Categoriearchief: interview

Midden-Oosten-correspondent Robert Fisk : “Onze huidige leiders weten niet meer wat oorlog echt betekent”

interview De Morgen, 14 november 2009

Journalist Robert Fisk heeft meer bloed en ellende gezien dan goed is voor een mens. Part of the job, zegt de man die al dertig jaar het Midden-Oosten covert. Wie niet tegen een aan flarden geschoten lijk kan, heeft in zijn vak niks te zoeken. De gelauwerde correspondent van The Independent heeft het zelf van geen vreemden. Bob is de zoon van Bill Fisk, veteraan van de slag bij de Somme in 1918. Deze week was hij in Ieper om er de Elfnovemberlezing uit te spreken. Een gesprek over de verslaving van de oorlog en de manier om ervan af te kicken.

Foto Alan Liefting (Wikipedia)

****

Robert Fisk (63) heeft de uitstraling van een postbeambte. Uitdunnende haardos, rood aangelopen gezicht met een bril, echt niet het cliché van de onvervaarde oorlogsjournalist die hij in werkelijkheid is. Hoewel, oorlogsjournalist? Fisk zelf weigert resoluut het stempel. Correspondent Midden-Oosten is de correcte titel, al geeft hij node toe dat die omschrijving vaak op hetzelfde neerkomt. Al dertig jaar bestrijkt de Britse journalist vanuit Beiroet de betere brandhaarden van deze planeet, aanvankelijk voor de Times en sinds 1989 voor The Independent. De Iraanse revolutie, de opeenvolgende Golf-oorlogen, het Palestijns-Israëlisch conflict, de burgeroorlogen in Algerije en Libanon, het uiteenvallen van Joegoslavië, het humanitaire drama zonder eind dat Afghanistan heet, Fisk stond overal in de vuurlinie.  Het geluk dat talloze collega’s in de steek liet, bleef aan zijn zijde. Hij laveerde door mijnenvelden, hoorde kogels langs zijn oren suizen en zocht dekking voor inslaande granaten. Een keer liep het bijna fataal af, toen woedende Afghanen hem molesteerden uit wraak voor een Amerikaans bombardement dat een half dorp dood achterliet. Doorgaans echter keerde hij behouden terug, met messcherpe reportages waarin geen detail van de oorlogsgruwel onverlet blijft. Eelt op de ziel heeft hij gewis, maar de gave van verontwaardiging is hij nooit verloren. Fisk geldt als een van scherpste critici van het Amerikaanse en Britse beleid in het Midden-Oosten. Niet toevallig mocht hij als enige westerse journalist tot drie keer toe op gesprek bij de meest gezochte man ter wereld, Osama Bin Laden. Het verslag van deze bizarre ontmoetingen valt te lezen in ‘De Grote Beschavingsoorlog’, een pil van 1400 meeslepend geschreven pagina’s die de neerslag vormen van drie woelige decennia in het Midden-Oosten.

Robert Fisk was deze week in Ieper, waar hij op uitnodiging van het Vlaams Vredesinstituut de traditionele Elfnovemberlezing uitsprak. De keuze lag nog meer voor de hand dan op het eerste gezicht lijkt. Robert Fisk is niet alleen oorlogscorrespondent tegen wil en dank, hij is bovendien de zoon van een in 1899 geboren frontsoldaat. Bill Fisk, die de derde slag bij Somme in 1918 overleefde, heeft zoon Bob met een levenslange fascinatie voor de Grote Oorlog besmet. We hebben trouwens afgesproken in de Old Tom, een hotel op de markt van Ieper waar bussen met Britse battlefield toeristen aan en af rijden. Het was 1956 toen hij hier met zijn ouders logeerde voor de eerste van vele bedevaarten naar de soldatenkerkhoven van WOI.  

“De foto’s aan de muur zijn nog niet veranderd”, stelt Fisk in de eetzaal vast. “Ik zie ons nog zitten aan dat tafeltje bij het raam, mijn ouders met een bevriend koppel van wie de man zelf majoor was geweest. Soms kwam hij ons thuis opzoeken, in Maidstone bij Kent. Die majoor had zeldzame foto’s van het front, genomen vanuit een luchtballon. Dat vond ik indrukwekkend. Je kon alles zien, de colonnes met paarden en zelfs de Duitse loopgraven. Ik heb die foto’s later gekregen, ze zitten nu in mijn omvangrijke collectie over de Grote Oorlog.  Vader kocht en verslond alles wat er over 14-18 verscheen, hij was erg trots op zijn bibliotheek. Op het einde van zijn leven heeft hij het vaak gezegd. Straks, als ik er niet meer ben, zijn al die boeken voor jou. Ik heb hem nooit willen vertellen dat ik op dat moment zelf al een veel grotere bibliotheek had dan hij”.

  • Was er in 1956 ook al sprake van battlefield tourism in Ieper?

Robert Fisk: “Oh ja, het zat even stampvol als vandaag, maar in die tijd waren het de oorlogsveteranen zelf die naar Vlaanderen afzakten.  Wij kwamen met de auto, een oude Austin. Ik zat op de achterbank, we reden van het ene kerkhof naar het andere.  Het werd een traditie, vader kwam ieder jaar. Vanaf mijn zestiende kon ik zelf rijden en speelde ik voor chauffeur. Op een keer liet hij me stoppen bij een boerderij in Louvencourt bij de Somme, de plek waar hij was ingekwartierd toen de wapenstilstand werd afgekondigd. Hij had me vaak verteld over de stokoude boerin die zijn ontbijt kwam serveren, ze was hem bijgebleven omdat ze altijd een pijp rookte. We hebben niet aangeklopt, daar was vader te verlegen voor.  Veel later, toen vader al dood was, kwam ik opnieuw in Louvencourt om opnames voor een BBC-reeks te maken. Ik ben toen wel bij die boerderij gaan aankloppen. Bleek dat bewoners zich die pijp rokende boerin maar al te goed herinnerden, het was hun overgrootmoeder”.

  • Heeft je vader vrijwillig dienst genomen?

Fisk: “Hij wilde al op zijn 15de naar het front, maar daar heeft zijn moeder een stokje voor gestoken. Hij stond al in het rekruteringsbureau, toen ze binnenstormde en riep dat haar zoon nog niet de wettelijke minimumleeftijd had bereikt. In 1916 mocht hij dan toch dienst nemen, maar toen was de Ierse opstand net begonnen en werd hij naar Dublin gestuurd. Uiteindelijk is hij pas in 1918, na het laatste Duitse offensief, met het 12de bataljon van het King’s Liverpool Regiment naar de Somme kunnen vertrekken. Het lijdt geen twijfel dat de Ierse opstand zijn leven heeft gered. Ik heb thuis de postkaarten liggen die zijn vrienden hem van het front stuurden. Come and join us, stond erop. Van al die vrienden is er niet één teruggekeerd. Ik heb het verhaal van Bill verteld, toen ik als eerste Engelsman de Bloody Sunday Memorial Lecture in Derry mocht geven. Dat was een intense ervaring, de zaal zat vol IRA-aanhangers.  Ik begon met een oprecht dankwoord voor Padraig Pearse, de leider van de Paasopstand. Zonder hem zou ik hier wellicht niet hebben gestaan, heb ik naar waarheid gezegd”.

  • Was hij getekend door de oorlogservaring?

Fisk: “De oorlog heeft zijn hele leven overschaduwd. Ik weet nog hoe hij zich bedrogen voelde na het lezen van de eerste kritische biografie van generaal Haig, de Britse bevelhebber aan de Somme die als een oorlogsheld werd vereerd. So he was a bloody liar, zei vader toen hij het boek dicht sloeg. Hij kon zijn leven lang geen krengen zien, zelfs een dooie vogel of kat in de tuin was hem te veel. Dat had te maken met een bijzondere ervaring aan het front. Zie je, velen denken dat de oorlog op 11 november 1918 is afgelopen, maar op die datum werd alleen de wapenstilstand afgekondigd. Heel veel soldaten zijn in de loopgraven gebleven tot eind 1919, toen de vredesakkoorden van Versailles werden gesloten. In die periode is er iets merkwaardigs gebeurd. Vader, die tot luitenant was opgeklommen, werd belast met de executie van een Australische soldaat die een andere soldaat tijdens een dronken ruzie had doodgeschoten. Bill heeft dat geweigerd, en als straf hebben ze hem met een rotklus opgezadeld. Hij moest lijken uit massagraven opgraven en op soldatenkerkhoven herbegraven.  De geur van de dood, die is hij nooit meer kwijtgeraakt. Op het einde van zijn leven, toen hij voor kanker was geopereerd, kon hij het allemaal in één zin samenvatten. Die hele oorlog, zei hij, dat was een en al verspilling geweest”.

  • Heeft je vader ooit verteld waarom hij dat executie-bevel naast zich heeft neergelegd?

Fisk: “Nee, ik heb nooit de kans gekregen om hem die vraag te stellen. Het intrigeert me wel, want vader was een principieel voorstander van de doodstraf. Dat was maar één van de onderwerpen waar we vaak ruzie over maakten. Vader was een conservatieve nationalist die op zijn oudere dag ronduit racistische praat over niggers uitkraamde.  Hij voelde zich geen Brit, maar een Engelsman. In zijn ogen was dat een belangrijke nuance. Engelsman, dat was een aparte mensensoort”.  

  • U bent zelf vlak na de Tweede Wereldoorlog geboren. Nochtans heb ik de indruk dat de Eerste Wereldoorlog diepere sporen in uw jeugd heeft getrokken.

Fisk: “Toch niet, de Tweede Wereldoorlog was erg prominent aanwezig in mijn kindertijd. Moeder, die 21 jaar jonger was dan vader, had de oorlog intens beleefd. Ze werkte voor de luchtmacht, ze herstelde boordradio’s van Spitfires. Vader, die na de Grote Oorlog een carrière als gemeenteambtenaar had gemaakt, kreeg er pas na de Duitse capitulatie mee te maken. Hij werd naar Hamburg gestuurd om er als expert te helpen bij de opbouw van een stadsbestuur. (grinnikt) Zo zie je maar, in tegenstelling tot de invasie van Irak vandaag, werd er in die tijd op voorhand nagedacht over de wederopbouw. Ik ben zelf vaak in Hamburg geweest, de eerste keer moet in 1949 zijn geweest. Hoe klein ik ook was, ik herinner me heel goed dat de stad nog volledig in puin lag. We verbleven in een van de weinige huizen die nog overeind stonden. Iedere namiddag moesten we de ramen openzetten, want dan lieten ze de blindgangers ontploffen die nog overal tussen het puin lagen. Van sommige taferelen begreep ik de betekenis niet. Op een keer zag ik hoe een groep Duitsers door Russische militairen werd geëscorteerd en aan de Britten werd overgedragen, velen droegen nog hun kepie met de Duitse adelaar erop. Later heeft vader uitgelegd dat het om soldaten van de Wehrmacht ging die bij Stalingrad krijgsgevangen waren gemaakt. Ik heb aan die periode een dierbaar souvenir overgehouden. Vader had me een speelgoedtrein gekocht, een Duitse stoomlocomotief uit de jaren dertig met alles erop en eraan. Thuis liet ik hem op de sporen van mijn Engels speelgoedtreintje rijden. De wielen pasten perfect, maar doordat het zo’n potente machine was, kwam het meteen tot een ontsporing. De locomotief is helemaal door de kamer langs de openstaande voordeur naar buiten gereden en aan de overkant van de straat in de berm gecrasht. Duitse kwaliteit”.

  • Geen wonder dat u als journalist ten oorlog bent getrokken. U bent in het vak geboren…

Fisk: “Meer nog dan je denkt. Vader heeft een camera meegenomen toen hij naar Somme vertrok, ook al wist hij dat fotograferen streng verboden was. Hij heeft een paar beelden van het front kunnen maken, op gevaar van zijn leven. Toen we die BBC-reeks maakten merkte de producer op dat mijn vader op zijn manier een reporter was.  Zo had ik hem nooit bekeken”.

  • Was hij gelukkig met uw keuze voor een journalistieke carrière die zich van slagveld naar slagveld sleept?

Fisk: “Niet toen ik bij de Sunday Express debuteerde, want die krant vond hij beneden zijn waardigheid. Maar toen ik naar de Times overstapte, was hij heel trots. De Times van voor Rupert Murdoch, dat was een eerbiedwaardig instituut. Toch vond hij na een paar jaar dat het welletjes was geweest. Het werd tijd dat zijn enige zoon trouwde en een gezin stichtte. Uiteindelijk heeft hij zich bij het onvermijdelijke neergelegd, hij is me tot aan zijn dood blijven volgen en lezen. Mijn verslaggeving van de oorlog tussen Iran en Irak, daarmee heb ik een gevoelige snaar geraakt. Het was een primitieve stellingenoorlog met loopgraven, modder en kindsoldaten die zich argeloos te pletter liepen op barrières van mitrailleurvuur. De taferelen die jij beschrijft kan ik me zo voor de geest halen, zei hij op een keer, het ging er net zo aan toe in de Grote Oorlog”.

  • Ziet u een verband tussen de Grote Oorlog en de conflicten die u zelf verslaat?

Fisk: “Oh ja, het ligt voor de hand. Na de wapenstilstand begon men driftig lijnen te trekken op de wereldkaart. Binnen de zeventien maanden werden de nieuwe grenzen van Noord-Ierland, Joegoslavië en het Midden-Oosten bepaald. Dat zijn niet toevallig de regio’s waar ik al mijn hele carrière van de ene brandhaard naar de andere spurt. Mijn werk had er zonder de oorlog van Bill Fisk heel anders uitgezien. Al die conflicten hebben natuurlijk hun specifieke oorzaak en context, maar na al die jaren heb ik ontdekt dat er een grote gemene deler bestaat. Oorlog is een verslaving, net zoals alcohol, tabak en drugs”. 

  • Wat bedoelt u daarmee?

Fisk: “Politici koesteren de illusie dat oorlog een middel is om problemen op te lossen. Hebben alle opties gefaald? Krijgen we Saddam Hoessein met politieke of economische druk niet op de knieën? Geen nood, dan grijpen we naar de ultieme remedie. Met groot geweld Irak binnenvallen, en het probleem is van de baan. We zien nu wat ervan gekomen is. Ach, ik weet waar het paard gebonden ligt. De huidige generatie van Westerse leiders weet niet meer wat oorlog werkelijk betekent. Loop het lijstje met staatshoofden af, vlooi de kabinetten van de bevoegde ministeries uit. Je zult niemand vinden die in loopgraven heeft gezeten of op een slagveld heeft gestaan, terwijl de kogels hem rond de oren fluiten en allerwegen granaten ontploffen. Vergelijk dat met de leiders met wie ik ben opgegroeid. Atllee, Eden, Churchill, de Gaulle, allemaal veteranen van WOI. Zij beseften dat oorlog niet in de eerste plaats om winnen of verliezen draait, maar om het doden van mensen, burgers zowel als militairen. Een van mijn favoriete citaten komt van Tolstoi.  In de oorlog bestaan geen regels, schreef hij, je kunt mensen straffeloos vermoorden en er nog een medaille voor krijgen”.

  • Zouden leiders echt andere beslissingen nemen moesten ze af en toe met de neus in een bloedbad worden gedrukt?

Fiks: “Ik ben daarvan overtuigd. Waarom denk je dat er zoveel spanningen bestaan tussen politici en journalisten? Omdat wij wel weten wat oorlog is, en omdat we dat ook willen tonen aan het publiek. Politici zijn daar allergisch voor. Oorlog moet zo clean mogelijk worden voorgesteld. Bombardementen worden met chirurgische precisie uitgevoerd, als er toch burgerslachtoffers vallen, dan vallen die onder het aseptische begrip collateral damage. Flauwekul natuurlijk. Oorlog, dat zijn huilende vrouwen die met de ingewanden uit de buik op noodbrancards naar onderbemande hospitalen worden afgevoerd. Dat zijn kinderen met afgerukte ledematen en gapende wonden waaruit nog de rook van de fosfor opstijgt. Het wordt steeds moeilijker om die rauwe werkelijkheid te tonen. Er is een kwalijke collusie aan de gang tussen media en politiek. In 2003 probeerde ik van Bagdad naar Basra te gaan om er de Britse belegering te verslaan. Ik moest rechtsomkeer maken, er vielen gewoon te veel bommen. De collega’s van Al Jazeera sloegen er zich wel doorheen, en keerden met waarlijk afgrijselijke beelden terug. De Britse artillerie had een bloedbad aangericht, de meeste slachtoffers waren vrouwen en kinderen. Ik was erbij toen ze de beelden bij Reuters in Londen aanboden. Nooit vergeet ik het antwoord. Die beelden waren volstrekt onbruikbaar, fulmineerde een stem in bekakt Engels, het was haast pornografisch. Maar de jongens van Al Jazeera bleven smeken, ze hadden tenslotte hun leven geriskeerd om die beelden te maken. Toen wond de stem in Londen zich op. Dit kunnen we niet maken. Beseften ze dan niet dat we een minimum aan respect voor de doden moeten tonen? Dat vond ik een verbluffend antwoord. We respecteren de Irakezen niet als ze nog leven, we respecteren ze nog veel minder als we ze aan flarden schieten. Maar zodra ze dood zijn, dan horen we respect te tonen. Zo ging het trouwens ook met de soldaten in de Grote Oorlog. Velen waren mijnwerkers en arbeiders uit Noord-Engeland die nooit enig respect hadden ondervonden. Als slachtvee werden ze door de gehaktmolen van de oorlog gedraaid, ook al totaal respectloos. En moet je nu zien: ze worden met monumenten en standbeelden vereerd. Sneuvelen moet je doen om gerespecteerd te worden”.

  • Het cosmetische beeld van de oorlog ligt niet aan uw verslaggeving waarin de lezer geen enkel goor detail bespaard blijft. Heeft u zelf moeten wennen aan die gruwel?

Fisk:  “Ik heb er nooit moeite mee gehad. Ik kan ’s middags een ziekenhuis vol kermende oorlogsslachtoffers bezoeken, en ’s avonds met smaak gaan dineren in een Frans restaurant. Ik ben in Noord-Ierland begonnen. Daar vielen geregeld doden, maar niets in vergelijking met Beiroet waar op grote schaal werd geslacht. Als journalist in het Midden-Oosten mag je daar niet over jammeren, dat is even belachelijk als een chirurg die niet tegen bloed kan. Bloed en miserie horen erbij, wie daar niet tegen bestand is, heeft in het Midden-Oosten niets te zoeken. Ik heb weinig geduld met journalisten die komen klagen over hun posttraumatische stresssyndromen. Boek dan een vlucht naar huis, is mijn raad, en als je eerste klasse neemt, krijg je er een glaasje champagne bij. Ik heb ook een hekel aan journalisten die in hun verslag uitweiden over de beproevingen die ze zelf moeten doorstaan. Zo was er een Amerikaanse collega die een drama maakte omdat zijn schoenen na een ziekenhuisbezoek onder het bloed zaten. For Christ sake, alsof wij de slachtoffers zijn! De echte slachtoffers, dat zijn de stakkerds in de ziekenhuizen, en de bewoners van de vluchtelingenkampen die onder vuur liggen en geen paspoort of geld hebben om een veilig onderkomen te zoeken.”.

  • Nooit nachtmerries gehad?

Fisk: “Een keer maar, na de massakers in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Ik was er die dag heel snel bij, de Falangisten waren nog aan het moorden, onder het goedkeurend oog van het Israëlisch leger. Ik ben toen letterlijk over bergen van lijken geklommen, ik moest me verstoppen omdat ik vreesde dat ze me als getuige uit de weg zouden ruimen. Ja, er zijn van die momenten dat de adrenaline je door de aders giert. In Bagdad heb ik een erg intens moment beleefd. Ik was met enkel collega’s in een ziekenhuis. Het was die keer echt verschrikkelijk: buiten woedde een intens artilleriegevecht, binnen stonden we letterlijk tot onze enkels in het bloed. Toen mijn notaboekje vol was, liep ik terug naar de auto. Wat me toen overkwam, zie je normaal alleen in de film. Op het slechtst denkbare moment, terwijl de kogels en granaten me letterlijk rond de oren vlogen, weigert de motor te starten. Ik heb wel honderd keer fuck geroepen, het hielp niet. En opeens komen er drie Irakezen aanlopen, winkeliers die het tafereel door de kieren van hun gesloten rolluik hadden gezien. Ze hebben de auto geduwd tot de motor aansloeg, ik zag in de achteruitkijkspiegel hoe ze me uitwuifden. Ik ben wel vaker door genereuze moslims uit de penarie geholpen”.

  • U woont al dertig jaar onder de moslims. In Vlaanderen en andere delen van Europa is het intussen bon ton om somber toe doen over het samenleven met moslims. Hoe kijkt u vanuit Beiroet naar ons geworstel met de multiculturele samenleving?

Fisk: “Vol onbegrip. Mijn chauffeur is een Arabische soenniet, mijn vertaler klassiek Arabisch een sjiiet, mijn huisbaas een Druus, mijn kruidenier een christelijke Maroniet. We kennen en respecteren elkaars verschillen. Wat is daar zo moeilijk aan?  Luister naar imam Ali, de stichter van het sji-isme. Vrees niet als je een vreemde man ziet, zei hij tot zijn volgelingen, ofwel is hij je broeder in het geloof, ofwel is hij je broeder in het mensdom”.

  • Uw recentste boek heet ‘The Age of the Warrior’. Ik dacht dat we in ‘The of the Terrorist’ leefden..

Fisk (gretig): “Dank u voor de gemeten voorzet. Terror, terrorist,  je hoort niks anders meer. Persconferenties, nieuwszenders, kranten, het gaat de hele dag door. Ik word ziek van dat woord. Terrorisme is een idioot, zinledig en bovenal racistisch begrip. Want het zijn altijd dezelfden op wie het label wordt geplakt. Het woord Palestijn is haast synoniem voor terrorist geworden. Als je het waagt om een pro-Palestijns standpunt in te nemen, slaan ze je met een dooddoener om de oren. Zozo, meneer verdedigt het terrorisme. Hoe is het zover kunnen komen? De Amerikaanse media hebben daar een perverse rol in gespeeld, zeker als het over Israël gaat. Joodse kolonies op de Westbank heten nederzettingen, de muur is een onschuldig hek, en bezette gebieden worden systematisch als omstreden gebieden aangeduid. Ze tonen Palestijnse tieners die met stenen gooien, maar vertellen er niet bij wat hen daartoe aanspoort. Dat ze die stenen gooien omdat Israël wegversperringen en muren bouwt om op Arabisch land kolonies te bouwen waar alleen joden welkom zijn, wat tussen haakjes gezegd een flagrante inbreuk is op het internationaal recht. Wat onthoudt de kijker als hij die context niet kent? Dat die Palestijnen geboren geweldenaars zijn, genetisch geprogrammeerd voor het plegen van terreur”.

  • Kunt u ook begrip opbrengen voor het fenomeen van de zelfmoordterro…euh..zelfmoordkrijger?

Fisk: “Kijk naar de context, dat heb ik na 9/11 geschreven en gezegd. Vlak na de aanslagen werd ik door een Amerikaanse radiozender opgebeld en live geconfronteerd met een Harvard-professor. Woedend was die academicus. Hoe durf je zoiets te schrijven? Dat komt neer op een steunbetuiging voor het terrorisme! Ik heb hem zijn vet gegeven. Natuurlijk ging het om walgelijke aanlagen op de menselijkheid. Maar maakt die vaststelling de vraag minder urgent: waarom hebben ze die aanslagen gepleegd? Is het een toeval dat alle daders uit het Midden-Oosten kwamen? En ligt het dan niet voor de hand dat we ons even bezinnen over de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten? Na de aanslagen op de Londense metro was Tony Blair er als de kippen bij om uit te sluiten dat dit ook maar iets met de oorlog in Irak te maken had. Zijn woorden waren nog niet koud of er dook een video op waarin de daders verklaarden dat het alles met Irak te maken had. Tja, hoe belachelijk kan een Britse premier zich maken. Weet je, het is echt niet moeilijk om te begrijpen waarom sommigen zelfmoordaanslagen plegen. Kom naar Libanon en neem een kijkje in de kampen van Sabra en Shatila, waar de overlevenden van het bloedbad nog altijd in afgrijselijke omstandigheden leven. Ga naar Gaza, of voor mijn part naar de Afghaanse vluchtelingenkampen in Pakistan. Wie het Midden-Oosten wil snappen, moet de wanhoop kennen waarin miljoenen mensen leven”.

  •  U klinkt niet bepaald optimistisch..

Fisk: “Ik ben ook niet optimistisch. De Amerikaans-Britse politiek in het Midden-Oosten is een fiasco. Mijn gratis advies: trek zo snel mogelijk alle militairen uit Irak en Afghanistan terug. Stuur in de plaats 40.000 dokters en hulpverleners, maar doe niet aan zelfoverschatting. We kunnen helpen met het bouwen en herstellen van ziekenhuizen, bruggen of elektriciteitscentrales. Maar zodra we de pretentie hebben om onze beschaving uit te dragen, zal het weer fout lopen. Probeer niet in Afghanistan een bebaarde dorpsleider te overtuigen van de noodzaak om meisjes naar school te sturen. Je kunt even goed proberen Hendrik de Achtste voor de democratie te winnen of Oliver Cromwell respect voor de rechtstaat bij te brengen. Het zal niet lukken, die baardige dorpsleider zal je inspanning als een opdringerige bemoeienis interpreteren. Kijk, er is een gigantisch communicatieprobleem tussen Oost en West. Wij hebben ons geloof afgezworen, de Eerste Wereldoorlog heeft daar trouwens flink toe bijgedragen. In het Midden-Oosten daarentegen zijn de mensen religieus gebleven. In die kloof ligt de bron van vele misverstanden. Wij, kinderen van de Verlichting, achten onze beschaving superieur, maar in het Midden-Oosten zien ze dat anders. Wie zijn die Westerlingen die ons militair, politiek en economisch komen domineren? Ze hebben niet eens een godsdienst”.

  • Wel zuur voor die meisjes in dat Afghaanse bergdorp…

Fisk: “Er is een oplossing, maar ze zal tijd vergen. Nodig die baardige dorpsleiders naar Europa uit. Toon hen hoe wij hier leven. Sommigen zullen onze levensstijl afwijzen, anderen zullen met positieve conclusies naar hun thuisland terugkeren. Op die manier werden in het verleden al grote stappen voorwaarts gezet. In de jaren twintig keerden Egyptische intellectuelen uit Parijs terug, verrijkt met humanistische denkbeelden die ze meteen begonnen toe te passen. Op die manier werden de eerste feministische organisaties van het Midden-Oosten opgericht, toen reeds”.

  • Slotvraag: waarom gaat u zo tekeer tegen de Nobelprijs van Barack Obama?

Fisk: “Ik zal antwoorden met een quote van mijn goede vriend Naom Chomsky met wie ik vorige week in Dublin ging dineren. Obama heeft nog volstrekt niks gedaan voor vrede, maar dat is nog altijd meer dan zijn voorgangers kunnen claimen. Nee, Obama heeft geen goede beurt gemaakt. Had hij die prijs beleefd geweigerd, dan was hij in mijn ogen een grote meneer geweest”.

Sociolinguist Jan Blommaert over de ontbolsterende algoritmocratie

‘Mijn optimisme is niets anders dan strijdvaardigheid’

Knack Magazine, 28 juli 20202

De linkse academicus Jan Blommaert introduceerde het begrip superdiversiteit in Vlaanderen, achtervolgt de N-VA met de hashtag #extreemrechts en stelde 30 jaar geleden voor om een stolp over het Afrikamuseum te plaatsen. Ondanks een terminale kanker mag dit gesprek geen terugblik heten. ‘Aangezien de kaarten zo slecht liggen, kunnen wij ons niet veroorloven om niets te doen.’

door Simon Demeulemeester en Erik Raspoet, foto’s Franky Verdickt

Met zijn breedgerande hoed en rijzige gestalte is Jan Blommaert (59) een bekende verschijning in de Statiestraat in Oud-Berchem. De gezelligste buurt van Antwerpen, beweert deze uit Gent ingeweken halve Brusselaar. Hij heeft er een boekje over geschreven, dat tot zijn verbazing vertaald werd in het Tsjechisch. ‘Minder dan honderd pagina’s, maar ze hebben me wel tien jaar gekost’, zegt hij met gevoel voor zelfspot. ‘Ik liep rond, noteerde alles. Kwam ik twee weken later op dezelfde plek terug, dan bleek er van alles veranderd. Weer een nieuwe Marokkaanse bakker of een Turkse pittabar, en dat Nigeriaanse  gebedshuis bleek ineens ook Braziliaanse gelovigen aan te trekken. Na een tijd zag ik mijn vergissing in. Ik ging tewerk als een schilder die van zijn model verwacht dat het stil blijft zitten. Maar hier staat het nooit stil, alles is voortdurend in beweging’.

Oud-Berchem werd onder zijn pen opgevoerd als schoolvoorbeeld van superdiversiteit, een begrip dat hij als sociolinguïst in Vlaanderen heeft gemunt. Wie superdiversiteit zegt, denkt er van de weeromstuit migratie en politieke controverse bij. Blommaert weet er alles van, hij mengt zich al dertig jaar als polemist met scherpe meningen in het maatschappelijk debat. Links en kritisch luidt de hoofding van zijn persoonlijke blog waarop onder meer te lezen valt waarom hij voor de PVDA van Peter Mertens stemt. Veel van zijn publicaties, zowel academisch als polemisch, gaan over taal en andere communicatievormen die ons handelen en denken vormgeven, vaak zonder dat we er zelf erg in hebben. Geregeld echter steekt zijn eerste liefde de kop op. Blommaert heeft in een ver verleden Afrikanistiek gestudeerd. Zeer onlangs leverde hij een hoogst lezenswaardige bijdrage aan het debat over de koloniale monumentenstrijd.

Maar ook dit: Jan Blommaert is dodelijk ziek, een tegenslag waar hij geen geheim van maakt. ‘Het is ironisch’, zegt hij. ‘Ik hen mijn hele leven gerookt als als een stoomboot, en dan krijg ik een kanker die volgens de oncologen niets met roken te maken heeft. De plek waar mijn tumor zit, vlak onder de stembanden, is medisch niemandsland. Daar hebben specialisten dus ruzie over gemaakt: viel dit onder de longen of was het meer iets voor de mannen van neus -keel- en oren?.’  Zijn gevoel voor humor is niet aangetast, net zomin als zijn academische reflex. Vanaf zijn ziekbed observeerde Blommaert de nieuwe communicatievormen die tijdens de corona-epidemie gemeengoed zijn geworden. ‘Op het hoogtepunt van de epidemie was ik voor behandeling in het ziekenhuis. Uiteraard in strikt isolement. Ik sprong een gat in de lucht omdat ik mijn gsm mocht bijhouden. Voor ons patiënten was dat een echte levenslijn om belangrijke boodschappen aan het thuisfront over te brengen. ‘Breng eens een schone pyjama’, maar ook ‘Ik heb vernomen dat ik terminaal ben, de sociale dienst gaat u bellen’. Als sociolinguïst was het een interessante ervaring.  We voeren aan de universiteit van Tilburg onderzoek naar communicatie die zich steeds meer op het snijpunt tussen off- en online afspeelt. De voorbije maanden is gebleken dat online offline niet zomaar kan vervangen, want de twee zijn wezenlijk verschillend. Maar wat waren we blij met al die digitale opties!’

Wat doet een sociolinguïst precies?

Blommaert: De sociolinguïst gaat uit van een robuust beginsel uit de sociologie, met name dat de mens pas sociaal wordt wanneer hij communiceert, en bekijkt alle gedragingen die daarmee samenhangen. Wie praat met wie, waarom, waarover en op welke manier? Geloof me, er bestaat geen betere plek om dat te onderzoeken dan Oud-Berchem: hier worden meer dan 100 talen gesproken, met als grote gemene deler het Nederlands – of toch erg benaderende varianten ervan. We leven in boeiende tijden: ons communicatiemodel wordt compleet hertekend.

Wat bedoelt u?

Blommaert: (tekent schema op blad papier). Neem de communicatie van Donald Trump. Het is niet hij die bepaalt wie zijn tweets leest, dat doet een algoritme. En het zijn ook niet zijn 83 miljoen volgers die alleen beslissen wie van hun volgers de presidentiële tweets op hun feed te zien krijgen. Algoritmes zorgen ervoor dat een boodschap laag per laag doorsijpelt, tot bij bestemmelingen die initieel niet eens geïnteresseerd waren. Wie dat systeem beheerst, heeft enorme macht. De macht van algoritmes van bedrijven als Twitter, Facebook en Google is zo groot dat we stilaan van een algoritmocratie mogen spreken.

Dat rijmt wel met democratie, maar valt het ermee te verzoenen?

Blommaert: Ik kan alleen vaststellen dat geen enkele politiestaat ooit zoveel macht heeft kunnen concentreren als die internetgiganten, daar kon de Stasi enkel maar van dromen. Het is toch kras dat zelfs de grootste inlichtingendiensten bij Facebook moeten sméken om gegevens van bepaalde gebruikers in te kijken? Ik ben niet tegen technologie op zich, die beschouw ik als neutraal. Het zijn de achterliggende ideeën die we kritisch moeten onderzoeken. Het is fascinerend hoe onbevangen consumenten omspringen met hun persoonlijke gegevens. Gretig koppelen ze al hun klantenkaarten in één app, zonder te beseffen dat hun data daarmee nog gemakkelijker kunnen worden geoogst én geëxploiteerd. De zwakte van die algoritmes, is dat de sociologische verbeelding erachter nog altijd gebaseerd is op de offline wereld.

Wat bedoelt u met sociologische verbeelding?

Blommaert: Dat zijn onze aannames over hoe de maatschappij ineen zit. ‘Blijf in uw kot’, de oneliner van Maggie De Block (Open VLD), illustreert perfect dat de lockdown-maatregelen gebaseerd zijn op de veronderstelling dat we allemaal ‘een kot’ hebben, bij voorkeur met veel ruimte en een grote tuin voor de kinderen. Dat is het ingebeelde Vlaanderen van de witte middenklasse, het Vlaanderen van Matexi en Willems Veranda’s. In de eerste weken werd die verbeelding constant bevestigd door feel good-bijdragen in het avondjournaal. Allemaal samen in ons kot tegen het virus, op de achtergrond springen de kinderen op de nieuwe, online bestelde trampoline – misschien wel hét symbool van de hele lockdown. Dat werkt vervreemdend als je zelf niet in Matexi-Vlaanderen maar in een superdiverse buurt zoals Oud-Berchem woont.

Hoe definieert u superdiversiteit?

Blommaert: Het is de compleet nieuwe samenleving die vanaf midden de jaren negentig is ontstaan door twee aardverschuivingen die onze mobiliteit hebben getransformeerd. Ten eerste de val van het IJzeren Gordijn en de daaropvolgende Europese afspraken zoals het Verdrag van Maastricht en het Schengen-akkoord. Daarmee ontstond een gigantisch nieuw reguleringsmechanisme voor menselijke mobiliteit. Met de doorbraak van het internet, de tweede aardverschuiving, werden daarmee voorheen ondenkbare vormen van migratie mogelijk. Een Nigeriaans meisje van zes kan perfect in de Berchemse Statiestraat wonen en urenlang met haar nichtje uit Lagos in een taal spreken die door niemand anders in heel België of Europa wordt gesproken. Oost-Europese bouwvakkers werken hier terwijl ze verblijven in de huizen van Turkse huisbazen, die met hun huurgelden zelf naar de groene rand van onze steden verhuizen. Mateloos interessant allemaal.

Niet iedereen deelt uw enthousiasme, laat staan optimisme. Waarom kleeft het stempel probleemwijk aan superdiverse buurten?

Blommaert: Omdat dezelfde verhalen over migratie eeuwig blijven terugkeren. Ons publieke debat is cyclisch: om de zoveel tijd komen dezelfde debatten terug, met dezelfde argumenten, in dezelfde bewoordingen. Daarom blijft Het Belgische migrantendebat, het boekje dat ik in 1992 met taalkundige Jef Verschueren schreef, nog altijd actueel. Dat de kwaliteit van ons onderwijs te lijden heeft onder migratie, is zo’n evergreen. Meestal komt dat uit de mond van mensen wiens kinderen op scholen zitten waar nauwelijks diversiteit te bespeuren valt. Om hun gelijk te bewijzen sleuren ze er de PISA-resultaten bij. Daar moet ik mee lachen: de OESO meet al decennialang dezelfde parameters, terwijl leertechnologie pijlsnel evolueert. Jongeren leren vandaag meer skills via videogames als Dungeons and Dragons dan op school, maar dat wordt niet gemeten.

U bent het niet eens met Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) dat nieuwkomers vlot Nederlands moeten beheersen om hun plaats in de Vlaamse samenleving te vinden?

Blommaert: Als de kennis van het Nederlands het verschil maakt, waarom staan er dan zoveel geboren Nederlandstaligen op den dop? Ja, nieuwkomers moeten Nederlands leren, maar dat lukt het best als ze werken. De chronologie moet omgekeerd: eerst het werk, de taal volgt vanzelf. Dat weten slimme N-VA’ers zelf ook wel, toch werpen ze taalvereisten op als barrière. Tenslotte is die partij nooit in een regering gestapt om nieuwkomers sneller in onze maatschappij te integreren.

U bent vaak messcherp voor de N-VA. In tweets brandmerkt u ze met de hashtag #extreemrechts. Heet dat niet polariseren?

Blommaert: Als een arts zegt dat u een bronchitis hebt, heeft hij u die bronchitis dan bezorgd? Ik beschrijf wat ik zie. Wanneer u hun programma vergelijkt met het beruchte 70-punten programma van het Vlaams Blok, dan zal enige overlap u meteen opvallen. In de jaren 1990 werd dat programma, ook internationaal, als extreemrechts beschouwd. Waarom zou dat vandaag niet meer gelden?

Experts definiëren extreemrechtse partijen als antiparlementair en gewelddadig. Met de beste wil van de wereld kan je dat de N-VA toch niet verwijten? Is het niet preciezer te spreken van een rechtse partij met radicaalrechtse tendensen en retoriek?

Blommaert: (schudt het hoofd) N-VA speelt het spel van de relatieve afstand met het Vlaams Belang. Daarvoor hebben ze een grijze zone gecreëerd waarin bijvoorbeeld Schild & Vrienden gedijt, een clubje dat niet afkerig staat van geweld. Dat spel gaat al ver terug, hoor. Toen in 2004 drie vzw’s van het Vlaams Blok werden veroordeeld wegens racisme, wilde geen enkele partijvoorzitter naar de VRT-studio’s komen voor een debat met Filip Dewinter. Behalve Bart De Wever, die kwam zeggen de uitspraak te betreuren omdat je je politieke tegenstrever niet in de rechtbank moet bekampen. Tja

U heeft zich op uw blog in het dekoloniseringsdebat geworpen met een oude anekdote. 30 jaar geleden solliciteerde u als jonge professor Afrikanistiek voor de baan als directeur van het Afrikamuseum met een opmerkelijk voorstel: u wilde een stolp over dat museum zetten.

Blommaert: (grinnikend) Voor de duidelijkheid: ik wilde die baan niet. Dat heb ik ook meteen gezegd aan de commissie waarvoor ik – tot mijn grote verrassing – mijn visienota mocht gaan verdedigen. Zo kreeg ik de kans om 45 minuten lang mijn ideeën uiteen te zetten. Mijn redenering was en is dat je van een gebouw waarvan de façade om de vijf meter met het embleem van Leopold II is opgesmukt, geen hedendaags Afrika-museum kan maken. Het museum van Tervuren was wereldwijd bekend bij kenners als het laatste koloniale museum in de wereld. Dáár moest je zijn om in het hoofd te kijken van een koloniale ambtenaar. In plaats van dat museum te renoveren, hadden ze het moeten bewaren zoals het was, als metamuseum.

U bent optimistisch over het dekoloniseringdebat. Waarom?

Blommaert: Omdat we een omwenteling zien. De relatie tussen wit en zwart is in de antiracisme- en dekolonisatiebeweging fundamenteel gewijzigd. Lange tijd keek men vanuit zo’n bewegingen naar mensen zoals ik om de leiding te nemen. Nu zijn het jongeren uit de diaspora die de zaak trekken, mij wordt alleen nog gevraagd hun open brieven en eisenbundels bij wijze van steunbetuiging te ondertekenen. Ik stel ook met plezier vast dat verschillende debatten worden geconnecteerd. Black Lives Matter begon lokaal maar werd in een mum van tijd een globale beweging die de brug slaat tussen racisme en kolonialisme. Dat is cruciaal, je kunt niet over kolonisatie spreken zonder het over racisme te hebben. Zelfs koning Flip linkte in zijn spijtbrief dekolonisatie aan Black Lives Matter. Dat is een paradigmashift hoor, na decennia van stilzwijgen vanuit het koningshuis.

Sommigen vinden dat koning Filip niet ver genoeg ging. Spijt betuigen is nog geen excuses aanbieden, klinkt het.

Blommaert: Ken je de uitdrukking? “Het is niet omdat je niet alles hebt gedaan, dat je niks hebt gedaan”. Koning Filip is bijzonder ver gegaan. Excuses zullen deel gaan uitmaken van de normale betrekkingen tussen voormalige koloniale mogendheden en hun oud-kolonies.. Mensen die vinden dat we nu wel genoeg over het verleden hebben gepraat, mogen hun borst natmaken: dit is maar een begin.

Wat is uw standpunt over koloniale standbeelden en monumenten?

Blommaert: Je moet ze niet weghalen, dat zou witwassing zijn. Gebruik ze als leeromgevingen. Stap bijvoorbeeld van het federaal parlement naar het koninklijk paleis van Brussel, door het Warandepark: een wandeling vol aanknopingspunten voor een prachtig gesprek over macht en democratische verbeelding. Om dat gesprek te voeren, heb je meer aan standbeelden van klootzakken zoals Leopold II en Godfried Van Bouillon dan van pakweg Toots Thielemans.

U volgt met enkele onderzoekers van de universiteit van Tilburg van nabij de socialistische Democrate Alexandria-Ocasio Cortez. Waarom?

Blommaert: De campagne van AOC, gemodelleerd overigens volgens de presidentscampagne van Bernie Sanders waaraan ze in 2016 meewerkte, stemt hoopvol. Terwijl Sanders toen de Democratische nominatie niet kon binnenhalen, slaagde zij er in 2018 wel in om een zetel te veroveren in het Huis van Afgevaardigden. Dat was compleet onverwacht, die zetel werd al 14 jaar bezet door haar partijgenoot Joseph Crowley. Na haar sensationele overwinning in de primaries versloeg ze ook nog eens haar Republikeinse opponent met 78 procent. De campagnes van Sanders en AOC stoelen op twee pijlers. Enerzijds het ouderwetse werk: van deur tot deur gaan en alle markten en schooldebatten afschuimen, anderzijds microtargeting op sociale media. Dat is electorale spitstechnologie: je kan voor weinig geld enorme hoeveelheden kiezers individueel bereiken. Wie daar ook goed in is, is The Lincoln Project.

Wat is dat?

Blommaert: Een van de gekste dingen die ik al heb gezien én de nachtmerrie van Trump. Het is een organisatie van zogenaamde Never Trumpers: conservatieven, zowel Republikeinen als ex-Republikeinen, die zich verzetten tegen Trump. Een van de aanvoerders is George T. Conway III, nota bene de man van Trumps voornaamste communicatieadviseur Kellyanne Conway. The Lincoln Project roept op om voor Democraat Joe Biden te stemmen en vraagt Republikeinen: distantieer u van die aap in het Witte Huis. Ze vrezen, terecht, dat Trump de partij zal meesleuren in zijn val. Dan bedoel ik niet alleen dat hij de verkiezingen wellicht verliest, maar ook dat de kans groot is dat hij in de cel eindigt, aangezien het Amerikaanse parket eindelijk zijn boekhouding zal kunnen inkijken.

Waarom denkt u dat Trump zal verliezen? Zijn ondergang is al vaak voorspeld.

Blommaert: Hij kampt met een aantal problemen die hij in 2016 niet had. Het format van die verkiezingen leek wel een kopie van zijn televisieshow The Apprentice: bullebak Trump tegen de rest. De ‘grootsheid’ van zijn campagne waren de Republikeinse primaries, waarin hij de ene vulgaire aanval na de andere afvuurde op andere kandidaten, van ‘Crazy’ Ted Cruz tot ‘Low Energy’ Jeb Bush. Vandaag werkt dat niet, hij zit niet in het offensief. Het enige wat hij nu kan, is angst zaaien.

Dat werkte prima voor Richard Nixon eind de jaren 1960. Waarom niet nu voor Trump?

Blommaert: Enter The Lincoln Project. Wanneer Trump de stoere uithangt, lanceren zij binnen het uur een tegenaanval. ‘Don, are you ready,’ tweeten ze en dan volgt een filmpje waarin ze uitleggen dat Amerika helemaal niet onder bedreiging ligt, maar dat Donald Trump gewoon in zijn broek schijt. Ze maken hem belachelijk en dat maakt hem razend. Begrijpelijk, want The Lincoln Project heeft impact. Formeel is het geen partij, maar toch kun je het zien als de emanatie van de echte Republikeinse Partij. Het illustreert dat de politiek van de grote massaorganisaties dood en begraven is. Partijen en vakbonden zullen blijven bestaan, maar ze domineren niet langer het publieke domein dat in duizenden fracties is uiteengevallen. De uitdaging vandaag is het bedenken van doordachte allianties. Dat had extreemrechts sneller door dan progressief links. Zo was de brexit-campagne een alliantie van verschillende bubbels. Extreemrechts weet dat de klassieke sociaaleconomische dialectica niet weg zijn, maar dat ze worden omgeven door allerlei andere krachtvelden zoals ras, sociale klasse en gender.

Extreemrechts, denk bij ons aan Schild & Vrienden, wint wel de meeste van de digitale veldslagen. Wat maakt u als progressief dan toch optimistisch?

Blommaert: Mijn optimisme is niets anders dan strijdvaardigheid. Aangezien de kaarten zo slecht liggen, kunnen wij ons niet veroorloven om niets te doen. En: het ís mogelijk om te winnen. Kijk naar AOC en The Lincoln Project, maar ook naar die K-popfans. (geamuseerd) Piepjonge liefhebbers van Korean pop, een mix van hiphop en pop, die Donald Trumps eerste verkiezingsrally in volle coronacrisis hebben verpest. K-popfans vormen geen activistische organisatie, maar ze kunnen zich wel als zodanig gedragen omdat enkelen snappen hoe algoritmes werken om vluchtige, maar slagkrachtige allianties te smeden. Al bij al was het poepsimpel: ze riepen via socialenetwerksite TikTok, razend populair onder tieners, op om massaal tickets te boeken voor Trumps rally en dan niet op te dagen. De machtigste man van de wereld stond in zijn hemd dankzij een paar tieners.

Hoe kijkt een socialistische sociolinguïst naar de nieuwe SP.A-voorzitter Connor Rousseau, fel gehypet onder meer vanwege zijn taalgebruik en looks?

Blommaert: Zonder veel belangstelling. Dat niveau van politiek interesseert me niet. In plaats van het over beleid te hebben, gaat het tegenwoordig over de vraag of Wouter Beke (CD&V) zich gekwetst voelt door de harde kritiek die hij heeft gekregen op zijn aanpak van de coronacrisis. (gedecideerd) Dat interesseert mij geen kloten. Als Annelies Beck heel dure zendtijd op de openbare omroep spendeert aan Bekes gevoelens, dan voel ik mij beledigd en geïnfantiliseerd. Vroeger was niet alles beter, toch heb ik heimwee naar de zondagnamiddagen waarop ministers anderhalf uur lang werden gegrild door drie lustig paffende journalisten, Guy Polspoel, Walter Zinzen en Kris Borms. Die politici zaten peentjes te zweten, maar ze werden tenminste niet constant onderbroken zoals later de vaste gewoonte werd op de openbare omroep. Daar heeft Siegfried Bracke nog voor gezorgd, hij heeft bij de VRT-nieuwsdienst de regel geïntroduceerd dat een praatgast nooit langer dan 32 seconden aan het woord mocht blijven. Later is die tijdspanne zelfs tot 16 seconden ingekort. Ik werd laatst gebeld door De Afspraak – nu ik ziek ben, word ik weer overal gevraagd. Ik zei dat ik wilde komen op één voorwaarde: word ik één keer onderbroken, dan geef ik een waarschuwing. Een tweede keer: ik neem mijn oortjes uit en verlaat de studio. (grijnst) Ik hoefde niet meer te gaan.

  • 1961, Dendermonde, groeit op in Brussel
  • Afrikanistiek aan de Universiteit Gent.
  • Doet onderzoek aan Universiteit Antwerpen en London Institute of Education.
  • Voorzitter vakgroep Afrikanistiek U Gent.
  • Legt zich toe op politieke antropologie en sociolinguistiek. Sinds 2010 verbonden aan Universiteit Tilburg waar hij het Babylon Centrum voor de Studie van Superdiversiteit opricht
  • Waslijst publicaties over o.a. superdiversiteit, nationalisme, populisme en politiek taalgebruik.
  • Bekroond met Arkprijs van het Vrije Woord 1993
  •  

Harry Tseng, ‘ambassadeur’ Taiwan: “We hebben in Hong Kong gezien wat one country, two systems betekent”

Knack Magazine, 8 januari 2020

Ambassadeur mag hij zich niet noemen, en volgens China bestaat zijn land niet echt. Toch staat de Taiwanese diplomaat Harry Tseng aan het hoofd van een 35-koppige vertegenwoordiging in Brussel. Een gesprek aan de vooravond van de Taiwanese presidentsverkiezingen in Taiwan waar de Chinese leider Xi Jingping zwaar gezichtsverlies riskeert.

Harry Ho-Jen Tseng is de facto ambassadeur van Taiwan. De kader achter hem zegt: “Nooit opgeven” (foto Franky Verdickt)

Harry Tseng heeft het kunstwerk in zijn kantoor met zorg uitgekozen. Nooit opgegeven, luidt de vertaling van de kalligrafie. Een wervend motto komt van pas, want als vertegenwoordiger van de Republiek China is het zeilen tegen de wind. Zomaar de nationale vlag uithangen, zoals de Zweedse buren en collega’s aan de Meeûssquare doen? Geen denken aan, net zomin als het voeren van de titel die zijn Zweedse ambtsgenoot als vanzelfsprekend hanteert. Tseng is nochtans posthoofd van een 35-koppige delegatie die Taiwan bij België, Luxemburg en de EU vertegenwoordigt. Toch mag hij zich geen ambassadeur noemen, dat kan alleen in landen die Taiwan erkennen en er volwaardige diplomatieke betrekkingen mee onderhouden. Zoals de republiek Palau, waar de in Amerika opgeleide carrièrediplomaat Tseng van het ambassadeurschap mocht proeven. Het archipelstaatje met 20.000 inwoners in Micronesië is een van de 15 landen die weerstaat aan de druk van Peking om alle formele banden met Taipei te verbreken en de communistische Volksrepubliek als enige soevereine vertegenwoordiger van de Chinese natie te erkennen. Voorlopig althans, want het diplomatieke netwerk van Taiwan ontrafelt snel. Nadat in 2018 El Salvador, Burkina Faso en de Dominicaanse Republiek van kamp verwisselden, verloor Taipei in september ook de Solomon Eilanden en Kiribati. Op Paraguay, Honduras, Nicaragua en Haïti na zijn de overblijvende bondgenoten kleine en arme landen in de Stille Zuidzee en Afrika, met het onooglijke maar diplomatiek zwaarwegende Vaticaanstad als buitenbeentje. 

De timing van het dubbele verlies in september kon niet delicater, in volle aanloop naar de presidentsverkiezingen van 11 januari die helemaal in het teken staan van de relaties met Peking. Uittredend president Tsai Ing-wen van de Democratische Volkspartij (DPP) neemt het op tegen Han Kuo-yu van de Kwomintang (KMT), de partij die Taiwan de voorbije decennia haast onafgebroken bestuurde. Helder is de keuze wel. Terwijl de KMT aanstuurt op betere relaties met Peking, doet Tsai Ing-wen er alles aan om het voormalige Formosa als een onafhankelijke staat te profileren. Tot grote woede van de Chinese leider Xi Jingping die Taiwan als een opstandige provincie beschouwt. Net zoals al zijn voorgangers overigens, alleen is de terugkeer van Taiwan voor Xi een persoonlijk prestigeproject geworden.

Tsai Ing-wen heeft in de peilingen een straatlengte voorsprong. Is de race gereden?

Harry Tseng: Ik waag me niet aan voorspellingen, maar de peilingen zeggen veel over de impact van China op de campagne. Bij de lokale verkiezingen van november 2018 heeft de president met haar partij een verpletterende nederlaag geleden. Niemand gaf toen nog een euro voor haar herverkiezing. Maar kijk: vanaf eind maart begon haar populariteit weer te stijgen. Maart 2019, dat is niet toevallig het moment waarop in Hong Kong de burgerprotesten zijn begonnen. Het repressieve optreden van China tegen het geweldloze burgerprotest, heeft in Taiwan een diepe indruk gemaakt. Vergeet niet dat Xi Jingping een Taiwanese variant van “one country, two systems” propageert als het model voor Taiwan na de hereniging. We hebben het voorbije jaar in Hong Kong gezien wat dat betekent.

Waarom speelt dat wantrouwen in de kaart van DPP-president Tsai Ing-wen?

Tseng. Als diplomaat hoor ik boven alle partijtegenstellingen te staan, maar ik kan de realtieit niet loochenen. China doet er alles aan om KMT-kandidaat Han Kuo-yu aan een verkiezingsoverwinning te helpen. Peking probeert natuurlijk al lang de publieke opinie warm te maken voor hun “one country, two systems”-oplossing. Tijdens deze verkiezingscampagne hebben ze hun inspanningen verdubbeld, op verschillende manieren. Een groot deel van de mainstream media is schaamteloos partijdig. Kranten, tijdschriften, talk shows, er werd constant gehamerd op de rampzalige gevolgen van het anti-China beleid van de president. Het zal niet verbazen dat het om mediaconcerns gaat die in handen zijn van tycoons met immense belangen in de Volksrepubliek. Uiteraard worden ook de sociale media bespeeld. China zet daarvoor content farms in, echte fabrieken waar honderden medewerkers constant in de weer zijn met het verspreiden van fake news. Tussen haakjes, we incasseren iedere maand zo’n 13 miljoen cyberaanvallen vanuit China. Gelukkig raken die zelden door onze firewalls, onze cyber security staat op niveau.

China bespeelt dus de publieke opinie, de achilleshiel van de vertegenwoordigende democratie. Met succes? 

Tseng: Integendeel, de bemoeienissen zijn zo flagrant, dat ze zich als een boomerang tegen de KMT keren. Na het verlies van de Solomon-eilanden en Kirabiti werd de regering door de oppositie en de pro-China-pers onder vuur genomen. De president, zo luidde het, was aardig op weg om Taiwan met haar anti-China-beleid compleet te isoleren. Precies de stemmingmakerij die China beoogde, de timing van de dubbele diplomatieke breuk was dan ook geen toeval. Toch had die breuk een averrechts effect, in de peilingen bleef de populariteit van de president alleen maar stijgen. Kras, zeker als je weet hoe diep de angst leeft om onze laatste diplomatieke bondgenoten te verliezen. Blijkbaar zijn de Taiwanezen lucide genoeg om de Chinese strategie te doorzien. Bij een peiling in november heeft 89 procent het “one country, two systems”-principe verworpen.    

U stelt het vooral alsof China de switch door de Solomon Eilanden en Kiribati als het ware just-in-time heeft besteld. Hoe dan wel?

Tseng: Dergelijke landen zijn erg gevoelig voor de druk van een politieke en economische gigant die met investeringen en cadeaus zwaait. Hoe kleiner een democratie, hoe gemakkelijker het is om verkiezingsuitslagen te beïnvloeden. Maar er was meer aan de hand. Het Australische nieuwsmagazine 60 Minutes heeft onthuld hoe de beslissing van de Solomon Eilanden letterlijk werd afgekocht. Parlementsleden kregen tot een miljoen dollar aangeboden om voor de switch te stemmen. China speelt het spel zowel hard als subtiel. De vorige president, KMT-politicus Ma Ying-jeo, stelde goede relaties met Peking centraal. Belangrijk om weten: in tegenstelling tot de DPP aanvaardt de KMT het One China principe, al geeft de partij er een heel andere invulling aan dan Peking. Niettemin: tijdens de acht jaar onder president Ma hebben Taiwan en China liefst 21 akkoorden gesloten, over materies variërend van investeringen, culturele en academische samenwerking tot zelfs soevereiniteitsgevoelige onderwerpen zoals het gemeenschappelijk bestrijden van criminaliteit. Taiwan zette bovendien de deuren open voor Chinese investeringen, terwijl China zich aan een stilzwijgende afspraak hield om ons geen diplomatieke bondgenoten af te pakken.

Klinkt als een pragmatische houding waar beide kampen beter van worden..

Tseng: Dat zou je inderdaad denken. Economisch klopte het, maar toch werd Ma’s beleid na zijn tweede ambtstermijn door de kiezer zwaar afgestraft. De Taiwanezen pikten het niet langer dat hun onafhankelijkheid te grabbel werd gegooid in in ruil voor stabiliteit en goede relaties met China. Trouwens, China is als partner niet te vertrouwen. Zelfs tijdens het moratorium begonnen ze intense relaties aan te knopen met onze laatste diplomatieke partners. De schaar lag als het ware klaar om de banden door te knippen. Na het aantreden van DPP-president Ing-wen in 2016 hebben we dan ook de ene na de andere bondgenoot verloren. De voorbije 4 jaar werd ook niet één samenwerkingsakkoord meer gesloten.

Bestaat de kans dat Taiwan ooit helemaal zonder diplomatieke bondgenoten valt?

Tseng: Dat is waar China op aanstuurt. Waarom, kan men zich afvragen. Het doen overlopen van onze laatste bondgenoot zal Taiwan niet dichter bij China brengen, letterlijk noch figuurlijk. Integendeel, hoe meer ze ons isoleren, hoe luider de roep om onafhankelijkheid.

Een tweede ambtstermijn voor Tsai Ing-wen zou voor China zwaar gezichtsverlies betekenen. Precies een jaar geleden sprak president Xi zijn opgemerkte Boodschap aan de Taiwanese Landgenoten uit. In die tienjaarlijkse speech verwees hij niet minder dan 46 keer naar de terugkeer van Taiwan en noemde hij het Taiwanese onafhankelijkheidsstreven rampzalig. Kan het tot een militaire escalatie komen als Xi zijn droom niet via electorale engineering kan realiseren?

Tseng: Taiwan is Hong Kong niet, we zijn geen stadsstaat in de schaduw van China, zonder middelen om onszelf te verdedigen. Natuurlijk zijn we niet opgewassen tegen een supermacht als China, maar de prijs voor een invasie zou erg hoog zijn. Ik verklap geen militair geheim als ik zeg dat we een sterke luchtmacht hebben en dat onze marine beschikt over snelle patrouilleboten met raketten waarvan het bereik tot diep in China strekt. Een aanval op Taiwan zou verwoestende gevolgen hebben voor Shanghai en andere megasteden op de Oostkust. China wil Taiwan heel graag terug, maar nog belangrijker voor China is dat het zich als grootmacht op dezelfde hoogte kan heisen als de Verenigde Staten. Dat kan alleen als de economie blijft groeien, en daarvoor is regionale stabiliteit noodzakelijk. Die ambitie wil China niet hypothekeren door een oorlog om Taiwan. In Peking heerst nu al grote zenuwachtigheid over de economische groei die onder de prognoses blijft.

Het Taiwanese zelfvertrouwen steunt op het 70 jaar oude bondgenootschap met Washington. Zonder formele diplomatieke erkenning houden de Verenigde Staten een zeer omvangrijke vertegenwoordiging in uw land op de been. Wat meer is: de VS levert potent wapentuig zoals F’16-V’s en hypermoderne fregatten. Maar hoe solide is die band met een Amerikaanse president die bewezen heeft dat hij bondgenoten uitverkoopt als dat in zijn America first-politiek past?

Tseng: Ik zie geen redenen om aan ons bondgenootschap te twijfelen. Onder president Trump hebben we al vijf grote wapendeals kunnen sluiten. Over zijn stijl valt te discussiëren, maar hij is consequent in zijn kritische houding tegenover China. Zo heeft hij in november de Hong Kong Human Rights and Democracy Act ondertekend, tot grote woede van Peking. Het klopt dat de Verenigde Staten onze enige partner is die zich militair heeft geëngageerd. Het kader daarvoor werd vastgelegd in de Taiwan Relations Act in 1979, goedgekeurd door Jimmy Carter en nadien herbevestigd door al zijn opvolgers. Maar dat betekent niet dat we op Amerika rekenen om ons te beschermen. Geen enkele Amerikaanse president is bereid om bij een conflict met China troepen naar de Straat van Taiwan te sturen, daarvoor liggen bodybags in de publieke opinie veel te gevoelig. We weten wel waarom we zoveel in defensie investeren. Als het er op aan komt, staan we er alleen voor.

De handelsoorlog tussen China en Amerika heeft er vorig jaar stevig ingehakt, ondanks het deelakkoord dat beide landen eind vorig jaar hebben gesloten. Deelt Taiwan in de klappen?

Tseng: Eerder integendeel. Door de sombere exportvooruitzichten in China is 22 miljard dollar aan investeringen naar Taiwan teruggevloeid. Ook het Amerikaanse exportverbod voor gevoelige technologie had interessante neveneffecten. Geviseerde afnemers zoals Huawei en ZTE moesten op zoek naar alternatieve leveranciers voor componenten zoals geavanceerde halfgeleiders. Die hebben ze in Taiwan gevonden, we staan erg sterk in die markt.

Hoe lastig is het om ambassadeur te zijn zonder dat u zich ambassadeur mag noemen?

Tseng: De situatie van een Taiwanees diplomaat is uniek, maar met de nodige creativiteit kunnen we ons werk doen. Het Taiwanese buitenlands beleid steunt op drie peilers. Diplomatieke erkenning en deelname aan internationale organisaties worden steeds moeilijker door de Chinese druk. We mogen zelfs niet meer als waarnemer deelnemen aan de jaarlijkse bijeenkomst van de WHA, het voornaamste beslissingsorgaan van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Intriest als je bedenkt welke rol ons land kan spelen in het bestrijden van besmettelijke virussen zoals HIV of vogelgriep. Maar er is een derde peiler die stevig overeind staat: het aanknopen van substantiële relaties met democratische rechtstaten die een flexibele invulling geven aan het One China-beginsel. Ook zonder diplomatieke erkenning kun je handel drijven, academische kennis uitwisselen en culturele banden smeden. De export naar de Europese Unie is de voorbije jaren fors gegroeid tot 53 miljard dollar per jaar. Daar zit nog rek op want dat bedrag vertegenwoordigt slechts 9 procent van onze wereldexport. Anderzijds is de Europese Unie de grootste investeerder in Taiwan, groter zelfs dan de Verenigde Staten. Ook België heeft meer 500 expats in Taiwan, vooral DEME en Jan Denul zijn klinkende namen.

Intussen blijft de situatie in Hong Kong gespannen. Al meer dan 500 studenten zijn naar Taiwan gevlucht. Zet dat geen extra druk op de reeds gespannen relaties met Peking?

Tseng: We willen ons niet moeien met de situatie in Hong Kong, maar we verwelkomen die studenten. China zal ons dat niet kwalijk nemen, ze bestempelen die studenten als relschoppers die ze liever kwijt dan rijk zijn. Ik ben niet optimistisch over Hong Kong. In het Chinese discours worden de betogers steevast gecriminaliseerd. Dat zou wel eens een stap kunnen zijn naar effectieve vervolging.

Harry Ho-Jen Tseng is de facto ambassadeur van Taiwan. (foto Franky Verdickt)

Iain Overton schrijft de geschiedenis van het zelfmoordterrorisme

“Er moet een VN-verbod op zelfmoordbommen komen”

Knack, 12 juni 2019

Het begon met een aanslag op de Russische tsaar in 1881, intussen staat de teller op 71.000 slachtoffers, and counting. Zelfmoordterreur is een gesel van de moderne tijd. Onderzoeksjournalist en oorlogsreporter Iain Overton schreef er een standaardwerk over. “Zelfmoordterreur is inherent aan asymmetrische oorlogsvoering”.

Iain Overton deinst niet terug voor een forse claim. How the Suicide Bomber shaped the Modern Age, luidt de ondertitel van zijn nieuwste boek. De Britse onderzoeksjournalist en mensenrechtenactivist maakt die stelling hard in een turf van 600 pagina’s, in vertaling verschenen als De Prijs van het Paradijs. Van gerichte aanslagen door 19de-eeuwse Russische revolutionairen tot blinde jihadterreur in Irak of Afghanistan, zelfmoordterrorisme heeft zich in de loop van de moderne geschiedenis ontpopt tot een oorlogswapen dat een zware tol eist. Vorig jaar vielen 7.000 doden en gewonden door zelfmoordaanslagen, in 2017 meer dan 11.000.

Overton neemt ons mee naar de plaatsen en gebeurtenissen die deze escalatie mogelijk maakten. Hij meet de schade op in landen zoals Libanon, Sri Lanka, Afghanistan en Irak, praat met slachtoffers, nabestaanden, mislukte zelfmoordterroristen en veiligheidsdiensten. Geen detail ziet hij over het hoofd, experts mogen uitleggen hoe de detonatie van een bompakket in een metrostel zelfs botfragmenten van de dader in moordende projectielen verandert. Ook Madrid, Londen, Parijs en Brussel komen aan bod, al zinken de aanslagen in Europese steden in het niets naast de plaag die het Midden Oosten en delen van Azië en Afrika teistert. De impact is er niet minder om. Overton ontmaskert de zelfmoordterrorist als aanjager van populisme en vrijheidsbeperkende wetgeving in het Westen. 

U heeft zich jarenlang verdiept in een buitengewoon teneerdrukkend onderwerp. Was het moeilijk om geen depressie over te houden aan zoveel leed, wanhoop en bloedvergieten?

Iain Overton: Zelfmoordterrorisme is inderdaad een deprimerend onderwerp, maar wie ben ik om te klagen? Een Britse journalist die altijd naar zijn veilige land terug kan als het hem teveel of te gevaarlijk wordt? Die luxe hebben de inwoners van Badgad, Mosul, Kaboel of Waziristan niet. De echte slachtoffers wonen in plaatsen waar de dreiging van zelfmoordterrorisme permanent in de lucht hangt.

Salafistische jihadi’s hebben sinds 9/11 een quasi monopolie op zelfmoordterreur, maar het fenomeen is veel ouder. Waarom laat u de chronologie beginnen bij de aanslag die Russische revolutionairen in 1881 op tsaar Alexander II pleegden? 

Overton: Die aanslag werd beraamd door Naradojna Volja, (Wil van het Volk), een van de vele revolutionaire groupuscules in het Rusland van die tijd. De samenzweerders zagen een zelfmoordaanslag als een efficiënte manier om hun utopisch ideaal, een samenleving gestoeld op democratische en communistische principes, te verwezenlijken. Het vermoorden van de tsaar was in hun ogen een humanere methode dan de massale, bloederige volksopstand die de Franse revolutie had gekenmerkt. Dat utopische denken zie je later bij andere zelfmoordterroristen terugkeren. De timing spoort bovendien met twee belangrijke innovaties, de uitvinding van dynamiet en de opkomst van kranten als massamedium. Explosieven en propaganda zijn nog altijd kerningrediënten van zelfmoordterreur.

Kamikaze tijdens WOII

Kamikaze behoren tot het collectieve geheugen van de 20ste eeuw, maar u slaagt erin fascinerende details op te rakelen. Zo lieten Japanse zelfmoordpiloten bij het opstijgen hun landingsgestel op de startbaan achter voor hergebruik. Niet meer nodig, het was immers geen retourvlucht. Belangrijker echter is de rol van katalysator die kamikaze speelden. Omdat zelfmoordterreur als oorlogswapen werd ingezet?   

Overton: Ja, het werd een onderdeel van een militaire strategie. Strikt genomen waren de Japanse generaals geen pioniers, er was een precedent dat ze maar al te goed kenden. Bij de Japanse invasie in China in 1937 wierpen Chinese soldaten zich als menselijke bommen op vijandelijke tanks en troepen. De Chinezen hebben toen zelfs met bomvesten geëxperimenteerd, een fenomeen dat intussen gemeengoed is geworden. Het waren echter de Japanners die zelfmoordterreur hebben getransformeerd. Het was niet langer een wapen in handen van geïsoleerde revolutionairen, maar een instituut. De hersenspoeling van kandidaat-aanslagplegers, de personencultus rond de goddelijke keizer voor wie men zijn leven moest opofferen, dat hebben zij op punt gesteld.

De Japanse zelfmoordterreur kwam niet alleen uit de lucht vallen, het wapen werd ook onder water ingezet. Waarom zijn de fukuryu in tegenstelling tot de kamikaze tussen de plooien van de geschiedenis gevallen?

Overton: Omdat ze geen rol van betekenis hebben gespeeld. Fukuryu staat voor  zelfmoordduikers. Verzwaard met lood en extra zuurstofflessen konden ze tot zes uur op de zeebodem blijven, in een hinderlaag of lopend naar een vijandelijk schip. Ze hadden een lange bamboestok met daarop een zeemijn. Als die ontplofte zonk niet alleen het schip maar waren ze zelf op slag dood. Bedoeling was de fukuryu in te zetten tegen de Amerikaanse invasie in Japan. Vrijwilligers werden klaargestoomd in geheime opleidingskampen, maar het is niet zeker of ze ooit echt in actie zijn gekomen. De Japanse marine had overigens ook zelfmoordduikboten, in feite menselijke torpedo’s. Daarvan staat vast dat ze meermaals werden ingezet.

De 13-jarige Iraniër Mohammad Hossein Fahmideh dook op 30 oktober 1980 met een ontgrendelde granaat tussen de rupsbanden van een Iraakse tank. U noemt deze daad een kantelmoment in de moderne geschiedenis. Hoezo?

Overton:  Zijn dood heeft een enorme impact gehad in het hele Midden-Oosten. Natuurlijk had het uitschakelen van die ene tank weinig invloed op het verloop van de Iraaks-Iraanse oorlog. De betekenis schuilt in de manier waarop de Iraanse leider Khomeini zijn dood heeft gerecupereerd. Fahmideh werd als martelaar hoog op een voetstuk geplaatst. Ziekenhuizen en scholen werden naar hem vernoemd, zijn beeltenis sierde een bankbiljet. Die martelarencultus schiep een geweldig precedent dat in de hele regio navolging kreeg. Vanuit Iran is de modus operandi overgewaaid naar Libanon, waar Hezbollah een tweede mijlpaal heeft geslagen. Door enkele zelfmoordaanslagen, onder meer met vrachtwagens, hebben ze Amerika en Frankrijk gedwongen hun troepen terug te trekken. Daarmee is een nieuw tijdperk aangebroken, ineens werd duidelijk dat zelfmoordterreur een probaat middel was om machtige regeringslegers op de knieën te krijgen. Dat besef heeft zich als een virus verspreid. Het duurde daarna niet lang of het wapen werd op twee nieuwe fronten ingezet, in Palestina en Sri Lanka.

Iraanse volksheld-martelaar Mohammad Hossein Fahmideh. Voor eeuwig 13 jaar.

U ging op onderzoek in Sri Lanka waar het een makkie bleek om ooggetuigen en slachtoffers te vinden. Tijdens de 25 jaar durende burgeroorlog waren zelfmoordaanslagen door Tamil Tijgers (LTTE) zoniet dagelijkse dan wel wekelijkse kost. Mogen we hen de ongekroonde kampioenen in deze discipline noemen?

Overton: Tot 9/11 was de LTTE alleszins de groep met het grootste aantal aanslagen en slachtoffers op haar palmares. De Tamil Tijgers waren geen vernieuwers, maar ze hebben de modus operandi verfijnd en de slagkracht van het terreurwapen vergroot. Er waren speciale eenheden voor zelfmoordmissies, de Zwarte Tijgers. Kandidaten stonden in de rij, het voluntarisme om te sterven voor een onafhankelijke Tamilstaat was groot. Onder Zwarte Tijgers werd zelfs geloot om als eerste op missie te mogen vertrekken. Dat is vooral de verdienste van de stichter Prabhakaran, een erg charismatische leider die net zoals de Japanse keizer het voorwerp was van een doorgedreven personencultus. Anders echter dan Hirohito onderhield hij met zijn kandidaat-martelaren een persoonlijke relatie. Zo mochten ze aan de vooravond van hun missie bij de grote leider aanschuiven voor een afscheidsdiner.  Prabhakaran zorgde voor hun nagedachtenis, er waren ereperken en monumenten voor gesneuvelde Zwarte Tijgers, de propaganda roemde hun heldendaden. Om dat fenomeen te snappen moet je de context kennen. Het zelfmoordterrorisme van de Tamil Tijgers hield gelijke tred met de repressie door het regeringsleger.

De burgeroorlog eindigde in 2009 met de totale nederlaag van de Tamil Tijgers. Toch werd Sri Lanka recent opnieuw door een reeks zware zelfmoordaanslagen opgeschrikt. De rolbezetting was verschillend, het waren jihadstrijders die de christelijke minderheid viseerden. Ziet u desalniettemin een verband met de bloedige erfenis van de Tamil Tijgers?

Overton: Vooral de verschillen springen in het oog. De aanslagen op Paaszondag waren religieus geïnspireerd en gericht tegen burgers. De Tamil Tijgers daarentegen voerden een nationalistische strijd met aanslagen op politici, militairen en veiligheidsdiensten, al zijn er ook burgerslachtoffers gevallen. Maar ik zie wel een verband. Zodra zelfmoordterreur in een samenleving als een valabele optie wordt gezien om een politiek doel te bereiken, krijg je het niet meer weg. De geest is uit de fles, daar hebben de Tamil Tijgers wel voor gezorgd.

De recente aanslagen in Sri Lanka werden door Islamitische Staat opgeëist. Door extremistische soennieten dus, zoals meer dan 90 procent van alle zelfmoordaanslagen die sinds 9/11 werden gepleegd. Hoe zijn we op dat punt beland?

Overton: Daarvoor moeten we terugkeren in de tijd, naar een afgelegen plek in Zuid-Libanon met de lieflijke naam Bloemenweide. Tijdens de eerste intifada in 1987 heeft de Isräelische premier Yitzhak Rabin meer dan 400 Palestijnse activisten naar die plaats gedeporteerd. Een dure vergissing, want er zaten aanhangers van Hamas en Islamitische Jihad tussen die binnen kortste keren contact zochten met Hezbollah-strijders. Daar heeft zich de transfer voltrokken: soennitische extremisten leerden niet alleen de technieken van het zelfmoordterrorisme, ze namen in een moeite het sjiïtische concept van martelaarschap over. De gevolgen bleven niet uit: sinds 1994 werden in Israël liefst 114 zelfmoordaanslagen gepleegd, de helft door Hamas, de andere helft evenredig verdeeld over Islamitische Jihad en de Al Aqsa Brigade. De aanslagen waren tegen burgers gericht, alweer een grens verlegd. Achteraf bekeken is die transfer erg ironisch. Sjiieten zijn gaandeweg het voornaamste slachtoffer geworden van zelfmoordaanslagen door soennitische extremisten.

Hoe vallen zelfmoordaanslagen te rijmen met het taboe op suicide in de moslimwereld?

Overton: Door het niet als zelfmoord maar als martelaarschap te verpakken. Istishad, het concept dat moslims toelaat om hun leven op te offeren in de strijd, bestaat zowel in het sjiisme als in het soennisme. Toch is er een belangrijk verschil. In het sjiisme kijken ayatollahs streng toe op de interpretatie en toepassing van religieuze principes. Dat gezag bestaat niet in het soennisme waar duizenden imams hun eigen interpretatie van de basisregels volgen. Daarmee staat de doos van Pandora open: een kleine minderheid van soennitische geestelijken propageert een extremistische lezing waarvoor ze inspiratie zoeken bij middeleeuwse theologen. Zoals Ibn Tamiyah, een van de huisfilosofen van zowel IS als van de in 2006 gesneuvelde Al Qaida-leider Al Zarqawi. Ibn Tamiyah wordt door soenni-extremisten vaak geciteerd om de jihad tegen afvallige burgers zoals sjiieten te vergoelijken.

Al Qaida, Al-Shabaab, Al-Nusra, Taliban, Boko Haram, de grootleveranciers van zelfmoordterreur zijn merken met wereldfaam geworden. Een groep springt eruit: Islamitische Staat. Wat maakt die beweging zo bijzonder?

Overton: De apocalyptische wereldvisie. Sterven in de strijd is voor IS-aanhangers slechts een voorafname op het einde van de wereld. Ze maken zich daar een romantische voorstelling van. Op het donkerste uur, wanneer de nederlaag op het slagveld onafwendbaar lijkt, zal de profeet Jezus op de minaretten van Jeruzalem verschijnen om het einde der tijden af te kondigen. Paradoxaal genoeg spoorde dat vooruitzicht met de aantrekkingskracht die het wereldse kalifaat uitoefende, ook op geradicaliseerde moslims uit Europa. In afwachting van de apocalyps bood het rijk van Al Bagdadi hen de kans om ondermaans een waardig leven als vrome moslim te leiden.

IS hecht meer dan andere terreurbewegingen belang aan communicatie en propaganda. De video is even belangrijk als de aanslag. Waarom zet IS zijn gruweldaden zoals het levend verbranden van een Jordaanse piloot dik in de verf?

Overton: Islamitische Staat is samen met de sociale media groot geworden. Logisch dat ze dat kanaal voluit bespelen. Waarom liggen in Londen of Brussel jonge moslims wakker van geallieerde bombardementen in verafgelegen landen zoals Irak of Afghanistan? Omdat IS de beelden van de verhakkelde slachtoffers in hun gezicht duwt. Het verspreiden van gruwelvideo’s is geen IS-monopolie, Mexicaanse drugkartels gaan zo mogelijk nog verder. Intimidatie om hun territorium af te bakenen, maar bij IS speelt nog een motief. Ook Europa heeft een verleden van gruwelijke rechtspleging, met foltering en openbare executies. Vanaf de 18de eeuw is dat stilaan geëvolueerd. Executies werden minder wreed, verdwenen uit de openbaarheid, tot in de 20ste eeuw de doodstraf helemaal werd afgeschaft. Welnu, IS verwerpt dat Westerse concept van rechtsbedeling. Dat is de boodschap achter al die onthoofdingsvideo’s: wij staan voor een islamitische visie op schuld en boete.

Mohamed Atta. Gedreven door een apocalyptisch wereldbeeld

Bestaat er zoiets als een prototype van de zelfmoordterrorist?

Overton: Nee, maar ik doe wel enkele vaststellingen. Op een handvol uitzonderingen na gaat het om mannen, veelal twintigers. Europese zelfmoordterroristen zijn gemiddeld genomen hoog opgeleid, wat niet belet dat ze vaak met werkloosheid kampen. Dat is niet per se het gevolg van discriminatie. Regulier werk valt moeilijk te combineren met een consequent leven als salafistische moslim. Het belang van persoonlijkheidsfactoren valt moeilijk in te schatten. Door het taboe op suicide kan istishad voor depressieve moslims het pad naar zelfmoordterrorisme effenen. Toch zal de overgrote meerderheid van depressieve moslims zo’n stap nooit overwegen. Palestijnen en Tibetanen zitten min of meer in dezelfde, uitzichtloze situatie. Palestijnen plegen zelfmoordaanslagen, Tibetanen steken zichzelf in brand. Ik wil maar zeggen, groepsdynamieken zijn veel relevanter dan individuele kenmerken.

Wat is er aan van het cliché van de 72 maagden? Werkt dat echt als lokaas voor kandidaat-zelfmoordterroristen?

Overton: Het is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Als je in het Midden-Oosten langer dan tien minuten met mannen praat, stel je vast dat ze een pornografische fixatie hebben. Hun beeld op vrouwen en seks komt recht uit de XX-studio’s van Californië. Natuurlijk zijn er daders die van die 72 maagden geen snars geloven en zich toch opblazen. Maar voor laagopgeleide jongeren die verbitterd zijn over onrecht, kan het een aantrekkelijk idee zijn dat hen over de streep trekt. Het perspectief krijgt extra kleur door de mythes die erover rondgaan. Op het moment dat de bomvest ontploft, schieten de maagden in actie om het uiteengereten lichaam van de martelaar weer samen te stellen. Die maagden zijn bloedmooi, menstrueren nooit en staan altijd klaar om hun martelaar te bedienen.

Komt de wereld ooit nog af van deze gesel?

Overton: Ik vrees van niet. Alleen al vorige week (eind mei, nvdr) waren er zelfmoordaanslagen in Bagdad, Afghanistan en Indonesië. Vele aanslagen blijven onder de radar, ze spelen zich af in landen waar nauwelijks nog media opereren. Het succes van zelfmoordterreur hoort bij de  asymmetrische oorlogsvoering die ons tijdperk kenmerkt.

Wat bedoelt u?

Overton: De geallieerden vechten in Irak en Afghanistan met vliegtuigen en drones. Wat kunnen hun vijanden tegen die hightech inbrengen? Improvised Explosive Devices, een wapen waarvan de menselijke variant met de bomvest veruit de dodelijkste variant is. Het is een dialectisch proces. Het succes van bermbommen en zelfmoordaanslagen verklaart waarom Amerikanen en Britten in Irak en Afghanistan zo weinig mogelijk patrouilles uitsturen. Ze verschansen zich in zwaar beveiligde kampen en sturen drones uit voor precisiebombardementen en gerichte executies. Dat willen ze ons doen geloven, maar als onderzoeksjournalist ken ik een andere realiteit. Het zijn in grote meerderheid burgers die omkomen bij die zogenaamd chirurgische aanvallen. Dat is dan weer koren op de propagandamolen van IS en consorten die het contrast gretig benadrukken. De operator die vanuit zijn bunker in Nevada onschuldige burgers vermoordt, tegenover de man met de bomvest die zijn leven geeft voor de oemma. Wie is de held en wie de lafaard? Ik heb samen met onderzoekers van de Royal Holloway University een statistische analyse gemaakt van drone-aanvallen en zelfmoordaanslagen in Pakistan. De correlatie is duidelijk. In de maand na een drone strike ging het aantal zelfmoordaanslagen steil omhoog.

U pleit voor een VN-ban op zelfmoordbommen. Waarom is dat minder naïef dan het klinkt?

Overton: Het wordt hoog tijd dat de VN de ernst van dit probleem erkent. Er is heel veel aandacht voor antipersoonsmijnen. Terecht, maar die wapens claimen slechts 2 procent van de slachtoffers in conflictgebieden, terwijl dat bij zelfmoordterreur rond de 30 procent schommelt. Ik geloof in de stigmatiserende werking van zo’n wereldwijd verbod. Gas was in de Eerste Wereldoorlog een efficiënt wapen, en toch is het door ethische overwegingen in onbruik geraakt.

Iain Overton

Groot-Brittanië, 46 jaar

studeert internationale politiek in Cambridge

maakt als onderzoeksjournalist televisiedocumentaires voor BBC en Channel 4

wordt in 2010 de eerste directeur van Bureau of Investigative Journalism, een non-profit nieuwsagentschap dat onder meer de Wikileaks-logs over de Irak-oorlog onderzocht

publiceert in 2015 “Gun Baby Gun”  over de geschiedenis van vuurwapens

oprichter en leider van Action on Armed Violence, een NGO die de wapenindustrie monitort

De prijs van het Paradijs, 2019, Uitgeverij Volt, 600 pagina’s, 24,50 euro

Punch-baas Guido Dumarey: “We moeten meer op diesel inzetten”

Knack, 19 maart 2019

In Frankrijk noemen ze hem de Belgische Bernard Tapie. Vergezocht, al heeft Guido Dumarey net zoals Tapie een rechtstreekse lijn met het Elysée in Parijs. Gesprek met een serieel ondernemer in de autoindustrie. “Elektrisch rijden zal niet van de grond komen”.

foto: Hatim Kaghat

We hebben hem naar Train World in het station van Schaarbeek gelokt, een universum vol spoorwegaffiches en miniatuurtreinen. Guido Dumarey (59) kan de ironie wel smaken. Als iemand weinig op heeft met de ijzeren weg of andere vormen van openbaar vervoer, dan zal hij het wel zijn. Dumarey is een autofreak pur sang die in het weekend graag over racecircuits mag razen om de stress van een hectische werkweek achter zich te laten. Een serieel ondernemer wordt hij genoemd, specialist in het opkopen en herstructureren van techbedrijven. Met familieholding Punch International was hij onder meer actief in digital printing en telematica. Het zwaartepunt van de industriële activiteiten lag evenwel altijd bij de auto-industrie.

Punch is een verhaal van acquisities, fusies en naamsveranderingen die gelijke tred hielden met constant wijzigende aandeelhoudersstructuren. Nog altijd wordt hij geassocieerd met Punch Powertrain in Sint-Truiden, de producent van automatische aandrijfsystemen waarover hij door de financiële crisis van 2009 de controle verloor. Dumarey, een kat met negen levens, knokte zich terug in de lucratieve en snel groeiende markt van automaten. Zijn voornaamste bedrijf heet intussen Punch Powerglide, het verhikel waarmee hij in 2013 in het Franse Straatsburg een GM-fabriek van automatische versnellingsbakken overnam.

De laatste maanden is zijn naam niet uit de Franse media te branden. Dumarey is verwikkeld in een complex overnamedossier rond alweer een versnellingsbakkenfabriek, Ford Aquitaine Industries (FAI) in Blanquefort-Bordeaux. Eigenaar Ford Europe wil de vestiging met 850 werknemers sluiten, ondanks het door de vakbonden gesteunde overnamebod van Dumarey dat het behoud van 350 à 400 banen waarborgt. De zaak staat hoog op de politieke agenda, zowel bij de regionale overheden als in Parijs. De Franse minister van economie Bruno Le Maire ontpopte zich tot een hevig pleitbezorger voor het Belgische reddingsplan. Dumarey beschikt al langer over uitstekende entrees in Parijs. De Franse president himself zit in zijn netwerk, een connectie die ontstond toen Emmanuel Macron als minister van economie onder PS-president Hollande zijn fabriek in Straatsbrug bezocht.

Is de overname ondanks de politieke en syndicale steun definitief van de baan?

Guido Dumarey: Het is ingewikkeld. Ford Europe wil niet terugkomen op de aangekondigde sluiting die overigens grondig werd voorbereid met een goed sociaal akkoord. Ik begrijp hun houding. Dit is slechts de eerste van een reeks geplande herstructureringen in Europa. Als ze hier de mist ingaan, maken ze een slechte indruk bij de aandeelhouders. Tegen eind juli gaat de fabriek dicht, dat staat sinds vorige week vast. Maar we hebben een plan B. In Blanquefort staat nog een tweede fabriek van manuele versnellingsbakken, fifty-fifty in handen van Ford en Magna, de grootste auto-onderdelenproducent ter wereld. Ik kan nog niet in detail treden, maar we gaan proberen die fabriek over te nemen om vervolgens de activiteiten op de grotere en beter gelegen site van FAI te hernemen.

In eigen land staat u niet bepaald als vakbondsvriend bekend, zeker niet nadat u tijdens een sociaal conflict bij printbedrijf Punch Graphics een syndicaal afgevaardigde tegen de grond mepte. In Blanquefort echter wordt u door de CGT, de grootste vakbond van Frankrijk, als een witte ridder ontvangen. Voelt dat onwennig?

Dumarey. Helemaal niet. De Franse vakbonden hebben gezien wat ik in Straatsburg heb gepresteerd, ze weten dat ik mijn beloftes nakom. Ze respecteren me, en dat gevoel is wederkerig. Ik heb trouwens nooit een probleem gehad met arbeiders. Ik spreek hun taal, ik ken hun wereld. Het succes in Straatsburg verklaart ook waarom de Franse regering me in Blanquefort steunt. Typisch overigens voor een land met een sterk industriebeleid, iets waar we in België alleen kunnen van dromen.

Waar zit het verschil?

Dumarey: Multinationals kunnen België op een heel goedkope manier verlaten. Hoe is Ford uit Genk vertrokken? Zozo, zeiden ze tegen de Vlaamse regering, jullie willen nog wat subsidies recupereren? Dan geven we jullie de fabrieksterreinen, maar kom daarna niet meer zeuren over de kosten van de bodemsanering. Zoiets moeten ze in Frankrijk niet proberen, maar er zijn nog verschillen. Als je in Frankrijk tien arbeiders ontslaat, krijg je meteen een mannetje van de regionale overheid op bezoek. Wat is hier het probleem? Maar ook: hoe kunnen we helpen? Als het over werkgelegenheid gaat, spelen de Fransen kort op de bal. Eensgezind ook, op zo’n moment trekken liberalen, Gaullisten, socialisten of communisten aan hetzelfde zeel. En reken maar dat ze in Parijs op de hoogte zijn. Frankrijk blijft een erg gecentraliseerd land, alles passeert via president Macron en minister Le Maire. ,. Het contrast met de Belgische aanpak is schrijnend. Het kan nochtans niet moeilijk zijn om in zo’n klein land de 200 grootste fabrieken op de lijsten en proactief te bewerken. Hoe zien jullie de toekomst? Wat kunnen we doen om jullie te helpen groeien? Ik zie hier heel wat bedrijven die al jarenlang veel te weinig investeren. Binnen 5 à tien jaar zijn ze allemaal weg, en de overheid staat er bij en kijkt ernaar, Vlaams zowel als federaal.

U praat over Emmanuel Macron en Bruno Le Maire alsof het jeugdvrienden zijn. Hoe kort zijn de lijnen?

Dumarey: Ik ken ze allebei. President Macron zie ik natuurlijk minder vaak dan Bruno Le Maire die ik de laatste tijd haast wekelijks spreek. De weg naar Bercy 139, het ministerie van economie en financiën, vind ik intussen met mijn ogen dicht. Op die kabinetten merk je nog een verschil met ons land. Het loopt er vol met briljante dertigers, mensen van wie je nu al weet dat ze het ver gaan schoppen. In Nederland zie je dat ook, hun kabinetten zijn veel sterker bezet dan de Belgische.

Waarover praat u zoal met president Macron?

Dumarey: Hij is erg geïnteresseerd in onze activiteiten in de Elzas. We zijn de grootste industriële werkgever van Straatsburg. Dat vindt hij belangrijk, als ik met regionale politici praat, wordt dat meteen aan het Elysée gerapporteerd. Macron ziet de Grand Est als een strategische regio. Het is Frans, maar met een Duits verleden en mentaliteit. Niet onbelangrijk in het licht van zijn Europese ambities. De Frans-Duitse as is cruciaal om zijn plannen voor een nieuw en dynamischer Europa te realiseren.

President Macron heeft het niet onder de markt . De woede van de gele hesjes waait maar niet over, zijn populariteit zit op een dieptepunt, van de aangekondigde hervorming van de arbeidsmarkt komt ook al  weinig in huis. Zijn dat thema’s die u tijdens een presidentiële audiëntie kunt aansnijden?

Dumarey: Niet met de president, maar met minister Le Maire praat ik vrijuit. De situatie is overigens niet zo somber, je kunt de problemen van Macron echt niet vergelijken met de malaise onder zijn voorganger Hollande. Geef hem tijd, het komt wel goed met die hervormingen. De gilets jaunes? Twee weken geleden stonden ze op het rond punt bij onze bedrijfszone. Het ging er gemoedelijk aan toe, vanuit alle bedrijven in de omgeving werden paletten aangesleept om op te stoken. Ook door mensen van onze fabriek. Ik doe daar niet moeilijk over, want ik begrijp hun woede. Heel wat van die gele hesje wonen in achtergestelde gebieden zoals de Vogezen, een streek die ik erg goed ken. Punch Powerglide heeft er zijn centraal magazijn, we zijn er volop aan het bouwen. In de Vogezen is nauwelijks openbaar vervoer, de TGV stopt er niet, er is geen spoor van de vele faciliteiten die ze in de metropool vanzelfsprekend vinden. De mensen voelen zich drie keer gepakt door de klimaatmaatregelen die vanuit Parijs worden opgelegd. Ze betalen meer aan de pomp, hun dieselwagen verminderd in waarde, hun koopkrachtverlies wordt door de Franse indexregeling niet volledig gedekt. Natuurlijk worden ze dan boos. De kosten voor de transitie naar groene energie worden op hun schouders gelegd, terwijl ze in de Vogezen niet eens last hebben van slechte luchtkwaliteit.

Maar hoe ziet u die transitie dan? Automobiliteit is een belangrijke bron van zowel luchtverontreiniging als van broeikasgas.

Dumarey: Ik ontken de problemen niet. We moeten de CO2-uitstoot terugdringen. Daarom moeten in ons land Doel 4 en Tihange 3 open blijven. Dat is een no brainer, zeker in het licht van de stijgende elektriciteitsbehoeften. Zonder kernenergie wordt stroom onbetaalbaar, de prijsstijgingen wegen nu al zwaar op industriële en particuliere gebruikers. Zelf zie ik luchtverontreiniging als de grootste prioriteit. Maar dat is een probleem van stedelijke agglomeraties. Je moet dat niet aanpakken door mensen op het platteland de vrijheid te ontnemen om met hun diesel te rijden.

Dat klinkt als een provocatie aan het adres van alle klimaatspijbelaars. Moeten we niet zo snel mogelijk van diesel af? 

Dumarey: En met zijn allen elektrisch gaan rijden? Daar geloof ik niet in. Op termijn rijdt alles op waterstof, ik schat dat die technologie tegen 2030 of ten laatste 2040 op punt zal staan. In afwachting moeten we inzetten op diesel, nog altijd de efficiëntste brandstof op de markt. Hybride is de overgangstechnologie, moderne diesels gecombineerd met traditionele of plug-in accu’s. Superieur qua CO2-uitstoot, en zelfs beter voor de luchtkwaliteit dan benzinemotoren. Die stoten weliswaar minder NOx (stikstofoxide) uit, maar we weten intussen dat ze een bron zijn van schadelijke, ultrafijne deeltjes die via de neus rechtstreeks in de bloedbaan terechtkomen.

E-cars hebben nochtans de politiek wind in de zeilen, ook in België. Eigenaars worden fiscaal beloond, er liggen subsidies klaar voor het uitbouwen van een netwerk van laadpalen. Verloren moeite volgens u? 

Dumarey: We moeten daar toch eens grondig over nadenken. Volgens het Planbureau is tegen 2030 hoogstens een derde van het wagenpark deels geëlektrificeerd. Deels, want het gaat hoofdzakelijk om hybride, terwijl zuiver elektrisch niet meer dan 5 procent uitmaakt. Dat is niet verwaarloosbaar, in grootsteden zoals Antwerpen en Brussel kunnen elektrische deelwagens een rol spelen. Dus ja, we moeten elektrische wagens gaan bouwen. Klein en licht, want ik geloof niet in de Tesla-hype.

Waarom niet?  

Dumarey: Natuurlijk is Tesla een pionier. Knappe technologie, maar dat zeiden ze ook van de Concorde. Vliegen met 2 mach, in minder dan 3 uur van Londen naar New York. Fantastisch ingenieurswerk, maar de Concorde is wel een commerciële flop geworden. Zo zal het ook Tesla vergaan, er is geen echte markt voor. Een elektrische auto van meer dan twee ton, dat slaat als concept nergens op. Zeker niet met een afwerking die doet denken aan een Italiaan van 20 jaar geleden. En dan de prijs: 60.000 euro voor een Model 3, dat is geen Kever of 2 PK, laat staan een massaproduct waarmee je de automarkt hertekent.

Intussen bouwt Audi in Vorst wel al de volledig elektrische e-tron. China heeft zelfs een armada van lichte e-cars klaar. Die gaan ze niet alleen exporteren. Geely, eigenaar van Volvo, wil in Gent elektrische wagens bouwen. Het in Europa onbekende Thunder Power heeft een akkoord met het Waalse Gewest om vanaf 2020 op de Caterpillar-site in Gosselies een elektrische stadswagen van de band te laten rollen. Onderschat u het potentieel niet?  

Dumarey: Die e-tron van Audi is een SUV van 2,5 ton die 80.000 gaat kosten. Een Tesla dus, maar met Duitse afwerking. Dat China alles op elektrisch zet, is dan weer logisch. Het is de enige technologie die ze in de vingers hebben, bovendien kampen ze met het probleem van de luchtkwaliteit. Ik zit al meer dan tien jaar in China, ik heb nu een fabriek in Tianjin. De pollutie in de steden snijdt letterlijk de adem af, niet verwonderlijk als je weet dat hun explosieve groei volledig op steenkool draait. Fijn dat ze ons in België een graantje laten meepikken, maar ik zou niet te vroeg juichen. De komst van een elektrisch model naar Gent is nog geen certitude. Naar verluidt zou het dossier Thunder Power wel gunstig evolueren. Ik hoop het voor Wallonië, ze kunnen het daar gebruiken.

Jonathan Holslag, professor internationale politiek en Knack-columnist, waarschuwt onvermoeibaar voor het economisch imperialisme van China. Peking maakt met gesubsidieerde export de Europese economie kapot. Deelt u zijn ongerustheid?

Dumarey: Hij heeft gelijk, de handelsrelaties zijn niet evenwichtig. Die Nieuwe Zijderoute, die bouwen ze heus niet om onze producten in China te importeren. Chinezen denken strategisch. Via export en investeringen maar ook via emigratie nemen ze overal posities in, van Hong Kong over Australië tot Canada. Ze leggen een opvallend voorkeur voor Commonwealth-landen aan de dag. Wacht maar tot na de Brexit, dan volgt een ware Chinese ontplooiing in het Verenigd Koninkrijk. We moeten niet bang zijn, maar evenmin naïef. China kent geen privébedrijven, achter iedere handelspartner of investeerder schuilt de overheid. Geely, dat zijn in feite twee Chinese provincies. In die zin is het wrang dat België bij de overname van Volvo Gent een staatswaarborg van 190 miljoen heeft gegeven. Hoe je het ook bekijkt, dat is een subsidie van de Belgische belastingbetaler aan een Chinees staatsbedrijf.

Terug naar België. De regering Michel klopt zich op de borst als de meest ondernemingsvriendelijke in jaren, met de taxshift als voornaamste exploot. Bent u onder de indruk?

Dumarey: Niet bepaald, van een nieuw industrieel beleid heb ik alleszins niks gemerkt. Na de sluiting van Renault Vilvoorde in 1997 telde ons land nog vier autofabrieken. Nederland had er slechts één, NedCar in Eindhoven. Vandaag schieten er in België nog twee over, en er werken opgeteld evenveel mensen als in die ene Nederlandse autofabriek. Dan ben je niet goed bezig. We spreken hier wel over industriële tewerkstelling, volwaardige banen waar gezinnen kunnen van leven. Die moet je koesteren. Ik geloof niet in laagbetaalde flexijobs. Voor studenten, tot daar aan toe. Maar het is een schande dat steeds meer veertigers en vijftigers twee baantjes moeten combineren om rond te komen.

Toch koestert u opnieuw plannen in België. Punch Powerglide wil 100 miljoen investeren in de productie van hybride aandrijfsystemen in Dour, vlakbij de Franse grens. Komt die nieuwe fabriek met 500 arbeidsplaatsen er echt?

Dumarey: Het dossier evolueert gunstig, maar niks is definitief. We hebben nog andere opties voor de locatie.

U onderhandelt met het Waals gewest. Is dat moeilijk voor een ondernemer die openlijk voor Vlaamse onafhankelijkheid pleit?

Dumarey: Nee, ze kennen mijn standpunt. Ik zie een onafhankelijk Vlaanderen trouwens als een land met rijke buurlanden, waaronder Wallonië. Een republiek uiteraard, want ik heb een hekel aan de Belgische monarchie. Die aversie heeft veel te maken met de figuur van koning Albert. Een vader die zijn dochter niet erkent, lager kun je niet gaan. 

In de Franse media wordt u de Belgische Bernard Tapie genoemd. Flatteert die vergelijking?

Dumarey (brede grijs). Ze doen maar. Ik heb Tapie nooit ontmoet, maar ik veronderstel dat hij ook goeie dingen heeft gedaan.

foto Hatim Kaghat

Guido Dumarey – bio

1959, Knokke

graduaat automechanica, Vlerick Business School

eerste baan: bandenproducent Michelin

eerste bedrijfsovername: metaalbedrukker New Impriver

brengt in 1999 familieholding Punch International naar beurs, onder meer actief in automotive, metaalbewerking, digital printing (Xeikon) en vastgoed

koopt in 2006 ZF Sint-Truiden, producent traploze, automatische versnellingsbakken die tot Punch Powertrain wordt herdoopt. Begint tweede fabriek in Nanjing-China

2009: financiële problemen dwingen tot verkoop Punch Powertrain aan de LRM

2013: neemt onder Punch Powerglide GM-versnellingsbakkenfabriek in Straatsburg over

Produceert in Frankrijk, Slowakije en China, R&D in Australië

1500 werknemers, 500 miljoen euro omzet

hobby: autoracen

Rojava, een Koerdische utopie in Noord-Syrië

verschenen in Knack Magazine 5 december 2018

“Als het de Amerikanen goed uitkomt, zullen ze niet aarzelen de Koerden aan Ankara of aan Damascus uit te leveren”

alomtegenwoordig in Rojava: Apo ofte Abdullah Öcalan. (foto Ludo De Brabander)

Sinds 2012 genieten de Koerden in Noordoost-Syrië van feitelijke autonomie. Zo ontstond de proto-staat Rojava, ingericht volgens de recepten van PKK-leider Öcalan.  Ludo De Brabander schreef er een geëngageerd boek over.

Het vergt moed om eraan te beginnen: de Koerdische kwestie in dik 200 pagina’s duiden. Ludo De Brabander heeft met ‘Het Koerdisch Utopia’ een verdienstelijke poging gewaagd. Dat de aanloop naar Utopia zowat de helft van het boek beslaat, was onvermijdelijk. Zonder uitleg over bijvoorbeeld Sykes-Picot, het geheime akkoord waarmee Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in 1916 de kaart van het Midden Oosten hertekenden, valt niet te snappen waarom de Koerden verspreid over vier landen leven. Even noodzakelijk is een lange uitweiding over de recente geschiedenis van Turkije waar veruit de grootste Koerdische minderheid leeft. Dat Utopia in het door burgeroorlog geteisterde buurland Syrië ligt, is volledig consistent met deze keuze. De oorsprong van de Democratische Federatie van Noordelijk Syrië _ vaak Rojava genoemd _ ligt immers in Turkije. De Koerdische proto-staat werd helemaal ingericht volgens de filosofie van Abdullah Öcalan, de PKK-leider die ondanks twintig jaar eenzame opsluiting in een Turkse gevangenis een enorme invloed blijft uitoefenen.

Ludo De Brabander, al een kwarteeuw lang kind aan huis in Koerdisch gebied, doet er niet flauw over: hij koestert sympathie voor het Koerdisch streven naar zelfbeschikking dat zich in de vier thuislanden op erg verschillende manieren manifesteert. Zijn welwillendheid strekt zich uit tot de omstreden PKK. Een terroristische beweging volgens de Turkse overheid, de Europese Unie en de Navo. De Brabander van zijn kant erkent dat de PKK zware fouten met vaak moorddadige gevolgen heeft begaan, maar spreekt desalniettemin van een legitieme verzetsbeweging met een massa-achterban die is ontstaan als antwoord op genadeloze Turkse staatsrepressie. Geen detail als men weet wie in het Koerdisch Utopia politiek en militair de plak zwaait. De dominante PYD en haar bekendere militaire tak YPG/YPJ worden doorgaans als satellieten van de PKK beschouwd.

Terecht?

Ludo De Brabander: Ideologisch is de invloed onloochenbaar. Overal in het Noordoosten van Syrië hangt de foto van Öcalan. Zelfs in Raqqa heb ik hem gezien, terwijl dat voor de herovering op IS een Arabische stad was. Dat er militair wordt samengewerkt is logisch. Heel  wat kaderleden van de YPG en hun vrouwelijke tegenhanger YPJ werden in PKK-kampen opgeleid. Maar het is niet zo dat er een directe lijn loopt van het PKK-oppercommando in Noord-Irak naar Qamishli, de officieuze hoofdstad van Rojava. Zeker in politiek opzicht varen de Syrische Koerden al sinds 2012 een autonome koers. Uit noodzaak, het hele Rojava-experiment is een rechtstreeks gevolg van het machtsvacuüm dat door de Syrische burgeroorlog ontstond. De Koerden zagen zich ineens verplicht het hele bestuur zelf in handen te nemen, al was het maar om te zorgen voor basisdiensten zoals water, elektriciteit, onderwijs en zelfs huisvuilophaling. Dat levert merkwaardige toestanden op. Sommige ambtenaren in het autonome Rojava worden nog altijd door Damascus betaald, scholen volgen het Syrische leerplan omdat hun diploma’s anders niet worden erkend.

Öcalan staat bekend om zijn marxistisch-leninistische ideologie. Valt daar in de 21ste eeuw nog een utopie van te brouwen?   

De Brabander: Öcalan heeft al in 1993 met zijn marxistisch-leninistische verleden gebroken, niet toevallig in dezelfde periode toen hij het separatisme afzwoer en inruilde voor een streven naar Koerdische autonomie binnen een Turkse federatie. Ideologisch is hij geëvolueerd naar een soort libertair anarchisme, wat politiek vertaald wordt in een basisdemocratische bestuursvorm. Er liepen al experimenten in Turks en Iraaks Koerdistan, maar in Rojava wordt het systeem voor het eerst voluit ontplooid. Macht komt van onderuit, via raden die op dorpsniveau worden verkozen. Ik heb met heel wat van die verkozenen gesproken, mannen én vrouwen. Vrouwenemancipatie is naast antikapitalisme een hoeksteen van het Sociaal Contract, een soort grondwet die duidelijk Öcalans stempel draagt. Ook etnisch en religieus pluralisme staan erin, een toevoeging die er is gekomen na de slag om Kobani in 2015. Dat was een kantelpunt, sindsdien hebben de Koerden hun gebied systematisch westwaarts richting Eufraat uitgebreid. Gevolg: er leven nu aanzienlijke groepen Arabieren onder Koerdisch bestuur, naast Asyriërs, Jezidi’s, Arameeërs, Khaldeën, Armeniërs, Turkmenen en Circassiërs. Daarom spreken ze officieel niet langer van Rojava, maar van de Democratische Federatie van Noordelijk Syrië die de kantons Kobani, Jezira en Afrin omvat. Die minderheden vechten mee met de Syrische Defensie Strijdkrachten (SDF), de militaire koepel waarvan YPG/YPJ veruit de belangrijkste component vormt. Het is ingewikkeld.

De slag om Kobani heeft de YPJ-vrouwen een cultstatus verleend. De hele wereld kon zich vergapen aan de jonge guerrillera’s die een glansrol speelden tijdens de belegering van Kobani. Goede pr, maar behelzen vrouwenrechten in Rojava meer dan de kans om glorieus te sneuvelen voor het vaderland?

De Brabander: Vrouwenemancipatie behoort tot de kern van Öcalans radicale basisdemocratie. Volkscongressen en assemblees tellen minstens 40 procent vrouwen, voor alle topfuncties binnen de PYD-regering is er een vrouwelijke vice-minister. Quota zijn een noodzaak, want deze revolutie speelt zich af in een maatschappij met oerconservatieve opvattingen over de rol die mannen en vrouwen horen te spelen.

vechten vrouwen daarom in een aparte militie?

De Brabander: Aan het front strijden mannen en vrouwen samen, maar de kampen zijn strikt gescheiden. Dat is niet alleen functioneel, het spoort met de traditionele opvattingen over liefde en relaties. Ik heb daar met vrouwelijke strijders uitgebreid over gesproken, dat kon dan weer zonder enige terughoudendheid. Ze vertelden dat ze hun verlangens sublimeerden in liefde voor de strijd en de gemeenschap. Romantiek met een doctrinair kantje, dat wordt er bij de PKK ingehamerd. Ze hebben het marxisme-lenininsme wel afgezworen, maar de ideologische vorming blijft heel sterk.

YPJ-strijdsters achter de frontlinie. Gemengd vechten mag, gemengd slapen niet. (foto: Ludo De Brander)

Kobani was in meerdere opzichten een kantelpunt. De Koerden en hun bondgenoten konden de veel sterkere IS-milities pas verslaan nadat de Amerikaanse luchtmacht wapens en munitie dropte. Die operatie luidde een onwaarschijnlijke alliantie in. De Amerikanen bewapenen en trainen de antikapitalistische SDF, tot grote woede van hun NAVO-bondgenoot Turkije die als de dood is voor een onafhankelijke Koerdische buurstaat. Hoe valt dat te rijmen?

De Brabander: Wederzijds opportunisme. Bij de PYD beseffen ze heel goed dat de Amerikanen niet geïnteresseerd zijn in Koerdische zelfbeschikking. Als het hen goed uitkomt, zullen ze niet aarzelen de Koerden aan Ankara of aan Damascus uit te leveren. Dat is trouwens gebleken toen Turkije de Koerden in maart uit Afrin heeft verjaagd, met stilzwijgende toestemming van de Amerikanen. De Amerikaanse spreidstand is zonder meer spectaculair. Ze steunen de Koerden onder het mom van de strijd tegen IS, maar in feite willen ze zich ingraven in een geopolitiek strategische regio waar ook Rusland en Iran erg actief zijn. Tegelijkertijd moeten ze absoluut Turkije te vriend houden, een onmisbare bondgenoot bij wie het Pentagon nog altijd kernwapens heeft liggen. 

Hoe valt uit te leggen dat Washington en de Navo de YPG/YPJ steunen, terwijl ze de PKK als een terroristische organisatie bestrijden?

De Brabander: Erdogan heeft een punt als hij dat hypocriet noemt. Al kun je zijn redenering ook omdraaien. Wat mij betreft zit de hypocrisie niet in het feit dat YPG/YPJ niet als terroristisch wordt beschouwd, maar wel in de terroristische stempel die op de PKK kleeft. Ik heb de absurditeit van de hele situatie kunnen vaststellen toen ik in 2015 de PKK-kampen in het Iraakse Qandil bezocht. Ik ontmoette er strijders van de YPG en de YPJ die gewond waren geraakt tijdens gevechten die ze in Noord-Syrië met Amerikaanse steun hadden geleverd. De kampen in Noord-Irak waar ze werden verzorgd, werden geregeld gebombardeerd. Door de Turken, met Amerikaanse steun. Zo cynisch kan het worden.

De Turkse president Erdogan wil onder geen beding een onafhankelijke Koerdische staat in Noordoost-Syrië, zeker niet omdat die een gevaarlijk precedent schept voor de eigen Koerdische minderheid. Hoe ver is hij bereid te gaan om dat gevreesde scenario te voorkomen?

De Brabander: Tot het uiterste. De operatie van het Turkse leger tegen de SDF in Afrin, een rechtstreekse inmenging in een buurland nota bene, spreekt daarover boekdelen. Het is bovendien geen toeval dat Turkije het zogenaamde Nationaal Pact uit de mottenbalen heeft gehaald, een document uit 1920 waarmee de Turken een claim leggen op de Iraakse steden Kirkoek en Mosoel, maar ook op Noordoost-Syrië.  Nog een voorbeeld is de pijnlijke misrekening van Massoud Barzani, de president van de Koerdische Autonome Regio in Noord-Irak. De rechts-conservatieve Barzani heeft altijd nauw samengewerkt met Turkije, je mag hem gerust een bondgenoot van Erdogan noemen. Toch reageerde die laatste ijskoud toen Barzani vorig jaar een referendum over volledige onafhankelijkheid organiseerde. We weten hoe dat afgelopen is. Het Iraakse leger is als reactie de Koerdische Autonome Regio binnengevallen en heeft onder meer Kirkoek ingenomen. Erdogan liet niet alleen betijen, hij heeft van de chaos geprofiteerd om zelf Noord-Irak binnen te vallen. Het Turkse leger beschikt naar eigen zeggen al over 11 militaire basissen in Noord-Irak en heeft met zijn militaire dreiging er voor gezorgd dat de PKK zich uit de regio van Sinjar moest terugtrekken. Het voert geregeld luchtbombardementen uit op PKK-doelwitten, waarbij ook burgerslachtoffers vallen. Merkwaardig genoeg is dat goeddeels onder de radar van de internationale gemeenschap gebleven.

Weinig hoopgevend allemaal voor de levensvatbaarheid van de Democratische Federatie van Noordelijk Syrië. Hoe zien de Syrische Koerden hun toekomst?  

De Brabander: Die vraag heb ik aan heel wat Koerden, ook politieke en militaire leiders gesteld. Ze weten dat ze vroeg of laat op zichzelf aangewezen zijn. Als de Amerikanen hen laten vallen, willen ze klaar zijn om hun autonomie politiek en militair te verdedigen. Daarom leggen ze niet alle eieren in één mandje. De PYD heeft een officieuze ambassade in Moskou en houdt de lijnen open met het Assad-regime in Damascus. De hoop is dat het met de Noordelijke Federatie dezelfde weg op gaat als met Iraaks Koerdistan. Afgezien van de episode met het mislukte onafhankelijkheidsreferendum heeft de Koerdische Autonome Regio zich sinds 2005 succesvol kunnen ontplooien, juridisch als onderdeel van Irak, maar de facto als een onafhankelijk gebied. Op de lange termijn zagen mijn gesprekspartners de natiestaten verdampen en wordt het Midden Oosten een lappendeken van autonome regio’s, een concept dat beter beantwoordt aan de etnische en religieuze diversiteit. Die visie hebben ze uit de boeken van Öcalan geplukt.

U heeft veel rondgereisd in Koerdisch gebied. Was u vrij om te gaan en staan waar u wilde? 

De Brabander: Laat ons zeggen dat ik half embedded heb gereisd. Er waren restricties, ik reisde onder begeleiding en moest mijn bestemming vooraf bekend maken. Die beperkingen werden vooraf door terechte veiligheidsoverwegingen ingegeven. De vele controleposten staan er heus niet zomaar, er werden en worden nog altijd aanslagen gepleegd. Maar op het terrein heb ik geen enkele dwang ervaren. Of ik nu in Kobani, Mambisj, Qamishli of een afgelegen dorp stopte, ik mocht vrijuit praten met eender wie. 

De Syrische burgeroorlog is nog niet afgelopen, laat staan dat de gevolgen voor de wijde regio al duidelijk zijn. Is het dan niet voorbarig om het politieke experiment in Rojava te evalueren?

De Brabander: Ik ziet het niet als een definitief oordeel, maar als een tussentijdse balans. In mijn laatste hoofdstuk zet ik sterke en zwakke punten op een rij. Er is bijvoorbeeld kritiek van Amnesty International en Human Rights Watch. Repressie tegen opposanten, het rekruteren van minderjarige strijders, dat zijn zware feiten. Ik praat die niet goed, maar anderzijds vind ik wel dat je rekening moet houden met de omstandigheden. Er woedt nog altijd een burgeroorlog, Turkije vormt een existentiële bedreiging, en intussen krijgen rechts-conservatieve opposanten steun van het Iraakse-Koerdische Barzani-regime. De geschiedenis zal uitwijzen welke kant het uitgaat, maar mijn tussentijdse balans is eerder positief. Ik heb de indruk dat ze in Rojava een eerlijke poging ondernemen om een nieuwe maatschappij te bouwen, weliswaar met veel pragmatiek en compromissen.

Het Koerdisch Utopia, Ludo de Brabander, Epo, 216 pagina’s, 23,50 euro

Ludo De Brabander

55

studeerde verpleegkunde en pers- en communicatiewetenschappen in Gent

woordvoerder linkse vredesbeweging Vrede vzw

activist en publicist, schrijft vaak over ontwapening, Palestina en de Koerdische kwestie

co-auteur met Georges Spriet van ‘Als de NAVO de passie preekt’ (2009)

De Belgisch-Congolese activiste Mireille-Tsheusi Robert over het AfricaMuseum

verschenen in Knack Magazine 5 december 2018

“Tervuren is een graftombe”

Mireille-Tsheusi Robert op de Square Patrice Lumumba: (foto: Dieter Telemans)

Koning Filip aarzelt nog, maar Mireille Tsheusi-Robert heeft de knoop al doorgehakt. De Belgisch-Congolese activiste gaat zaterdag niet naar de inhuldiging van het vernieuwde AfricaMuseum. ‘Je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst’.

Je zou de plaats van afspraak als een cliché kunnen bestempelen. De gesprekspartner is Belgisch-Congolees, het onderwerp is het Belgisch-Congolese verleden met zijn postkoloniale uitlopers. Dan ligt een koffiebar aan de Naamsepoort in Elsene wel voor de hand. Toch is het niet de als vanouds bruisende Matongéwijk die Mireille-Tsheusi Robert naar deze plaats heeft gelokt. Het metrostation Naamsepoort geeft sinds een half jaar uit op het Lumumbaplein, een nieuwkomer in de hoofdstedelijke wegenatlas waar ze jarenlang voor gevochten heeft. Niet zonder trots zal ze voor de fotograaf poseren bij het infopaneel over de allereerste premier van de onafhankelijke republiek Congo, brutaal vermoord na machinaties waarin Belgen een groot aandeel hadden. Als het van haar afhangt, komt er straks nog een monument voor Patrice Ermery Lumumba bij.

Mireille-Tsheusi Robert, voorzitster van de Afro-Belgische, feministische vereniging  BAMKO, is in Franstalig België een belangrijke stem in wat men het nieuwe  dekolonisatiedebat is gaan noemen. Het zijn twintigers en dertigers met roots in Centraal Afrika die daarbij de toon zetten. Ze stellen vragen bij de alomtegenwoordigheid van koloniale monumenten in de publieke ruimte, ijveren voor het vernoemen van pleinen en straten naar Afrikaanse onafhankelijkheidsstrijders, en keren zich tegen racisme en koloniale stereotypen die volgens hen zowel de media als de handboeken geschiedenis domineren. Met zo’n drijfveer zou je enthousiasme verwachten voor het vernieuwde Koninklijk Museum Midden-Afrika (KMMA) in Tervuren dat zaterdag onder internationale mediabelangstelling wordt heropend. De voorbije vier jaar werd immers niet alleen het imposante, door Leopold II gebouwde paleis gerenoveerd en uitgebreid. Er wordt vooral uitgekeken naar de vernieuwde tentoonstelling. De collectie blijft wat ze is, een van de rijkste verzamelingen Afrikaanse etnografica ter wereld, de rijkste zonder meer waar het Congo betreft. Het gaat om het narratief waarin deze kunstschatten worden geplaatst. Decennialang stond Tervuren bekend voor zijn paternalistische voorstelling van het Belgisch kolonialisme, met veel nadruk op het blanke beschavingswerk ten bate van een primitieve, inheemse bevolking die nauwelijks een actieve rol in haar eigen geschiedenis speelde. Het nieuwe museum, waaraan onder anderen Afrikaanse experts meewerkten, belooft een radicale breuk. Congolezen krijgen een volwaardige stem. Racisme, repressie en exploitatie worden geduid als de peilers van de koloniale constructie, met de gruwelen in de Congo Vrijstaat van Leopold II als een van de treffendste illustraties.

Een opsteker voor eenieder die de dekolonisatiestrijd genegen is? Daar heeft het alle schijn van. En toch zal Mireille-Tshieusi Robert de persoonlijke uitnodiging voor het openingsfeest zaterdag onbenut laten. ‘Ik ga niet dansen op een graf’, zegt ze bij het nuttigen van een latte.

Wat bedoelt u?

Mireille-Tsheusi Robert: In Tervuren liggen twee mummies, naast fetisjen waarin menselijke resten zitten verwerkt. Heel wat van die etnografische kunstvoorwerpen werden eigenlijk gemaakt als een representatie van onze voorouders. Op zo’n plek wil je niet feesten, er valt trouwens niks te vieren.

Het nieuwe KMMA wil breken met de koloniale nostalgie en propaganda uit het verleden. Dat gaat behoorlijk ver, zoals blijkt uit de aarzeling van koning Filip om de inauguratie bij te wonen, uit schrik voor de ontluistering van zijn voorzaat Leopold II. Daar moet u toch blij om zijn?

Robert: Hoe de collectie wordt getoond, dat is voor mij irrelevant. Modern of oubollig, dat oordeel laat ik graag aan museumspecialisten over. Ik ben geen kunsthistorica, mijn expertise situeert zich op het vlak van dekolonisering. Dat is precies mijn punt: je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst. Best mogelijk dat ze die voorwerpen in een nieuwe context hebben geplaatst, maar dat noem ik geen vooruitgang. Stel ik val bij jou binnen, vermoord je grootmoeder en neem haar schedel en juwelen mee naar een ver land. Als jij dan later komt aankloppen om je erfernis  op te eisen,  lach ik je in gezicht uit. Die schedel en die juwelen? Je mag ze gaan bekijken in mijn museum, maar je moet wel eerst 10 euro entree betalen. Een kind kan toch zien hoe onrechtvaardig dat is? Welnu, die situatie blijft even onrechtvaardig als ik de schedel en de juwelen op dezelfde plek in een andere context toon. Zo’n ingreep verandert helemaal niets aan het feit dat jij je rechtmatige erfenis niet terugkrijgt, en het verzacht evenmin de pijn van de gruwel die aan dat gemis is voorafgegaan.

BAMKO lag mee aan de basis van een open brief over koloniale roofkunst, met een oproep tot restitutie die aan weerskanten van de taalgrens veel weerklank vond in kringen van academici, kunstenaars en zelfs bepaalde museumdirecties. Wat willen jullie precies?

Robert: Om te beginnen een moratorium op het tentoonstellen van koloniale roofkunst. Het nieuwe museum in Tervuren mag voor ons part open gaan, maar dan zonder illegaal verkregen voorwerpen. We willen voorts dat er zo snel mogelijk een onafhankelijke commissie komt om de kwestie in kaart te brengen. Tenslotte moet er een internationale conferentie worden georganiseerd om richtlijnen voor Europese musea te bepalen, in overeenstemming met de spelregels die daarover al door de UNESCO werden opgesteld. We inspireren ons onder meer op het precedent van joodse kunstcollecties die die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden geroofd. Als daar restitutie mogelijk is, dan zie ik geen enkele reden waarom dat voor koloniale roofkunst niet zou kunnen. We werken trouwens nauw samen met mensen binnen de joodse gemeenschap.

Het thema is actueel, en niet alleen vanwege de heropening van het KMMA. De Franse president Macron heeft vorig jaar in Ouagadougou verklaard dat het niet langer aanvaardbaar is dat 90 procent van de Afrikaanse kunstschatten zich in buitenlandse, voornamelijk Europese musea en privécollecties bevindt. Op zijn vraag hebben een Franse en Senegalese expert een lijvig rapport met aanbevelingen geschreven dat vorige week werd voorgesteld. Liefst 70 procent van de collecties in Franse musea zou voor restitutie in aanmerking komen. Moet België dat voorbeeld volgen?

Robert: Absoluut, Macrons initiatief is er trouwens gekomen onder druk van de Afrikaanse diaspora. Het verschil met België is frappant. We hebben staatssecretaris voor wetenschapsbeleid Zuhal Demir (N-VA) al via onze advocaat aangepord. Dat ze de kwestie ernstig moet nemen, want dat ons land anders het risico loopt voor heling te worden veroordeeld. Ze heeft in september beloofd een federale werkgroep op te richten. Alleen weet niemand wie in die werkgroep zit of met welke missie ze van start gaat. Eigenlijk weten we niet eens of die commissie al echt bestaat. Wat een verschil met de transparante aanpak van de Fransen.

In de jaren zeventig heeft Tervuren een aanzienlijke collectie geschonken aan de Musées Nationaux du Zaïre, een prestigeproject van de toenmalige dictator Mobutu. Heel wat van die schatten zijn binnen de kortste keren verdwenen, verkwanseld door corrupte politici en ambtenaren aan buitenlandse kunsthandelaars en collectionneurs. Mobutu is al lang dood, maar de chaos en corruptie zijn in Congo niet verdwenen. Is restitutie in die omstandigheden wel een goed idee?

Robert: (geërgerd) Mobutu inzetten als joker, dat ben ik stilaan beu. Wie was Mobutu trouwens? Een creatuur van de Belgen die ervoor moest zorgen dat Congo vooral niet kon uitgroeien tot een echt onafhankelijke staat. Kijk, bij corruptie zijn altijd twee partijen betrokken, de omkopers en de omgekochten. En wie waren in dit geval de corrumpeurs? Ik heb het een Belgische kunsthandelaar in Kinshasa ooit horen vertellen: telkens wanneer een Belgische museumdelegatie naar ginder werd gestuurd, verdwenen er werken uit de Musées nationaux. Die zogenaamde schenking aan Mobutu was overigens geen restitutie. Tervuren heeft wel de objecten maar niet de eigendomstitel aan de Zaïrese staat overgedragen. Toen die voorwerpen even later bij bepaalde antiekhandelaars aan de Brusselse Zavel opdoken, kon Tervuren ze met de papieren in de hand als eigendom claimen. Voor koloniale roofkunst moet er een volledige restitutie komen, met overdracht van eigendomstitels. Congo is een souvereine staat die zelf over zijn erfgoed kan beslissen. Misschien verkiest Congo wel om de collectie geheel of gedeeltelijk in Tervuren te laten, tot het land klaar is om ze zelf te ontvangen. Dat is slechts een kwestie van tijd. In Kinshasa wordt met Koreaanse steun een hypermodern nationaal museum gebouwd, waardoor de hele restitutieproblematiek alleen maar urgenter wordt. Het kan niet dat er straks in dat nieuwe museum alleen maar hedendaagse kunst wordt getoond. Het Congolese volk heeft het recht om zijn culturele erfgoed in eigen land te ontdekken.

Moeten we Tervuren niet geven wat Tervuren toekomt? Zonder de verzamel- en inventariseerwoede en het bijbehorende wetenschappelijk onderzoek van het KMMA, was een groot deel van het culturele erfgoed van Midden Afrika vernietigd of verloren voor de mensheid, inbegrepen de toekomstige generaties van Congo.

Robert: Dat is alsof een verkrachter zijn slachtoffer achteraf zou zeggen dat ze hem dankbaar moet zijn, want dat hij haar toch maar mooi een kind heeft geschonken. Altijd weer die neiging van de Belgen om zich op de borst te kloppen voor de goede daden die ze voor de arme Afrikanen hebben gesteld. Ja, die kunstvoorwerpen werden bewaard en voor het publiek ontsloten. In België, en alleen ten behoeve van de Belgen. Dat zeg ik als Belg van Afrikaanse oorsprong, een dubbele identiteit waar velen het hier moeilijk mee hebben. Een conservator van Tervuren heeft het me een keer letterlijk voor de voeten geworpen: als echte Belg heb je niet het recht om voor restitutie te pleiten. Onzin, ik laat me niet de mond snoeren met loyauteitsargumenten.

Het KMMA heeft bij het herdenken van het museum niet alleen het advies van Afrikaanse experts gevraagd, maar ook van Congolese diaspora in België. U verkoos aan de kant te blijven staan. Is het dan niet gemakkelijk kritiek spuien?  

Robert: Ieder zijn rol. Ik wil de vrijheid hebben om kritisch toe te kijken en actie te voeren. Maar nu u de vraag stelt: behalve de kwestie van de roofkunst heb ik ook problemen met het proces van de zogenaamde dekolonisering. Het klopt dat de diaspora werd uitgenodigd om mee na te denken over de transitie. Er werden verschillende werkgroepen opgericht, in een ervan zat een medestander van BAMKO. Dat is echter met een sisser afgelopen. De diasporavertegenwoordigers mochten wel adviezen geven, maar daar werd niets mee gedaan. Op de duur hebben ze het opgegeven, ze kregen het gevoel dat ze als alibi werden gebruikt. Kijk ook eens naar de raad van bestuur: de enige Afrikaanse vertegenwoordigster heeft alleen een raadgevende stem, de beslissingsmacht is volledig in handen van witte mannen, zoals in de tijd van Belgisch Congo. Dat kan toch niet? Dekoloniseren betekent dat je ook de macht deelt.

Het AfricaMuseum is vier jaar gesloten gebleven voor renovatiewerken. Kwam u er vroeger wel eens?

Robert: Jawel, toen ik als opvoedster werkte nam ik er wel eens jongeren naartoe, soms samen met hun ouders. Die ervaring staat niet los van mijn engagement voor dekolonisering. Ik werd in die periode volop geconfronteerd met het bendegeweld onder Afrikaanse jongeren in Brussel.

Infobord squarel Patrice Lumumba. Alleen het standbeeld ontbreekt nog. (foto: Dieter Telemans)

De beruchte bende van de Matongéwijk?

Robert. Niet alleen in Matonge, er waren in Brussel een tiental Afrikaanse jongerenbendes, onder meer in Schaarbeek, Evere en aan het Madouplein. Het ging er geweldadig aan toe, tussen 2001 en 2016 zijn een dertigtal doden gevallen. Opvallend genoeg keerde de agressie zich niet tegen blanken of Maghrebijnen, het geweld was op de eigen gemeenschap gericht. Dan rijst toch de vraag: waar komt die zelfhaat vandaan?

De vraag stellen is ze beantwoorden…

Robert: Aliënatie, culturele vervreemding. Door gebrek aan omkadering zijn Afrikaanse jongeren het dominante, Belgische naratief over zwarten gaan volgen. Zwarten zijn wilden, zijn lui, kunnen niet eens een appartement onderhouden. Omdat niemand, ook hun ouders niet, een tegenstem liet horen, zijn ze die witte stereotypen gaan verinnerlijken. Vroeg of laat slaat die zelfhaat om in zelfdestructie. Dat fenomeen is bekend, ik ben trouwens voor het Brussels gewest op studiereis naar Frankrijk en Canada getrokken waar ze met soortgelijke problemen kampten. In feite ging het om een revolte tegen een zelfbeeld dat hen door de maatschappij werd opgedrongen maar dat helemaal niet klopte. We hebben het bendegeweld onder controle gekregen, onder meer dank zij een speciale politiecel. Maar de echte oplossing lag natuurlijk elders, in het herstellen van hun zelfbeeld en het construeren van een identiteit waarop ze trots konden zijn. Dat is een van de missies van BAMKO. We halen bijvoorbeeld Afrikaanse professoren naar hier die jongeren uitleggen dat Afrika ook voor de komst van de blanken een geschiedenis en beschaving had. De jongeren uit die periode zijn intussen twintigers en dertigers die werken of een gezin hebben. Hun boosheid is niet verdwenen, maar ze richt zich niet meer op de eigen gemeenschap maar op de maatschappij, tegen racisme en discriminatie. Het is niet toevallig de generatie die de dekolonisatiebeweging drijft.

Op welke manier paste een bezoek van die jongeren aan het vroegere AfricaMuseum in de queeste naar een nieuwe, begeesterende identiteit?

Robert: Het was de ideale plek om stereotypen te duiden en te deconstrueren. De representatie van Afrika was hilarisch: een wild en maagdelijk continent, bewoond door primitieve stammen die dankbaar waren dat ze door de blanken met harde hand werden beschaafd. Tervuren was één groot koloniaal, racistisch cliché. Maar laten we het niet alleen over het museum hebben. Onze strijd gaat veel breder, het gaat om de erkenning van onze cultuur en identiteit, en om wederzijds respect tussen Belgen en Congolezen. In dat opzicht was de erkenning van het Lumumbaplein door het Brusselse stadsbestuur niets minder dan een mijlpaal.

U heeft er samen met andere activisten lang moeten voor vechten. Eerdere plannen voor een Lumumbaplein in de gemeente Elsene werden in de gemeenteraad gedwarsboomd, mede door hardnekkig lobbywerk van oud-kolonialen. Hoe diep is het water?

Robert: We zijn geen vrienden, dat spreekt voor zich. Het gaat niet alleen om een snel slinkende groepje van bejaarde oud-kolonialen, ook hun kinderen en nazaten lobbyen. Onze tegenstanders slagen er niet altijd in om hun racistische vooroordelen te verdoezelen, vooral niet als ze loos gaan op de sociale media. La négresse de Bruxelles is een van mijn geuzennamen. Het blijft niet bij beledigingen. Kort voor de inhuldiging van het Lumumbaplein werden er bedreigingen geuit, de politie heeft zelfs extra manschappen moeten ontplooien.

De campagne tegen koloniale monumenten slorpt veel energie op. Loont dat wel de moeite? Het gaat tenslotte maar om symbolen.

Robert: Symbolen zijn belangrijk in een emancipatieproces. Zopas is een nieuwe studie over de discriminatie van Afro-Belgen verschenen. Blijkt dat die het slechtst scoren op de  arbeidsmarkt en het minst zichtbaar zijn in de media, terwijl ze de hoogst opgeleide bevolkingsgroep van het land vormen. Het ergst is de situatie van zwarte vrouwen, en dat ondanks de vaststelling dat ze meer diploma’s bezitten dan zwarte en witte mannen. Dat moet dus veranderen, daar draait het echt om.

Mireille-Tsheusi Robert

37 jaar, geboren in Kinshasa

groeit op in Villers-Devant-Orval (Gaume)

master sciences de l’éducation, UCL

werkt als opvoedster met Brusselse probleemjongeren

2015: sticht Afro-Belgisch en feministische actiegroep BAMKO

2016: publiceert ‘Le racisme anti-Noirs. Entre méconnaissance et mépris’

2018: bijdrage aan pas verschenen boek Pietpraat, essaybundel over het fenomeen Zwarte Piet

Latijns-Amerikakenner An Vranckx: “Ik heb in Colombia respect gekregen voor militairen”

Knack, 13 augustus 2018

Bevorderen van vrede in postconflict gebieden, het is een beroep. An Vranckx vult er haar dagen mee, in verafgelegen landen die opvallend vaak in Latijns-Amerika liggen. Over wapens en munitie maakt niemand haar iets wijs, de War on Drugs kent ze van het terrein. Gesprek met een Antwerpse globetrotter die bijdroeg aan de vrede in Colombia.

foto: Hatim Kaghat

foto: Hatim Kaghat

Wee de ambtenaar die ooit het pensioendossier van An Vrankx moet uitvlooien. Universiteiten in binnen- en buitenland, Europese en nationale overheden, ngo’s, stichtingen en thinktanks in diverse hoofdsteden, met haar wisselende opdrachtgevers valt een middelgrote concertzaal te vullen. Al even onoverzichtelijk is de lijst met landen waar ze professioneel actief was. Ze verzamelde airmiles naar bestemmingen zoals Nepal, Ivoorkust, Congo, Kenia, Oeganda en Zuid-Soedan, maar haar echte biotoop is Latijns-Amerika. Weinig landen van Midden- en Zuid-Amerika ontbreken op haar CV, maar de naam van Colombia springt eruit. Een ereburgerschap heeft ze er nog net niet gekregen, maar haar verdiensten voor de Colombiaanse zaak spreken voor zich. An Vranckx kan met recht en rede claimen dat ze een bijdrage heeft geleverd aan het vredesakkoord dat in 2016 een einde maakte aan 50 jaar burgeroorlog.

Haar vakgebied laat zich lastig omschrijven, maar “vredesbevordering in postconflict gebieden” komt aardig in de buurt. Een van haar specialiteiten is de handel in lichte wapens. Vranckx hield exportvergunningen tegen het licht, traceerde wapenleveringen op hun vaak grillige parcours tussen producent en officiële koper, dook in wapendepots van legerkazernes om serienummers te verifiëren. Een van haar bijdragen aan het Colombiaanse vredesproces was overigens het opzetten van een waterdicht controlesysteem voor het registreren en vernietigen van de door de FARC-rebellen ingeleverde wapens. Stof genoeg voor avondvullende gesprekken, maar Vranckx heeft meer op haar repertoire. Volgens de Getuigenbank van het Antwerps Vredescentrum kan ze als spreker worden ingehuurd voor een bonte waaier van thema’s, gaande van bloeddiamanten in Afrika over de War on Drugs en Mexicaanse drugkartels tot het verband tussen Latijns-Amerikaans machismo en geweld.

In de media wordt ze sporadisch als Latijns-Amerika-kenner opgevoerd. Zo ook vorige week  toen Venezuela door een aanslag op president Nicolás Maduro werd opgeschrikt. Het incident was voer voor wilde speculaties. Was het echt een poging om de speechende president via een luchtbombardement met drones te elimineren? De brandweer van Caracas trok zelfs in twijfel of er wel drones in het spel waren, een zegsman verklaarde de explosies door een ontplofte gastank in een appartement nabij het spreekgestoelte. De opeising van de mislukte aanslag maakte er de verwarring niet minder op. An Vranckx maakt er zich al dagenlang vrolijk over. ‘Welke zichzelf respecterende guerrillabeweging noemt zichzelf nu Soldados de Franelas?’, vraagt ze retorisch. ‘Soldaten in T-shirt, dat is een naam voor een operettestaatsgreep. We zullen er wellicht nooit het fijne van weten, maar één ding is zeker: dit komt Maduro goed uit. De aanslag geeft hem de kans om de aandacht af te leiden van de chaos in zijn land. Hij heeft onmiddellijk de oppositie ervan beschuldigd achter de aanslag te zitten, samen uiteraard met buitenlandse vijanden. Ik vrees dat de repressie in Venezuela de komende weken nog zag toenemen’.

Maduro beschuldigde niet alleen de VS als usual suspect, maar ook Juan Manuel Santos, de uittredende president van buurland Colombia, nota bene Nobelprijswinnaar voor de Vrede.  Wat zit daar achter? 

An Vranckx: Een rookgordijn. Kijk naar de timing: de aanslag werd op 4 augustus gepleegd, drie dagen voor het aflopen van Santos’ tweede termijn als Colombiaans president.  Belachelijk gewoon te veronderstellen dat Santos zich met zoiets zou inlaten. Het is anderzijds geen toeval dat Maduro naar Colombia wijst. Honderdduizenden Venezolanen zijn de grens overgestoken, op de vlucht voor de uitzichtloze crisis en chaos in hun land. Ook een deel van de oppositie zit in Colombia.

over Colombia gesproken: hoe bent u eigenlijk in Latijns-Amerika verzeild?

Vranckx: Niet door carrièreplanning. Ik heb een academische achtergrond: na studies Germaanse en internationaal recht in Brussel en wetenschapssociologie in Rotterdam, heb ik bij Jean-Paul Van Bendegem een doctoraat gemaakt. Epistemologie, ik heb toen zelfs een boekje geschreven over de vraag hoe je wetenschappelijke kennis in een niet-exacte omgeving zoals politiek en beleid kunt toepassen. In zekere zin heb ik dat nadien in de praktijk gebracht. Of ik nu illegale handelsstromen doorlichtte of beleidsrapporten schreef, ik vertrok altijd vanuit een wetenschappelijke methodologie. De eerste keer Colombia, dat was in opdracht van IPIS,  het Antwerpse Vredesinformatiecentrum waar ik na mijn doctoraat was verzeild. IPIS was door Pax Christi International aangezocht om het fenomeen van ontvoeringen in Colombia te onderzoeken.

bizar thema… .

Vranckx: Niet in Colombia. Iedereen kent het geval van Ingrid Betancourt, de groene senator en presidentskandidate die in 2002 door de FARC werd ontvoerd en pas zes jaar later door het leger werd bevrijd. Maar ook daarvoor waren ontvoeringen al schering en inslag. Losgeld was een belangrijke bron van inkomsten voor guerrillabewegingen, een manier vooral om wapens te kopen. Niet alleen de FARC pleegde ontvoeringen, in Colombia was wel een half dozijn extreemlinkse guerrillabewegingen actief. Onder de slachtoffers waren veel militairen, maar ook burgers en nogal wat buitenlanders. Colombia was een gevaarlijk land voor expats.

hoe heeft u dat onderzoek aangepakt?

Vranckx: Mijn opdracht was het  voorstellen van een gedragscode. Uitgangspunt was dat er geen losgeld mocht betaald worden. Daarmee financier je immers de guerrilla en geef je de kidnap-industrie vleugels. Als een groep één keer losgeld incasseert, is de kans groot dat ze meteen een volgende ontvoering plant en dat haar voorbeeld door andere bewegingen wordt gevolgd. Simpel was het niet, ik heb snel ondervonden hoe groot het taboe was. Ik klopte aan bij ambassades en ministeries van buitenlandse zaken, ik nam contact met werkgevers van gijzelaars. Ofwel botste ik op gesloten deuren, ofwel werd in alle toonaarden ontkend dat er losgeld werd betaald. Van een Belgische bouwfirma wist ik dat ze 5 miljoen dollar had betaald om een ingenieur vrij te kopen. Toch mocht dat niet gezegd of geschreven worden. De enige die me echt wilde helpen en open kaart speelde, dat was Andrés Peñate, de Colombiaanse directeur Latijns-Amerika van British Petroleum die toen in Londen werkte. Die ontmoeting heeft veel te weeg gebracht. Peñate, een briljante man die in Oxford had gestudeerd, is later viceminister van landsverdediging en baas van de Colombiaanse staatsveiligheid geworden. Maar vooral: hij heeft me geïntroduceerd bij een van zijn beste vrienden, Sergio Jaramillo. Ik ben erg trots dat ik die laatste intussen zelf een goede vriend mag noemen.

Jaramillo, de echte architect van het vredesakkoord met de FARC?

Vranckx: Inderdaad, de man die door president Santos in 2010 werd gemandateerd om in Havana verkennende gesprekken met de FARC aan te knopen. In het grootste geheim, alleen de president en een handvol vertrouwelingen zoals Sergio wisten ervan. Terwijl op het terrein de gevechten en bombardementen doorgingen, raakte Sergio het met de FARC-delegatie eens over de agenda voor de officiële besprekingen die in 2012 in Oslo werden aangekondigd. Hij had lessen getrokken uit vorige pogingen die mislukt waren door de overdreven ambities. Het is immers onbegonnen werk om na een decennialange burgeroorlog alle problemen en geschilpunten met één globaal akkoord op te lossen. De nieuwe vredesdialoog zou daarom tot vijf thema’s beperkt blijven: landhervorming, aanpak van de drugeconomie, de politieke integratie van de FARC met daaraan gekoppeld het vraagstuk van gerechtigheid. Voorts zou er worden gepraat over de erkenning van slachtoffers, terwijl een vijfde subcommissie zich over het ontwapenen van de FARC zou buigen. Sergio heeft het meesterlijk aangepakt. Er is pas een vredesakkoord als over elk van de vijf agendapunten overeenstemming werd gevonden, dat was de afspraak. Weinigen hielden het voor mogelijk, maar in september 2016 was het vredesakkoord een feit.

dat akkoord wekte wereldwijd euforie, president Santos werd een maand later al met de Nobelprijs voor de Vrede bekroond. In die tussentijd echter werd het vredesakkoord in een referendum door een nipte meerderheid van de Colombianen verworpen. Was dat referendum een weeffout in het masterplan?

Vranckx: Integendeel, Sergio had het heel bewust in het vredesakkoord ingeschreven. Hij wilde het scenario van 1984 vermijden, toen het vredesakkoord mislukte omdat het niet door het volk werd gedragen. In dat akkoord kregen de FARC-strijders niet alleen amnestie, maar ze mochten ook hun wapens behouden. Ze komen veel te goedkoop weg, vonden de Colombianen. Dat sentiment leeft nog altijd, de afkeer van de FARC zit er diep in. Sergio besefte dan ook dat het referendum spannend zou worden. Dat het dubbeltje aan de verkeerde kant is gevallen, mag je op het conto van de voormalige rechts-conservatieve president Uribe schrijven. Zijn haat jegens de FARC is niet alleen ideologisch maar ook persoonlijk, zijn vader werd door de FARC ontvoerd en vermoord. Ik heb Álvaro Uribe twee keer ontmoet, die man heeft tonnen charisma. Die heeft hij royaal ingezet in zijn no-campagne, vooral in zijn geboortestad Medellín en de provincie Antioquia was de afwijzing massaal. Maar een streep door Sergio’s rekening? Hij heeft de nee-overwinning handig gebruikt om de FARC opnieuw naar de onderhandelingstafel te dwingen en hen een stuk of 50 aanpassingen te doen slikken. Ik ben optimistisch. De nieuwe president Duque is weliswaar een partijgenoot van Uribe, maar het aangepaste vredesakkoord zal standhouden.

 laat ons raden: het was Sergio Jaramillo die u bij het vredesproces heeft betrokken?

Vranckx: Klopt, maar daarvoor moeten we enkele stappen terug zetten. Ik heb Sergio in 2003 leren kennen. Ook toen liep er een vredesinitiatief, met financiële steun van de Europese Unie. Sergio, die uit Europa was teruggekeerd om voor het ministerie van defensie te werken, zocht naar expertise voor het vredesproces. Van zijn vriend Peñate kreeg hij de tip om mij te contacteren. Het klikte, en zo kwam ik bij de door Sergio opgerichte Fundación Ideas Por La Paz terecht. Colombia heeft mij de ogen geopend. Ik heb er het belang leren inzien van een functionerende staat, een staat die effectief het monopolie op het geweld kan afdwingen. Als linkse Vlaming ben ik nochtans opgegroeid met een frisse afkeer van al wat een uniform draagt. Aan VUB leefde dat sterk. Ik herinner me nog discussies over mijn onderzoek naar de kidnap-industrie. Natuurlijk had de guerrilla het recht om militairen en burgers te ontvoeren en jarenlang te gijzelen, werd er betoogd. Hoe moesten ze anders hun wapens kopen om het kapitalistische bestel omver te gooien? Vanuit de VUB-cafetaria zag de wereld er bedrieglijk simpel uit, maar de realiteit in Colombia was anders. In de streek waar ik werkte, schitterden leger en politie door afwezigheid, de vrouwen in mijn dorpen waren overgeleverd aan gewapende bendes die over elkaar heen buitelden, de FARC, de ELN, de M-19 of de paramilitairen. Die vrouwen wilden niks liever dan dat een reguliere troepenmacht met uniform en al orde en gezag kwam herstellen. Ik heb in Colombia veel respect gekregen voor het leger. Zeker toen Sergio me jaren later opnieuw vroeg, als adviseur voor de vijfde subcommissie die het luik ontwapening van het vredesproces behandelde. Ik heb toen workshops gegeven aan generaals, onder meer over het opbouwen van vertrouwensrelaties in een conflictsituatie. Voor de rest hield ik me vooral bezig met ontwapening, op een heel praktisch niveau. Neem nu de containers met een dubbele sleutel, één voor de FARC en één voor de VN-monitors. Een idee dat ik in Ivoorkust had opgepikt, in de periode toen ik voor de Britse NGO Saferworld door Afrikaanse post-war landen toerde.

België is geen onbekende naam als het over de handel in lichte oorlogswapens gaat. Bent u wel eens illegale schietijzers van FN Herstal tegengekomen?  

Vranckx: Meermaals, zowel in Afrika als in Colombia. Gedemobiliseerde guerrillero’s kwamen het me soms zelf tonen. Kijk, zeiden ze trots, een wapen gemaakt in uw land. Maar om een steen te gooien naar FN? Ik heb jarenlang rapporten over dat bedrijf geschreven, als specialist internationale wapenhandel bij het Waalse onderzoeksplatform GRIP (Groupe de Recherche et d’Informations sur la Paix et la Sécurité). Die rapporten werden door de administratie van het Waals gewest gebruikt om adviezen over exportvergunningen te onderbouwen. Niks op aan te merken, zowel het FN-management als de Waalse administratie speelden het spel correct.

echt waar? Wat dan met de omstreden levering van 2.000 oproerwapens aan het Libië van Khadafi in 2009?

Vranckx: Een schande, ik heb er voor de Europese Commissie een zwartboek over geschreven. De Waalse minister-president Rudy Demotte heeft het negatieve advies van zijn administratie straal genegeerd. Dat krijg je als de politiek er zich mee bemoeit, een scenario dat helaas nooit uit te sluiten valt wanneer het om een wapenproducent gaat die eigendom is van de overheid die de exportvergunningen verleent.

traceren van illegale handel in vuurwapens, hoe begin je daaraan?

Vranckx: Het is een leerproces. Ik ben intussen een expert in wapenstempels, haast onmerkbare tekens die door de producent in een geweer worden gegraveerd. Daarnaast heeft ieder leger eigen herkenningstekens die ze op haar wapens aanbrengt. Daar kun je veel uit afleiden. Als je bepaalde wapens bij de guerrilla in de jungle aantreft, dan weet je dat er sprake is van diversion, wapens die uit een legerdepot zijn verdwenen of er zelfs nooit zijn aanbeland. Ook over verschillende kalibers kun je me niks meer wijsmaken. Ik heb ooit in opdracht van het IPIS een mysterieuze vondst in Colombia onderzocht. Het ging om kalasjnikovs van Oost-Duitse makelij, gedropt in FARC-gebied dicht bij de Braziliaanse grens. Dan denk je: cadeautje van een bondgenoot, misschien wel van de toenmalige Venezolaanse president Hugo Chávez. Tot je naar het kaliber keek. Omdat de wapens afweken van de standaard kalasjnikovs, was er haast geen munitie voor te verkrijgen. Met andere woorden, ze waren nagenoeg nutteloos.

en welke conclusie moeten we daaruit trekken?

Vranckx: Dat het misschien niet om een cadeau van een bondgenoot ging. Het kan toeval zijn, maar kort na het bekendmaken van die verontrustende dropping heeft het Amerikaanse Congres het licht op groen gezet voor een steunprogramma van 1,3 miljard dollar aan het Colombiaanse leger, uitgerekend op een moment toen dat onder zware druk van de FARC stond. De Amerikanen hebben onder meer Black Hawk helikopters geleverd, een echt cadeau dat de krijgskansen heeft doen keren. Overigens, als je in Latijns-Amerika naar de herkomst van illegale vuurwapens zoekt, kom je haast altijd bij el Tío Sam uit. De Amerikaanse hypocrisie op dat vlak is stuitend. Probeer maar eens een flesje parfum het land uit te smokkelen, het zal niet lukken. Maar containers vol wapens exporteren? Geen probleem, zeker niet sinds president Bush in 2004 alle beperkingen op de import en doorvoer van volautomatische wapens heeft opgeheven. Russische of Tsjechische kalasjnikovs, het reist allemaal via de VS naar Centraal- en Zuid-Amerika.

waar ze niet alleen in handen van guerrillero’s vallen, maar vaker nog in die van drugkartels. Vooral in Mexico loopt het geweld van de narco’s de spuigaten uit. Valt dat soort gruwel binnen uw vakgebied?

Vrankcx: Het boeit me absoluut. Journalist en antropoloog Teun Voeten is er een phd over aan het schrijven, en ik ben één van zijn begeleiders. Hij focust onder meer op de ogenschijnlijk absurde wreedheid die bendes in hun onderlinge oorlogen aan de dag leggen. Slachtoffers die met kettingzagen worden bewerkt, verhakkelde lijken die aan bruggen boven de autosnelweg bengelen. Teun beschrijft dat als een vorm van communicatie, en ik volg hem daarin. Het is een manier waarmee bendes rivalen intimideren en hun territorium afbakenen. Overigens, in Mexico valt het nogal mee, het geweld beperkt zich tot enkele provincies, tegenwoordig vooral Guerrero. Alleen vanwege de link met de Amerikaanse markt wordt er zoveel aandacht aan besteed. Honduras, El Salvador en Brazilië kennen veel meer geweld, en ook Venezuela is de voorbije jaren naar de top van de statistieken doorgeschoten.

bewijst het endemische geweld het failliet van de Amerikaanse War on Drugs?

Vranckx: Wat alleszins een fiasco is gebleken, dat is de Amerikaanse poging om de coca-industrie te vernietigen. Met alle mogelijke middelen, van sproeivliegtuigen tot bombardementen. Door de productie te reduceren hoopte men cocaïne uit de markt te prijzen, maar dat is niet gebeurd. Ook bij ons niet, de prijs is merkwaardig stabiel. 50 euro per gram is al twintig jaar het tarief in Antwerpen. De productie is dan ook niet verminderd, integendeel zelfs. Door het ontbreken van alternatieve teelten blijven boeren coca verbouwen. Geef ze eens ongelijk, de plant groeit vanzelf en het is de enige teelt die hen een leefbaar inkomen garandeert. Overigens, de link tussen de drugeconomie en geweld is niet eenduidig. Bolivië en Peru zijn belangrijke cocaïne-producenten, en toch is er opvallend weinig geweld.

hoe verklaart u dat?

Vranckx: Een politieke keuze. Plata o plomo, zeggen ze in Bolivië en Peru, geld of lood. Je kunt de narcos bekampen, maar dan oogst je plomo, kogels. Beter is een oogje dicht te knijpen. Laat de narcos met rust, en dan kun je er nog wat corruptiegeld van opstrijken. Zo ging het trouwens ook in Mexico, tot president Vicente Fox begin jaren 2000 onder Amerikaanse druk de kartels de oorlog verklaarde. Even leek het te gaan lukken. Ladingen werden onderschept, bendeleiders opgepakt, de smokkel naar de States werd effectief gestremd. Maar algauw ontdekte men een vervelend neveneffect: er barstte een genadeloze straatoorlog los tussen bestaande en nieuwe bendes, met als inzet de vrijgekomen posities. Voorspelbaar, want als de nummer één van een bende wegvalt, dan kun je er donder op zeggen dat de nummers twee en drie elkaar naar het leven staan om de baas te spelen. Die geweldspiraal is sindsdien blijven draaien.

wie Latijns-Amerika zegt, denkt er spontaan staatsgrepen en militaire dictators bij. Ergert u zich aan dat cliché?

Vranckx: (lacht). Het is de schuld van Hergé. In Het Gebroken Oor laat hij Kuifje kennismaken met een achterlijk continent vol schietgrage kolonels. De waarheid is dat het de goede kant op gaat. De voorbije twintig jaar heb ik het onderwijs spectaculair zien verbeteren, analfabetisme is haast uitgeroeid. Er is meer democratie en minder geweld, uitgezonderd de blackspots waar we het al over hadden. De allergrootste opsteker, dat blijft toch wel de vrede in Colombia. Het blijft me ontroeren: hoe de Colombianen zonder buitenlandse inmenging uit die put zijn gekropen, louter gedreven door hun geloof in de staat.

Sergio Jaramillo werd enkele maanden geleden tot ambassadeur in Brussel benoemd. Hebben jullie nog contact?

Vranckx: Jazeker, hij heeft het hier naar zijn zin. Na zeven jaar onderhandelen was hij toe aan herbronning, hij heeft in die periode zijn gezin nauwelijks gezien. Ik zag hem onlangs op de televisie met een geïmmobiliseerde arm. Blijkt dat hij zich hier heeft laten opereren voor tendinitis, een gevolg van de 12.000 handtekeningen die hij vorig jaar onder dossiers voor gedemobiliseerde Farc-leden heeft gezet. Mijn bewondering voor zijn inzet is grenzeloos. Sergio komt uit een vooraanstaande familie. Hij heeft in Oxford, Cambridge, Heidelberg en Moskou gestudeerd, en spreekt zes talen waaronder oud-Grieks. Hij had voor een comfortabel leven kunnen kiezen, een kosmopoliet met uitzicht op een internationale topcarrière. Maar nee, hij is uit naar Colombia teruggekeerd om zich achter het vredesproces te scharen. In België is patriotisme haast een scheldwoord, in Colombia een erezaak. Ik heb lang geleden in Audergem een optreden van een folkloristische dansgroep uit Medellín bijgewoond. Er was te weinig plaats, bij de ingang werd haast gevochten voor tickets. Chaos en rumoer alom, tot bij de eerste drumslag iemand de kreet “ai mi pueblo” lanceerde. De hele zaal veerde recht, de hand op  het hart. Mi pueblo, mijn volk, dat betekent echt iets voor Colombianen.

Payoke-bezielster Patsy Sörensen over Bart De Wever en loverboys

Knack, 8 augustus 2018

“Ik weet dat ze het bij de Nationale Vrouwenraad niet graag horen, maar ik heb geen probleem met prostitutie, zolang er geen uitbuiting aan te pas komt”.

Verontwaardiging is de brandstof waarop Payoke-bezielster Patsy Sörensen draait. Officieel is ze met pensioen, maar de tank is nog niet leeg. Vorige week mocht ze voor het eerst een Antwerps burgemeester als bondgenoot in de strijd tegen de mensenhandel in het Schipperskwartier verwelkomen. Laat de gewezen politica van rood en-groen zich voor de N-VA-kar spannen? ‘Zolang het mijn eigen agenda dient, zie ik geen probleem’.

foto: Hatim Kaghat

foto: Hatim Kaghat

 

Antwerpen Linkeroever. Ergens, in een van de vele identieke torenflats, moet oud-burgemeester Bob Cools wonen. Onze chauffeur grijnst als de naam valt. Bob Cools, de man die haar ooit in volle gemeenteraad vroeg of ze misschien de late shift had gedraaid toen ze op een keer met lichte vertraging haar zitje op ’t Schoon Verdiep kwam innemen. Een goede verstaander had maar een half woord nodig. Patsy Sörensen kwam recht van kantoor in het Schipperskwartier. Van bij Payoke dus, destijds in de wandel bekend als hoerenvakbond. Nee, de partijgenoten Cools en Sörensen waren geen kameraden. Maar bestaat er wel zoiets als vriendschap in de politiek? Tijdens het interview zal ze daarover vooral scepsis tonen. Na haar periode bij de Antwerpse socialisten werd Sörensen verruimingskandidaat op een kartellijst met Agalev. De oversteek leverde haar een schepenmandaat op, gevolgd door een verblijf in het Europees parlement. Een thuisgevoel echter heeft ze er niet gevonden. Politieke warmte komt haar tegenwoordig zelfs uit een heel andere windstreek aanwaaien. Sörensen, in binnen-en buitenland gelouwerd voor haar strijd tegen mensenhandel, wordt steeds inniger aan de borst gedrukt door de N-VA. Vorige week nog bracht burgemeester Bart De Wever een in de media breed uitgemeten bezoek aan Payoke om zijn steun toe te zeggen in de strijd tegen het fenomeen loverboys.

Ze parkeert voor haar deur, een voormalige groentenwinkel in een uitgestorven straat. Ze woont graag op Linkeroever, al was de verhuis uit het drukke Schipperskwartier geen vrije keuze. ‘Ik had het toen aan de stok met het Albanese milieu’, vertelt ze terwijl we uitstappen. ‘Een heftige tijd, ik liep permanent met een kogelvrije vest rond, net zoals mijn man en kinderen. Slapen deden we in de kelder, met een baseballknuppel naast ons bed. Dat was geen paranoia. We ontvingen geregeld doodsbedreigingen, en er werd meermaals bij ons ingebroken. We konden bovendien geen stap buiten zetten of er stonden mannetjes op de loer. Het was geen leven meer’. De Nederlandse Bende van de Miljardair, de Georgische en Russische criminelen van het Falconplein, Albanese pooiers en Hongaarse gangsters, aan vijanden had ze nooit een gebrek. Sinds november is ze officieel met pensioen, maar vanuit het Payoke-kantoor zet ze de strijd onverminderd voort. Straf, want tegelijkertijd levert ze op het thuisfront een ander gevecht, als mantelzorgster. Staf, haar man lijdt al drie jaar aan MSA, een zeldzame en dodelijke spierziekte die Vlaanderen pas leerde kennen toen N-VA-kamerlid Flor Van Noppen eraan stierf. Dat ze intussen een dynamisch bestuurslid van de Belgische MSA-patiëntenvereniging is geworden, zal niemand verbazen. Dat de peter van diezelfde vereniging niemand minder is dan N-VA-minister van binnenlandse zaken Jan Jambon, dat heet dan weer toeval.

geen toeval was de komst van Bart De Wever naar het Payoke-hoofdkwartier in Leguit. Maakt de burgemeester zich zorgen over het fenomeen loverboys?

Patsy Sörensen: Met reden, want het probleem escaleert. Payoke heeft het zowat ontdekt, meer dan twintig jaar geleden. Kasten vol rapporten hebben we erover volgeschreven, maar op het terrein gebeurt er weinig of niks. Beste bewijs: we hebben momenteel 50 dossiers in behandeling. Samen met Child Focus hebben we een rapport geschreven voor de Stuurgroep Tienerpooiers die door Vlaams minister van welzijn Vandeurzen (CD&V) werd opgericht. Een wat misleidende naam, ik verkies zelf de term loverboys. De pooiers zijn immers geen tieners, de gemiddelde leeftijd schommelt tussen 18 en 25 jaar. Tieners, dat zijn de slachtoffers die vaak onherroepelijk beschadigd raken als ze in de klauwen van een loverboy vallen. Onze voornaamste eis is het oprichten van een gespecialiseerd opvangcentrum. We zijn dan ook erg blij dat De Wever zich daar heeft achter geschaard. Als burgemeester, maar ook als partijvoorzitter. Dat is geen detail, want zo’n centrum hoeft niet per se in Antwerpen te staan. Liever niet zelfs, hoe mee afstand tussen slachtoffers en pooiers, hoe beter.

bestaat er dan geen opvang voor slachtoffers?

Sörensen: Toch wel, ze belanden in de bijzondere jeugdbijstand, in gesloten instellingen zoals Beernem of Mol. Helaas werkt dat van geen kanten. Slachtoffers hebben niet alleen psychosociale en pedagogische begeleiding maar ook politioneel toezicht nodig. Nu staan de pooiers hen letterlijk bij de poort op te wachten als ze worden ontslagen. In Mol zitten daders en slachtoffers zelfs samen, sommige loverboys zetten er hun handeltje gewoon verder. Ze geven met de gsm instructies aan handlangers: zorg ervoor dat meisje x zich vanavond naar adres zus of zo begeeft. Het gebeurt ook dat slachtoffers als daders worden behandeld, zoals meisjes die door hun loverboy werden verplicht om andere meisjes te rekruteren. We roepen al jaren om een gespecialiseerd centrum, zoals dat bij ons bestaat voor slachtoffers van internationale mensenhandel. Dat is het schrijnende van de zaak: als Payoke kunnen we wel Nigeriaanse of Albanese slachtoffers helpen en opvangen, maar voor Belgische  minderjarige slachtoffers kunnen we niks doen.

ik kan me inbeelden dat die wantoestand bij N-VA een gevoelige snaar raakt. Net zoals ik me kan voorstellen dat de hele missie van Payoke kan ingepast worden in de strijd tegen de internationale mensensmokkel, een uitwas van migratiecrisis waarvan enkele N-VA- excellenties hun handelsfonds hebben gemaakt. Loert er geen gevaar voor politieke recuperatie?

Sörensen: Je m’en fous! Natuurlijk heeft de N-VA een eigen agenda, zo werkt dat altijd in de politiek. Maar waarom zou ik daar wakker van liggen als die agenda mijn eigen zaak dient? Ik volg de politiek op de voet, ik heb op kieslijsten gestaan en mandaten opgenomen. Maar ik ben nooit een echte politica geweest, politiek was voor mij altijd een middel tot. En jawel, ik heb er veel mee bereikt. De uitbouw van Payoke, nationale wetgeving op mensenhandel, zelfs regelgeving op Europees niveau. Maar ik ben binnen mijn eigen partij vaak op muren en tegenkanting gebotst, bij de socialisten en later ook bij Agalev. Niettemin, ik was er niet gerust op toen de N-VA hier in 2012 de verkiezingen won. De Wever had mij in een interview een extreemlinkse Trotskiste genoemd, bepaald geen koosnaampje in zijn mond. En die man zou burgemeester worden? Nu gaan we het krijgen, dacht ik. Welnu, die vrees bleek ongegrond. Het nieuwe stadsbestuur heeft zich vanaf dag één constructief opgesteld. Zo hebben we een uitstekend contact met OCMW-schepen Fons Duchateau. Ik kan het ook niet helpen, maar de N-VA doet echt moeite voor ons. Niet alleen in Antwerpen, Zuhal Demir vecht als staatssecretaris voor onze financiering. Broodnodig, want de huidige regeling verplicht ons ieder jaar weer om voor onze werkingssubsidies te bedelen. Ook dat hebben we hebben we vorige week bij De Wever aangekaart, en hij heeft beloofd er wat aan te doen. Zijn bezoek is trouwens flink uitgelopen. De Wever staat bekend als een koele kikker, maar bij ons was hij een en al empathie. Ook met Jan Jambon en Theo Francken schiet ik goed op, ze zijn zich allebei al uitvoerig over onze werking komen informeren.

al een partijkaart overwogen? Kost bij de N-VA maar 12,50 euro…

Sörensen (lacht). No way, ik sta op mijn onafhankelijkheid. Het is niet omdat ik met Theo Francken praat, dat ik zijn standpunten over migratie onderschrijf. Fort Europa is niet mijn ideaal. Het blokkeren van alle legale migratiekanalen duwt duizenden Afrikanen in de armen van mensenhandelaars, dat zal je niet gauw uit Franckens mond horen. Overigens, Payoke heeft ook een prima verstandhouding met het kabinet van justitieminister Geens. Moet ik dan misschien ook een CD&V-partijkaart kopen? Nee toch.

klopt Bart De Wevers bewering dat hij de allereerste Antwerpse burgemeester is die een werkbezoek aan Payoke heeft gebracht?

Sörensen:  Ongelooflijk, vind je niet? Koning Boudewijn is in 1992 bij ons geweest, jaren later ook koningin Paola. We hebben ministers over de vloer gehad, buitenlandse delegaties volgen elkaar op. Maar onze eigen burgemeester? Daarvoor hebben we moeten wachten tot vorige week. Okay, ik had De Wever zelf uitgenodigd, nadat hij Payoke tijdens de presentatie van het nieuwe beleidsplan prostitutie een compliment had gegeven. Ik was er die dag zelf niet bij, maar Klaus, mijn opvolger als directeur, viel haast van zijn stoel van verbazing.

hoezo, verbazing?

Sörensen: Het was toch wel een historisch moment. Payoke en Antwerpse burgemeesters, dat is altijd een moeilijk verhaal geweest. Voor Bob Cools was ik de gebeten hond. Met zijn opvolgster Léona Detiège kwam ik beter overeen, ik was toen schepen voor Agalev. Maar ook zij is nooit bij Payoke langs geweest. Met Patrick Janssens had ik dan weer nauwelijks contact. Ja, hij is een keer bij ons over de drempel geraakt. Per ongeluk haast, het was niet gepland. Janssens leidde die dag een Waals politicus rond in het Schipperskwartier. Zijn naam ontglipt me, maar ik had hem kort voordien tijdens het nationaal défilé op 21 juli leren kennen. Toen de delegatie onze voordeur passeerde, wilde hij per se een bezoekje brengen om gedag te zeggen. Met een zuur kijkende  burgemeester in zijn kielzog, hij is zelfs de trap niet opgelopen. Janssens zag Payoke niet zitten, hij vond dat ons werk beter door het OCMW of andere overheidsinstellingen kon worden gedaan.

waarom die animositeit? Payoke is snel doorgegroeid van een soort vakbond voor prostituees tot een nationaal en internationaal erkend expertisecentrum inzake mensenhandel. Toch wel een instelling waarop een progressieve burgemeester trots kon zijn?

Sörensen: Tja, waarom is het scheef gelopen? Botsende karakters zullen wel een rol gespeeld hebben. Naar het schijnt ben ik ben niet altijd even diplomatisch. (lacht) Maar natuurlijk was er meer aan de hand. Bob Cools is een intelligente man, maar hij had het moeilijk met een partijgenoot die het openlijk voor prostituees opnam. En vooral: hij nam me kwalijk dat ik zijn plannen voor de opkuis van het Schipperskwartier tegenwerkte. Het ging om mijn eigen buurt, ik denk dat ik alle 4.000 inwoners persoonlijk kende, uiteraard ook de prostituees, in die tijd vooral Belgische, Franse en Nederlandse meisjes. Ik zag de overlast en de problemen, een sanering was noodzakelijk. Maar ik verzette me tegen de willekeur van Cools die in sommige straten met één pennentrek alle bars en ramen wilde schrappen. Het bezoek van Koning Boudewijn aan Payoke heeft onze relatie geen deugd gedaan. Cools was er niet bij, maar de hele démarche werd als een signaal geïnterpreteerd, een striemende terechtwijzing van de burgemeester en andere falende instanties. We spreken hier over de periode toen ik samen met Chris De Stoop de Bende van de Miljardair op de kaart heb gezet, het echte startschot in de strijd tegen de mensenhandel. Die affaire heeft uiteindelijk tot een complete breuk met de socialistische partij geleid.

hoe dan wel?

Sörensen: Ik heb er in 1994 zelf een boek over geschreven, “Maskers af”.  Daarin noem ik man en paard, ook de namen van partijleden die zich door het prostitutiemilieu hadden laten corrumperen. Niet alleen de Antwerpse partijtop was boos, ook voorzitter Frank Van den Broucke reageerde woedend. Pijnlijk, want ik zat destijds samen met onder meer Steve Stevaert, Johan Vande Lanotte en Anne Van Lancker in de Domino-groep over de partijvernieuwing te brainstormen. Na de breuk hebben Paul Goossens en Tom Lanoye me de weg gewezen naar Agalev. Zo ben ik dus schepen geworden en heb ik het Antwerpse prostitutiebeleid in een nieuwe bedding kunnen leggen. Het was een spannende periode, vooral de besprekingen over de toekomst van het Schipperskwartier die in het grootste geheim verliepen. Lastig als je zelf in de buurt woont en werkt. Ik wist perfect wie bij het plan zou winnen en wie zou verliezen, maar ik mocht geen woord lossen. Uiteindelijk raakte het plan, dat ook al voorzag in de komst van een megabordeel, goedgekeurd, vlak voor mijn vertrek naar het Europees parlement. Eindelijk verlost van die lastpak, moeten ze in Antwerpen hebben gedacht. Ook bij Agalev, want het is geen geheim dat ik niet bijster goed kon opschieten met Mieke Vogels. Onder Patrick Janssens werden de relaties met de Stad alleen maar slechter. De contacten verliepen via OCMW-voorzitser Monica De Coninck, iemand die ik al lang kende. Toch heeft uitgerekend zij geprobeerd ons uit het pand in Leguit te zetten, een eigendom van de stad. Gelukkig stond er toen hoog bezoek gepland: koningin Paola. Er moeten beelden van bestaan: Paola die Monica De Coninck voor de camera vraagt hoe het nu zit met de huisvesting van Payoke…

ingeving van het moment?

Sörensen  Laat ons zeggen dat de koningin haar huiswerk goed had gemaakt. En dat wij haar daarbij een handje hebben geholpen. (schaterlacht). Feit is dat haar bezoek zijn effect niet heeft gemist. Ineens hing De Coninck aan de lijn met de vraag om de uitzettingsbrief te verscheuren. We hebben er niks meer van gehoord en huizen nog altijd in Leguit.

foto: Hatim Kaghat

foto: Hatim Kaghat

Payoke heeft blijkbaar een rechtstreekse lijn met Laken. Wijlen koning Boudewijn was zoals bekend geschokt door de verhalen die Chris De Stoop in dit blad publiceerde over moderne slavernij in de rosse buurten van zijn rijk. Op 28 oktober 1992 bracht hij een verrassingsbezoek aan Payoke om er met slachtoffers te praten, wat aanleiding gaf tot zoutloze grappen over Boudewijn die voor het eerst naar de hoeren ging. Hoe belangrijk was dat bezoek voor Payoke?

Sörensen: Enorm, dat heeft alles veranderd. Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Eerst dat verrassende telefoontje: van Ypersele, de kabinetschef van Boudewijn aan de lijn. Dat de koning Payoke wilde bezoeken. En of wij een scenario konden bedenken? Ik ben toen naar Laken moeten rijden om alle details te bespreken. Voor de buitenwacht was het een verrassingsbezoek, maar in feite kwam er geen improvisatie aan te pas. Na Boudewijns passage gingen ineens alle deuren open. Ministers, staatssecretarissen, topambtenaren en hoge politieofficieren, ze stonden in de rij om met ons te praten. Boudewijn heeft veel meer gedaan dan een luisterend oor verlenen aan enkele gewezen prostituees, hij heeft zich met zijn volle gewicht achter onze eis geschaard om aan slachtoffers van mensenhandel een verblijfsstatuut en opvang te geven. Met resultaat, dat statuut is er opvallend snel gekomen. Mede dank zij Boudewijn is ons land een koploper geworden in de strijd tegen mensenhandel, met Payoke als expertisecentrum. Dat is geen overdrijving. In 2014 hebben de Belgische, Nederlandse en Hongaarse justitie een bende opgerold die in twee jaar tijd 400 meisjes in Gent en Den Haag had geplaatst. Het Belgische luik van het onderzoek, dat hebben wij samen met het Gentse parket gevoerd. Als het over mensenhandel gaat, komt ook het federaal parket haast altijd bij Payoke aankloppen. Ik ben de voorbije vijfentwintig jaar de halve wereld rondgereisd om onze aanpak toe te lichten. Europol, Frontex, de VN blauwhelmen, ik ben overal gaan spreken. Cuba heeft me uitgenodigd, rechtstreeks via Castro’s dochter die per se iets wilde ondernemen tegen de mensenhandel in haar land. Ik heb in China, Afghanistan, Nigeria, Albanië en Irak gewerkt. Naar Syrië ben ik vijf jaar op en af gereisd, tot daar de burgeroorlog uitbrak.

wat deed u daar?

Sörensen: Ik werd gevraagd door de Syrische ambassadeur bij de Europese Unie. Bedoeling was twee vluchthuizen uit de grond te stampen, in Damascus en Aleppo. Het plan kreeg de rechtstreekse steun van het regime, vooral mevrouw Assad was er nauw bij betrokken. We kregen dus alle medewerking, maar tegelijkertijd voelde je dat er iets niet in de haak was. Syrië was een echte politiestaat. Iedereen wantrouwde iedereen, ook wij werden constant in de gaten gehouden. Ik heb er zelf de stekker uitgetrokken kort voor de burgeroorlog uitbrak, maar de tekens aan de wand waren duidelijk. Vlak naast ons opvanghuis in Damascus was een pand waar de politie opposanten folterde, we konden het gewoon horen. Een van onze meisjes, pas bevallen na een verkrachting, werd weggehaald en naar het martelcentrum gebracht. Omdat haar broer een terrorist was, zo werd er gefluisterd. Dat fluisteren mag je letterlijk nemen, want door de angstcultuur durfde niemand hardop te praten over gevoelige zaken. We hadden een arts in dienst, een Mexicaanse die met een Syriër was getrouwd. Soms werd ze door de buren opgevorderd om gemartelde slachtoffers weer op te lappen of bij te brengen.

het ontbreekt in uw carrière niet aan sterke anekdotes. U werd met de dood bedreigd, aangevallen met een bunsenbrander, raakte verwikkeld in nachtelijke achtervolgingen in Limburgse bossen. Het is maar een greep uit de voorbereidende research. Allemaal waarachtig of ietwat aangedikt door journalist of verteller?

Sörensen: Allemaal echt gebeurd. Kijk, ik ben van nature nieuwsgierig. Als een onbekende me belt en zegt dat hij me na zonsondergang op een afgelegen plek wil spreken, dan ga ik er naartoe, louter om te weten wat er dan gaat gebeuren. En wees gerust, ik heb nog niet alles verteld. Zoals die keer in dat megabordeel in Szentendre, een stad vlakbij Boedapest. Het moet 1995 zijn geweest, ik had me er binnen gebluft als eigenares van een Luxemburgs bordeel op zoek naar nieuwe meisjes. In feite was ik er om een spoor na te trekken, het had te maken met hardcore pornovideo’s die toen in Hongarije werden gedraaid. Ik zie die club nog zo voor me: tientallen meisjes, het krioelde er van de Russische maffiosi. Ik heb toen nog een meisje helpen ontsnappen dat op het punt stond aan een pooier re worden doorverkocht.

na dertig jaar kunt u de balans opmaken: is de mensenhandel op zijn retour?

Sörensen: Nee. Het is net zoals met drugs, er valt zoveel geld mee te verdienen, dat het nooit zal verdwijnen. We hebben de voorbije dertig jaar natuurlijk een enorme weg afgelegd in de bestrijding van het fenomeen. Helaas loopt het de laatste tijd weer wat stroever, omdat de strijd tegen het terrorisme bij de politie veel energie en mankracht heeft weggezogen. Prostitutie trekt de meeste aandacht, maar in feite is dat misleidend. Mensenhandel gaat veel breder, Payoke vangt tegenwoordig meer slachtoffers van economische dan van seksuele exploitatie op, vooral mannen zelfs. Ook daar hoor je schrijnende verhalen. Mannen en vrouwen die op weg naar Europa werden mishandeld en vernederd, om zich hier vervolgens in abominabele omstandigheden te laten uitbuiten. Ze wassen auto’s in de carwash, kloppen marathondiensten in nachtwinkels en restaurants,  maken wc’s schoon, als ze al niet gedwongen worden om te bedelen. Altijd voor een hongerloon, want het echte geld gaat naar de mensenhandelaars. Het is je reinste slavernij.

heel wat feministen ijveren voor een verbod op prostitutie. Zoals in Zweden, waar klanten van prostituees worden vervolgd. U heeft die piste altijd afgewezen. Waarom?

Sörensen: “Ik weet dat ze het bij de Nationale Vrouwenraad niet graag horen, maar ik heb geen probleem met prostitutie, zolang er geen uitbuiting aan te pas komt”. Dat is trouwens altijd al de visie van Payoke geweest: we vechten niet tegen prostitutie maar tegen mensenhandel. Kijk, Nigeriaans meisjes zitten haast altijd in de greep van een voodoopriester, nog zo’n fenomeen dat Payoke een kwarteeuw geleden als eerste heeft gesignaleerd. We werden toen bij de politie uitgelachen, het ging er niet in dat meisjes konden afgedreigd worden met een morsig zakje met wat haarlokken, vingernagels of bloederige smurrie. Intussen weten ze wel beter, dat morsig zakje is haast altijd een sterke aanwijzing voor mensenhandel. Maar wat ik daarmee bedoel: Payoke heeft al heel wat Nigeriaanse meisjes geholpen om met hun voodoopriester te breken. Toch zie je dat sommige van die meisjes na hun verblijf in ons centrum vrijwillig naar het vak terugkeren. Dat lijkt onbegrijpelijk, maar je moet het vanuit hun standpunt bekijken. Na jaren van uitbuiting krijgen ze eindelijk de kans om voor eigen rekening te werken en er echt aan te verdienen. Een jaar in de prostitutie, en ze kunnen met opgeheven hoofd en een gevulde portefeuille naar Nigeria terugkeren. Daar heb ik geen probleem mee.

op jullie website staan schokkende getuigenissen. Meisjes die jarenlang brutaal werden mishandeld, of door hun eigen moeder aan pooiers worden verkocht. Dat heet dus dagelijkse kost bij Payoke. Hoe houdt u dat al dertig jaar vol? Met een dikke laag eelt op de ziel?

Sörensen: Nee, geen eelt op de ziel. Dat zou dodelijk zijn voor de motivatie. Ik word nog altijd kwaad als ik met zulke toestanden word geconfronteerd. Verontwaardiging is de brandstof waarop ik draai.

Veenbrand in de Marokkaanse Rif

Knack, 20 juni 2018

Al 20 maanden sluimert in de Marokkaanse Rif een volksopstand. Terwijl de historische leiders van de Hirak in Casablanca voor de rechter verschijnen, slaan hun medestanders terug met een boycot van Danone-producten. De Vlaamse en Nederlandse diaspora leeft intens mee, zo blijkt uit het essaybundel ‘Opstand in de Rif’.

opstand in de rif HRvk1

Tussen de steekvlammen van de internationale politiek blijven veenbranden vaak onopgemerkt. In de Rif, een door Berbers bewoonde regio in het Noorden van Marokko, smeult zo’n vuur. Op 28 oktober 2016 sloeg de vlam in het stro, nadat in provinciehoofdstad Al Hoceima een jonge vishandelaar in een vuilniswagen werd verpletterd tijdens een dispuut met de politie over een lading illegaal gevangen zwaardvis. De Hirak was geboren, een volksopstand die teert op historische frustraties van de Riffijnen die zich al decennialang politiek, economisch en cultureel gediscrimineerd voelen. Nasser Zefzafi, een gsm-reperateur uit Al Hoceima, werd het gezicht van het geweldloze massaprotest dat veel weerklank kreeg in de Europese diaspora. Vooral België, Nederland, Spanje en Duitsland tellen grote gemeenschappen uit een verarmde regio die de voorbije 60 jaar een derde van zijn bevolking zag emigreren. Terwijl de internationale mediabelangstelling taande, nam de repressie van de Marokkaanse overheid toe. In april begon in Casablanca het monsterproces tegen de een jaar eerder gearresteerde Zefzafi en 53 van zijn medestanders. Rachida Lambrabet wijst op het contrast: in de rechtbank in Casablanca zaten welgeteld twee Europese politici als waarnemers, niks vergeleken bij de mobilisatie voor de politieke processen tegen Erdogan-critici in Turkije. De Vlaamse schrijfster en activiste, zelf van Riffijnse oorsprong, leverde een bijdrage aan het pas verschenen essaybundel ‘Opstand in de Rif’. De auteurs, overwegend Vlaamse en Nederlandse Riffijnen, klagen zowel de repressie in Marokko als het stilzwijgen van Europa aan.

Nergens klinkt dat stilzwijgen luider dan in België, vernemen we van samensteller Btisam Akarkach die zelf een bijdrage over de rol van sociale media en burgerjournalisten schreef. ‘Het verschil met Nederland is frappant’, zegt ze. ‘Niet alleen de media maar ook de politiek besteden er veel meer aandacht aan de crisis in de Rif. De enige twee Europese waarnemers op het proces in Casablanca waren trouwens Nederlandse politici, de PvdA’sters Kati Piri en Lilliane Ploumen’.

hoe verklaart u dat verschil?

Btisam Akarkach: België doet er ook alles aan om Marokko niks in de weg leggen. Het land wordt gezien als een cruciale bondgenoot in de strijd tegen de terreur, en een partner waarmee we zaken willen doen of afspraken maken over de terugname van illegale migranten. Onlangs kregen we daar een sterk staaltje van te zien, toen minister van buitenlandse zaken Didier Reynders (MR) in Rabat een Leopoldsorde uitreikte aan Driss El Yazami, de voorzitter van de Nationale Raad voor de Rechten van de Mens.

toch een mooi humanitair gebaar?

Akarkach: Niet als je de rol kent die El Yazami in het drama van de Rif speelt. Als voorzitter van de nationale mensenrechtenraad heeft hij de massa-arrestaties en mensenrechtenschendingen nooit veroordeeld maar integendeel geminimaliseerd. Dat terwijl Riffijnen zelf van een terugkeer naar de Loden Jaren spreken, de drie decennia onder Hassan II die vooral in de Rif door genadeloze onderdrukking werden gekenmerkt. Politieke moorden zoals toen worden er nu niet gepleegd, maar Riffijnse activisten worden aan de lopende band gearresteerd, en in de gevangenissen wordt weer gefolterd en verkracht. Volgens Amnesty International worden op het proces van Casablanca onder dwang afgelegde getuigenissen gebruikt als bewijsstukken à charge. Intussen wordt de pers steeds meer gemuilkorfd. Verschillende journalisten zitten in de gevangenis, anderen zijn het land ontvlucht. De repressie treft vooral burgerjournalisten en internetactivisten, de mainstream media zijn namelijk erg dociel. De overheid legt servers plat en blokkeert accounts, een heus trollenleger is permanent in de weer om de Hirak te verdoezelen of verdacht te maken.

hoe is de stemming in Al Hoceima, de hoofdstad van de gelijknamige provincie die nog altijd het epricentrum van de Hirak is?

Akarkach: De repressie laat zich voelen, straatprotest is de facto onmogelijk geworden. Bij eerdere demonstraties werden al 2.000 betogers opgepakt, 500 zitten nog altijd vast. Ik heb zelf gezien hoe hard het er aan toegaat toen ik vorige zomer de begrafenis bijwoonde van een jongen die door een politiekogel werd geveld. De binnenstad was hermetisch afgegrendeld, agenten gooiden met stenen, terwijl anderen de betogers filmden, wat de volgende dagen tot een nieuwe golf van arrestaties leidde.

met stenen gooiende agenten? Vlogen de projectielen niet in de andere richting?

Akarkach: Nee, de Hirak is principieel geweldloos. Dat heeft Nasser Zefzafi altijd benadrukt, zelfs vanuit de gevangenis. Alle mobilisaties via de sociale media gaan gepaard met dezelfde oproep: pleeg geen geweld en reageer niet op provocaties. Bij betogingen lopen eigen ordediensten mee om heethoofden in toom te houden.

Europa is er niet helemaal gerust op. De frustraties in de Rif krijgen veel weerklank in grootsteden zoals Rabat, Tanger en Casablanca. Gevreesd wordt dat de opstand tot een nieuw hoofdstuk in de Arabische Lente kan escaleren. Terecht?

Akarkach: Nee, dat is een frame van het regime. Hoe valt anders te verklaren dat de Hirak al anderhalf jaar zijn geweldloze karakter weet te behouden, ondanks de toenemende repressie? Dit is geen revolutie maar een burgerbeweging die alleen maar redelijke eisen stelt, concrete maatregelen tegen achterstelling van de Rif, zoals een eigen universiteit, een volwaardig ziekenhuis, investeringen in infrastructuur en werkgelegenheid. Anders dan de 20 februari-beweging van 2011 wil Hirak de monarchie niet afschaffen of de regering omverwerpen. Er zijn nog meer verschillen De 20 februari-beweging, de Marokkaanse episode van de Arabische Lente die in de Rif veel aanhangers telde, werd getrokken door intellectuelen die over de hoofden van het volk spraken. Letterlijk, ze gebruikten woorden die de doorsnee Riffijn niet eens snapte. De leiders van de Hirak hebben daar lessen uit getrokken, ze spreken de taal van het volk. Riffijns, maar even goed Darija, Marokkaans Arabisch. Er waren zelfs plannen om ook in het Frans, Nederlands, Duits en Spaans te communiceren, kwestie van de jongeren in de diaspora nauwer te betrekken. Die betrokkenheid is nieuw en voor het regime erg verontrustend, wat blijkt uit de repressie die nu ook de diaspora treft. De procureur van Casablanca heeft een zwarte lijst opgesteld met tien online activisten uit verschillende Europese landen. Ze riskeren in Marokko te worden opgepakt, zoals vorige week effectief is gebeurd met de Belgische Facebook-activist Wafi Kajoua.

het hirak-proces van Casablanca nadert zijn ontknoping. Opvallende afwezige is Nawal Ben Aïssa, de jonge vrouw die na de arrestatie van Zefzafi het leiderschap waarnam. Wat is er van haar geworden?

Akarkach: Ze is in februari al veroordeeld tot een voorwaardelijke straf en een geldboete, een effectieve manier om haar als moeder van drie monddood te maken. Dat doet niks af aan haar historische verdienste, voor vrouwen in de conservatieve Rif is ze een rolmodel.

Mohamed VI werd bij zijn aantreden in 1999 ingehaald als een reformistisch monarch, de antipode van zijn autoritaire vader Hassan II. Onder zijn bewind werden democratische vrijheden hersteld, terwijl de jonge koning zich persoonlijk inspande om de banden met de Riffijnen aan te halen. Hoe staat hij tegenover de Hirak?

Akarkach: Dat vraagt iedereen zich af. De koning schittert door afwezigheid. Niet alleen in dit dossier, in heel Marokko spreken ze van de virtuele koning die alleen nog met selfies van zijn familie uitpakt. Het is waar dat in de eerste jaren van zijn bewind hervormingen werden doorgevoerd, zoals meer persvrijheid. Dat duurde totdat journalisten kritische vragen gingen stellen bij de verknoping van politieke en economische belangen binnen de makzhan, een onvertaalbaar begrip dat voor de het establishment van monarchie en centrale overheid staat. Ik heb vorig jaar in Al Hoceima de nationale feestdag met de koninklijke speech meegemaakt. Wat me frappeerde waren de ambigue gevoelens van hoop en wantrouwen bij de Riffijnen. Hoop, want het gerucht liep dat de koning gratie zou verlenen aan de gevangen Hirak-leiders. Toch overheerste de scepsis. Ik wilde de historische speech in een café bijwonen. Bleek dat ze de satellietzender niet konden vinden, omdat er nooit naar een kanaal van de overheid werd gekeken. Uiteindelijk heeft koning geen gratie verleend, maar wel het machtsvertoon van de ordediensten in de Rif goedgepraat. Ik ben meermaals bij Ahmed Zefzafi, de vader van Nasser, thuis geweest. Volgens hem verschilt Mohamed VI helemaal niet veel van Hassan II.

hoe moet het verder met de Hirak?

Akarkach: De alertheid van de diaspora is groter dan ooit. In Marokko dwingt de repressie tot creativiteit. Zo werd onlangs via Facebook een boycot gelanceerd tegen drie bekende merken waarin de makzhan grote belangen heeft. Behalve een keten van pompstations worden ook de Marokkaanse Danone-producten geviseerd. Die oproep is een groot succes, en niet alleen in de Rif. De Hirak is nog niet dood.

 

Opstand in de Rif, Btisam Akarkach (red), Epo, 182 pag, 20 €