkt uit het essaybundel ‘Opstand in de Rif’.

opstand in de rif HRvk1

Tussen de steekvlammen van de internationale politiek blijven veenbranden vaak onopgemerkt. In de Rif, een door Berbers bewoonde regio in het Noorden van Marokko, smeult zo’n vuur. Op 28 oktober 2016 sloeg de vlam in het stro, nadat in provinciehoofdstad Al Hoceima een jonge vishandelaar in een vuilniswagen werd verpletterd tijdens een dispuut met de politie over een lading illegaal gevangen zwaardvis. De Hirak was geboren, een volksopstand die teert op historische frustraties van de Riffijnen die zich al decennialang politiek, economisch en cultureel gediscrimineerd voelen. Nasser Zefzafi, een gsm-reperateur uit Al Hoceima, werd het gezicht van het geweldloze massaprotest dat veel weerklank kreeg in de Europese diaspora. Vooral België, Nederland, Spanje en Duitsland tellen grote gemeenschappen uit een verarmde regio die de voorbije 60 jaar een derde van zijn bevolking zag emigreren. Terwijl de internationale mediabelangstelling taande, nam de repressie van de Marokkaanse overheid toe. In april begon in Casablanca het monsterproces tegen de een jaar eerder gearresteerde Zefzafi en 53 van zijn medestanders. Rachida Lambrabet wijst op het contrast: in de rechtbank in Casablanca zaten welgeteld twee Europese politici als waarnemers, niks vergeleken bij de mobilisatie voor de politieke processen tegen Erdogan-critici in Turkije. De Vlaamse schrijfster en activiste, zelf van Riffijnse oorsprong, leverde een bijdrage aan het pas verschenen essaybundel ‘Opstand in de Rif’. De auteurs, overwegend Vlaamse en Nederlandse Riffijnen, klagen zowel de repressie in Marokko als het stilzwijgen van Europa aan.

Nergens klinkt dat stilzwijgen luider dan in België, vernemen we van samensteller Btisam Akarkach die zelf een bijdrage over de rol van sociale media en burgerjournalisten schreef. ‘Het verschil met Nederland is frappant’, zegt ze. ‘Niet alleen de media maar ook de politiek besteden er veel meer aandacht aan de crisis in de Rif. De enige twee Europese waarnemers op het proces in Casablanca waren trouwens Nederlandse politici, de PvdA’sters Kati Piri en Lilliane Ploumen’.

hoe verklaart u dat verschil?

Btisam Akarkach: België doet er ook alles aan om Marokko niks in de weg leggen. Het land wordt gezien als een cruciale bondgenoot in de strijd tegen de terreur, en een partner waarmee we zaken willen doen of afspraken maken over de terugname van illegale migranten. Onlangs kregen we daar een sterk staaltje van te zien, toen minister van buitenlandse zaken Didier Reynders (MR) in Rabat een Leopoldsorde uitreikte aan Driss El Yazami, de voorzitter van de Nationale Raad voor de Rechten van de Mens.

toch een mooi humanitair gebaar?

Akarkach: Niet als je de rol kent die El Yazami in het drama van de Rif speelt. Als voorzitter van de nationale mensenrechtenraad heeft hij de massa-arrestaties en mensenrechtenschendingen nooit veroordeeld maar integendeel geminimaliseerd. Dat terwijl Riffijnen zelf van een terugkeer naar de Loden Jaren spreken, de drie decennia onder Hassan II die vooral in de Rif door genadeloze onderdrukking werden gekenmerkt. Politieke moorden zoals toen worden er nu niet gepleegd, maar Riffijnse activisten worden aan de lopende band gearresteerd, en in de gevangenissen wordt weer gefolterd en verkracht. Volgens Amnesty International worden op het proces van Casablanca onder dwang afgelegde getuigenissen gebruikt als bewijsstukken à charge. Intussen wordt de pers steeds meer gemuilkorfd. Verschillende journalisten zitten in de gevangenis, anderen zijn het land ontvlucht. De repressie treft vooral burgerjournalisten en internetactivisten, de mainstream media zijn namelijk erg dociel. De overheid legt servers plat en blokkeert accounts, een heus trollenleger is permanent in de weer om de Hirak te verdoezelen of verdacht te maken.

hoe is de stemming in Al Hoceima, de hoofdstad van de gelijknamige provincie die nog altijd het epricentrum van de Hirak is?

Akarkach: De repressie laat zich voelen, straatprotest is de facto onmogelijk geworden. Bij eerdere demonstraties werden al 2.000 betogers opgepakt, 500 zitten nog altijd vast. Ik heb zelf gezien hoe hard het er aan toegaat toen ik vorige zomer de begrafenis bijwoonde van een jongen die door een politiekogel werd geveld. De binnenstad was hermetisch afgegrendeld, agenten gooiden met stenen, terwijl anderen de betogers filmden, wat de volgende dagen tot een nieuwe golf van arrestaties leidde.

met stenen gooiende agenten? Vlogen de projectielen niet in de andere richting?

Akarkach: Nee, de Hirak is principieel geweldloos. Dat heeft Nasser Zefzafi altijd benadrukt, zelfs vanuit de gevangenis. Alle mobilisaties via de sociale media gaan gepaard met dezelfde oproep: pleeg geen geweld en reageer niet op provocaties. Bij betogingen lopen eigen ordediensten mee om heethoofden in toom te houden.

Europa is er niet helemaal gerust op. De frustraties in de Rif krijgen veel weerklank in grootsteden zoals Rabat, Tanger en Casablanca. Gevreesd wordt dat de opstand tot een nieuw hoofdstuk in de Arabische Lente kan escaleren. Terecht?

Akarkach: Nee, dat is een frame van het regime. Hoe valt anders te verklaren dat de Hirak al anderhalf jaar zijn geweldloze karakter weet te behouden, ondanks de toenemende repressie? Dit is geen revolutie maar een burgerbeweging die alleen maar redelijke eisen stelt, concrete maatregelen tegen achterstelling van de Rif, zoals een eigen universiteit, een volwaardig ziekenhuis, investeringen in infrastructuur en werkgelegenheid. Anders dan de 20 februari-beweging van 2011 wil Hirak de monarchie niet afschaffen of de regering omverwerpen. Er zijn nog meer verschillen De 20 februari-beweging, de Marokkaanse episode van de Arabische Lente die in de Rif veel aanhangers telde, werd getrokken door intellectuelen die over de hoofden van het volk spraken. Letterlijk, ze gebruikten woorden die de doorsnee Riffijn niet eens snapte. De leiders van de Hirak hebben daar lessen uit getrokken, ze spreken de taal van het volk. Riffijns, maar even goed Darija, Marokkaans Arabisch. Er waren zelfs plannen om ook in het Frans, Nederlands, Duits en Spaans te communiceren, kwestie van de jongeren in de diaspora nauwer te betrekken. Die betrokkenheid is nieuw en voor het regime erg verontrustend, wat blijkt uit de repressie die nu ook de diaspora treft. De procureur van Casablanca heeft een zwarte lijst opgesteld met tien online activisten uit verschillende Europese landen. Ze riskeren in Marokko te worden opgepakt, zoals vorige week effectief is gebeurd met de Belgische Facebook-activist Wafi Kajoua.

het hirak-proces van Casablanca nadert zijn ontknoping. Opvallende afwezige is Nawal Ben Aïssa, de jonge vrouw die na de arrestatie van Zefzafi het leiderschap waarnam. Wat is er van haar geworden?

Akarkach: Ze is in februari al veroordeeld tot een voorwaardelijke straf en een geldboete, een effectieve manier om haar als moeder van drie monddood te maken. Dat doet niks af aan haar historische verdienste, voor vrouwen in de conservatieve Rif is ze een rolmodel.

Mohamed VI werd bij zijn aantreden in 1999 ingehaald als een reformistisch monarch, de antipode van zijn autoritaire vader Hassan II. Onder zijn bewind werden democratische vrijheden hersteld, terwijl de jonge koning zich persoonlijk inspande om de banden met de Riffijnen aan te halen. Hoe staat hij tegenover de Hirak?

Akarkach: Dat vraagt iedereen zich af. De koning schittert door afwezigheid. Niet alleen in dit dossier, in heel Marokko spreken ze van de virtuele koning die alleen nog met selfies van zijn familie uitpakt. Het is waar dat in de eerste jaren van zijn bewind hervormingen werden doorgevoerd, zoals meer persvrijheid. Dat duurde totdat journalisten kritische vragen gingen stellen bij de verknoping van politieke en economische belangen binnen de makzhan, een onvertaalbaar begrip dat voor de het establishment van monarchie en centrale overheid staat. Ik heb vorig jaar in Al Hoceima de nationale feestdag met de koninklijke speech meegemaakt. Wat me frappeerde waren de ambigue gevoelens van hoop en wantrouwen bij de Riffijnen. Hoop, want het gerucht liep dat de koning gratie zou verlenen aan de gevangen Hirak-leiders. Toch overheerste de scepsis. Ik wilde de historische speech in een café bijwonen. Bleek dat ze de satellietzender niet konden vinden, omdat er nooit naar een kanaal van de overheid werd gekeken. Uiteindelijk heeft koning geen gratie verleend, maar wel het machtsvertoon van de ordediensten in de Rif goedgepraat. Ik ben meermaals bij Ahmed Zefzafi, de vader van Nasser, thuis geweest. Volgens hem verschilt Mohamed VI helemaal niet veel van Hassan II.

hoe moet het verder met de Hirak?

Akarkach: De alertheid van de diaspora is groter dan ooit. In Marokko dwingt de repressie tot creativiteit. Zo werd onlangs via Facebook een boycot gelanceerd tegen drie bekende merken waarin de makzhan grote belangen heeft. Behalve een keten van pompstations worden ook de Marokkaanse Danone-producten geviseerd. Die oproep is een groot succes, en niet alleen in de Rif. De Hirak is nog niet dood.

 

Opstand in de Rif, Btisam Akarkach (red), Epo, 182 pag, 20 €