Tagarchief: N-VA

Sociolinguist Jan Blommaert over de ontbolsterende algoritmocratie

‘Mijn optimisme is niets anders dan strijdvaardigheid’

Knack Magazine, 28 juli 20202

De linkse academicus Jan Blommaert introduceerde het begrip superdiversiteit in Vlaanderen, achtervolgt de N-VA met de hashtag #extreemrechts en stelde 30 jaar geleden voor om een stolp over het Afrikamuseum te plaatsen. Ondanks een terminale kanker mag dit gesprek geen terugblik heten. ‘Aangezien de kaarten zo slecht liggen, kunnen wij ons niet veroorloven om niets te doen.’

door Simon Demeulemeester en Erik Raspoet, foto’s Franky Verdickt

Met zijn breedgerande hoed en rijzige gestalte is Jan Blommaert (59) een bekende verschijning in de Statiestraat in Oud-Berchem. De gezelligste buurt van Antwerpen, beweert deze uit Gent ingeweken halve Brusselaar. Hij heeft er een boekje over geschreven, dat tot zijn verbazing vertaald werd in het Tsjechisch. ‘Minder dan honderd pagina’s, maar ze hebben me wel tien jaar gekost’, zegt hij met gevoel voor zelfspot. ‘Ik liep rond, noteerde alles. Kwam ik twee weken later op dezelfde plek terug, dan bleek er van alles veranderd. Weer een nieuwe Marokkaanse bakker of een Turkse pittabar, en dat Nigeriaanse  gebedshuis bleek ineens ook Braziliaanse gelovigen aan te trekken. Na een tijd zag ik mijn vergissing in. Ik ging tewerk als een schilder die van zijn model verwacht dat het stil blijft zitten. Maar hier staat het nooit stil, alles is voortdurend in beweging’.

Oud-Berchem werd onder zijn pen opgevoerd als schoolvoorbeeld van superdiversiteit, een begrip dat hij als sociolinguïst in Vlaanderen heeft gemunt. Wie superdiversiteit zegt, denkt er van de weeromstuit migratie en politieke controverse bij. Blommaert weet er alles van, hij mengt zich al dertig jaar als polemist met scherpe meningen in het maatschappelijk debat. Links en kritisch luidt de hoofding van zijn persoonlijke blog waarop onder meer te lezen valt waarom hij voor de PVDA van Peter Mertens stemt. Veel van zijn publicaties, zowel academisch als polemisch, gaan over taal en andere communicatievormen die ons handelen en denken vormgeven, vaak zonder dat we er zelf erg in hebben. Geregeld echter steekt zijn eerste liefde de kop op. Blommaert heeft in een ver verleden Afrikanistiek gestudeerd. Zeer onlangs leverde hij een hoogst lezenswaardige bijdrage aan het debat over de koloniale monumentenstrijd.

Maar ook dit: Jan Blommaert is dodelijk ziek, een tegenslag waar hij geen geheim van maakt. ‘Het is ironisch’, zegt hij. ‘Ik hen mijn hele leven gerookt als als een stoomboot, en dan krijg ik een kanker die volgens de oncologen niets met roken te maken heeft. De plek waar mijn tumor zit, vlak onder de stembanden, is medisch niemandsland. Daar hebben specialisten dus ruzie over gemaakt: viel dit onder de longen of was het meer iets voor de mannen van neus -keel- en oren?.’  Zijn gevoel voor humor is niet aangetast, net zomin als zijn academische reflex. Vanaf zijn ziekbed observeerde Blommaert de nieuwe communicatievormen die tijdens de corona-epidemie gemeengoed zijn geworden. ‘Op het hoogtepunt van de epidemie was ik voor behandeling in het ziekenhuis. Uiteraard in strikt isolement. Ik sprong een gat in de lucht omdat ik mijn gsm mocht bijhouden. Voor ons patiënten was dat een echte levenslijn om belangrijke boodschappen aan het thuisfront over te brengen. ‘Breng eens een schone pyjama’, maar ook ‘Ik heb vernomen dat ik terminaal ben, de sociale dienst gaat u bellen’. Als sociolinguïst was het een interessante ervaring.  We voeren aan de universiteit van Tilburg onderzoek naar communicatie die zich steeds meer op het snijpunt tussen off- en online afspeelt. De voorbije maanden is gebleken dat online offline niet zomaar kan vervangen, want de twee zijn wezenlijk verschillend. Maar wat waren we blij met al die digitale opties!’

Wat doet een sociolinguïst precies?

Blommaert: De sociolinguïst gaat uit van een robuust beginsel uit de sociologie, met name dat de mens pas sociaal wordt wanneer hij communiceert, en bekijkt alle gedragingen die daarmee samenhangen. Wie praat met wie, waarom, waarover en op welke manier? Geloof me, er bestaat geen betere plek om dat te onderzoeken dan Oud-Berchem: hier worden meer dan 100 talen gesproken, met als grote gemene deler het Nederlands – of toch erg benaderende varianten ervan. We leven in boeiende tijden: ons communicatiemodel wordt compleet hertekend.

Wat bedoelt u?

Blommaert: (tekent schema op blad papier). Neem de communicatie van Donald Trump. Het is niet hij die bepaalt wie zijn tweets leest, dat doet een algoritme. En het zijn ook niet zijn 83 miljoen volgers die alleen beslissen wie van hun volgers de presidentiële tweets op hun feed te zien krijgen. Algoritmes zorgen ervoor dat een boodschap laag per laag doorsijpelt, tot bij bestemmelingen die initieel niet eens geïnteresseerd waren. Wie dat systeem beheerst, heeft enorme macht. De macht van algoritmes van bedrijven als Twitter, Facebook en Google is zo groot dat we stilaan van een algoritmocratie mogen spreken.

Dat rijmt wel met democratie, maar valt het ermee te verzoenen?

Blommaert: Ik kan alleen vaststellen dat geen enkele politiestaat ooit zoveel macht heeft kunnen concentreren als die internetgiganten, daar kon de Stasi enkel maar van dromen. Het is toch kras dat zelfs de grootste inlichtingendiensten bij Facebook moeten sméken om gegevens van bepaalde gebruikers in te kijken? Ik ben niet tegen technologie op zich, die beschouw ik als neutraal. Het zijn de achterliggende ideeën die we kritisch moeten onderzoeken. Het is fascinerend hoe onbevangen consumenten omspringen met hun persoonlijke gegevens. Gretig koppelen ze al hun klantenkaarten in één app, zonder te beseffen dat hun data daarmee nog gemakkelijker kunnen worden geoogst én geëxploiteerd. De zwakte van die algoritmes, is dat de sociologische verbeelding erachter nog altijd gebaseerd is op de offline wereld.

Wat bedoelt u met sociologische verbeelding?

Blommaert: Dat zijn onze aannames over hoe de maatschappij ineen zit. ‘Blijf in uw kot’, de oneliner van Maggie De Block (Open VLD), illustreert perfect dat de lockdown-maatregelen gebaseerd zijn op de veronderstelling dat we allemaal ‘een kot’ hebben, bij voorkeur met veel ruimte en een grote tuin voor de kinderen. Dat is het ingebeelde Vlaanderen van de witte middenklasse, het Vlaanderen van Matexi en Willems Veranda’s. In de eerste weken werd die verbeelding constant bevestigd door feel good-bijdragen in het avondjournaal. Allemaal samen in ons kot tegen het virus, op de achtergrond springen de kinderen op de nieuwe, online bestelde trampoline – misschien wel hét symbool van de hele lockdown. Dat werkt vervreemdend als je zelf niet in Matexi-Vlaanderen maar in een superdiverse buurt zoals Oud-Berchem woont.

Hoe definieert u superdiversiteit?

Blommaert: Het is de compleet nieuwe samenleving die vanaf midden de jaren negentig is ontstaan door twee aardverschuivingen die onze mobiliteit hebben getransformeerd. Ten eerste de val van het IJzeren Gordijn en de daaropvolgende Europese afspraken zoals het Verdrag van Maastricht en het Schengen-akkoord. Daarmee ontstond een gigantisch nieuw reguleringsmechanisme voor menselijke mobiliteit. Met de doorbraak van het internet, de tweede aardverschuiving, werden daarmee voorheen ondenkbare vormen van migratie mogelijk. Een Nigeriaans meisje van zes kan perfect in de Berchemse Statiestraat wonen en urenlang met haar nichtje uit Lagos in een taal spreken die door niemand anders in heel België of Europa wordt gesproken. Oost-Europese bouwvakkers werken hier terwijl ze verblijven in de huizen van Turkse huisbazen, die met hun huurgelden zelf naar de groene rand van onze steden verhuizen. Mateloos interessant allemaal.

Niet iedereen deelt uw enthousiasme, laat staan optimisme. Waarom kleeft het stempel probleemwijk aan superdiverse buurten?

Blommaert: Omdat dezelfde verhalen over migratie eeuwig blijven terugkeren. Ons publieke debat is cyclisch: om de zoveel tijd komen dezelfde debatten terug, met dezelfde argumenten, in dezelfde bewoordingen. Daarom blijft Het Belgische migrantendebat, het boekje dat ik in 1992 met taalkundige Jef Verschueren schreef, nog altijd actueel. Dat de kwaliteit van ons onderwijs te lijden heeft onder migratie, is zo’n evergreen. Meestal komt dat uit de mond van mensen wiens kinderen op scholen zitten waar nauwelijks diversiteit te bespeuren valt. Om hun gelijk te bewijzen sleuren ze er de PISA-resultaten bij. Daar moet ik mee lachen: de OESO meet al decennialang dezelfde parameters, terwijl leertechnologie pijlsnel evolueert. Jongeren leren vandaag meer skills via videogames als Dungeons and Dragons dan op school, maar dat wordt niet gemeten.

U bent het niet eens met Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) dat nieuwkomers vlot Nederlands moeten beheersen om hun plaats in de Vlaamse samenleving te vinden?

Blommaert: Als de kennis van het Nederlands het verschil maakt, waarom staan er dan zoveel geboren Nederlandstaligen op den dop? Ja, nieuwkomers moeten Nederlands leren, maar dat lukt het best als ze werken. De chronologie moet omgekeerd: eerst het werk, de taal volgt vanzelf. Dat weten slimme N-VA’ers zelf ook wel, toch werpen ze taalvereisten op als barrière. Tenslotte is die partij nooit in een regering gestapt om nieuwkomers sneller in onze maatschappij te integreren.

U bent vaak messcherp voor de N-VA. In tweets brandmerkt u ze met de hashtag #extreemrechts. Heet dat niet polariseren?

Blommaert: Als een arts zegt dat u een bronchitis hebt, heeft hij u die bronchitis dan bezorgd? Ik beschrijf wat ik zie. Wanneer u hun programma vergelijkt met het beruchte 70-punten programma van het Vlaams Blok, dan zal enige overlap u meteen opvallen. In de jaren 1990 werd dat programma, ook internationaal, als extreemrechts beschouwd. Waarom zou dat vandaag niet meer gelden?

Experts definiëren extreemrechtse partijen als antiparlementair en gewelddadig. Met de beste wil van de wereld kan je dat de N-VA toch niet verwijten? Is het niet preciezer te spreken van een rechtse partij met radicaalrechtse tendensen en retoriek?

Blommaert: (schudt het hoofd) N-VA speelt het spel van de relatieve afstand met het Vlaams Belang. Daarvoor hebben ze een grijze zone gecreëerd waarin bijvoorbeeld Schild & Vrienden gedijt, een clubje dat niet afkerig staat van geweld. Dat spel gaat al ver terug, hoor. Toen in 2004 drie vzw’s van het Vlaams Blok werden veroordeeld wegens racisme, wilde geen enkele partijvoorzitter naar de VRT-studio’s komen voor een debat met Filip Dewinter. Behalve Bart De Wever, die kwam zeggen de uitspraak te betreuren omdat je je politieke tegenstrever niet in de rechtbank moet bekampen. Tja

U heeft zich op uw blog in het dekoloniseringsdebat geworpen met een oude anekdote. 30 jaar geleden solliciteerde u als jonge professor Afrikanistiek voor de baan als directeur van het Afrikamuseum met een opmerkelijk voorstel: u wilde een stolp over dat museum zetten.

Blommaert: (grinnikend) Voor de duidelijkheid: ik wilde die baan niet. Dat heb ik ook meteen gezegd aan de commissie waarvoor ik – tot mijn grote verrassing – mijn visienota mocht gaan verdedigen. Zo kreeg ik de kans om 45 minuten lang mijn ideeën uiteen te zetten. Mijn redenering was en is dat je van een gebouw waarvan de façade om de vijf meter met het embleem van Leopold II is opgesmukt, geen hedendaags Afrika-museum kan maken. Het museum van Tervuren was wereldwijd bekend bij kenners als het laatste koloniale museum in de wereld. Dáár moest je zijn om in het hoofd te kijken van een koloniale ambtenaar. In plaats van dat museum te renoveren, hadden ze het moeten bewaren zoals het was, als metamuseum.

U bent optimistisch over het dekoloniseringdebat. Waarom?

Blommaert: Omdat we een omwenteling zien. De relatie tussen wit en zwart is in de antiracisme- en dekolonisatiebeweging fundamenteel gewijzigd. Lange tijd keek men vanuit zo’n bewegingen naar mensen zoals ik om de leiding te nemen. Nu zijn het jongeren uit de diaspora die de zaak trekken, mij wordt alleen nog gevraagd hun open brieven en eisenbundels bij wijze van steunbetuiging te ondertekenen. Ik stel ook met plezier vast dat verschillende debatten worden geconnecteerd. Black Lives Matter begon lokaal maar werd in een mum van tijd een globale beweging die de brug slaat tussen racisme en kolonialisme. Dat is cruciaal, je kunt niet over kolonisatie spreken zonder het over racisme te hebben. Zelfs koning Flip linkte in zijn spijtbrief dekolonisatie aan Black Lives Matter. Dat is een paradigmashift hoor, na decennia van stilzwijgen vanuit het koningshuis.

Sommigen vinden dat koning Filip niet ver genoeg ging. Spijt betuigen is nog geen excuses aanbieden, klinkt het.

Blommaert: Ken je de uitdrukking? “Het is niet omdat je niet alles hebt gedaan, dat je niks hebt gedaan”. Koning Filip is bijzonder ver gegaan. Excuses zullen deel gaan uitmaken van de normale betrekkingen tussen voormalige koloniale mogendheden en hun oud-kolonies.. Mensen die vinden dat we nu wel genoeg over het verleden hebben gepraat, mogen hun borst natmaken: dit is maar een begin.

Wat is uw standpunt over koloniale standbeelden en monumenten?

Blommaert: Je moet ze niet weghalen, dat zou witwassing zijn. Gebruik ze als leeromgevingen. Stap bijvoorbeeld van het federaal parlement naar het koninklijk paleis van Brussel, door het Warandepark: een wandeling vol aanknopingspunten voor een prachtig gesprek over macht en democratische verbeelding. Om dat gesprek te voeren, heb je meer aan standbeelden van klootzakken zoals Leopold II en Godfried Van Bouillon dan van pakweg Toots Thielemans.

U volgt met enkele onderzoekers van de universiteit van Tilburg van nabij de socialistische Democrate Alexandria-Ocasio Cortez. Waarom?

Blommaert: De campagne van AOC, gemodelleerd overigens volgens de presidentscampagne van Bernie Sanders waaraan ze in 2016 meewerkte, stemt hoopvol. Terwijl Sanders toen de Democratische nominatie niet kon binnenhalen, slaagde zij er in 2018 wel in om een zetel te veroveren in het Huis van Afgevaardigden. Dat was compleet onverwacht, die zetel werd al 14 jaar bezet door haar partijgenoot Joseph Crowley. Na haar sensationele overwinning in de primaries versloeg ze ook nog eens haar Republikeinse opponent met 78 procent. De campagnes van Sanders en AOC stoelen op twee pijlers. Enerzijds het ouderwetse werk: van deur tot deur gaan en alle markten en schooldebatten afschuimen, anderzijds microtargeting op sociale media. Dat is electorale spitstechnologie: je kan voor weinig geld enorme hoeveelheden kiezers individueel bereiken. Wie daar ook goed in is, is The Lincoln Project.

Wat is dat?

Blommaert: Een van de gekste dingen die ik al heb gezien én de nachtmerrie van Trump. Het is een organisatie van zogenaamde Never Trumpers: conservatieven, zowel Republikeinen als ex-Republikeinen, die zich verzetten tegen Trump. Een van de aanvoerders is George T. Conway III, nota bene de man van Trumps voornaamste communicatieadviseur Kellyanne Conway. The Lincoln Project roept op om voor Democraat Joe Biden te stemmen en vraagt Republikeinen: distantieer u van die aap in het Witte Huis. Ze vrezen, terecht, dat Trump de partij zal meesleuren in zijn val. Dan bedoel ik niet alleen dat hij de verkiezingen wellicht verliest, maar ook dat de kans groot is dat hij in de cel eindigt, aangezien het Amerikaanse parket eindelijk zijn boekhouding zal kunnen inkijken.

Waarom denkt u dat Trump zal verliezen? Zijn ondergang is al vaak voorspeld.

Blommaert: Hij kampt met een aantal problemen die hij in 2016 niet had. Het format van die verkiezingen leek wel een kopie van zijn televisieshow The Apprentice: bullebak Trump tegen de rest. De ‘grootsheid’ van zijn campagne waren de Republikeinse primaries, waarin hij de ene vulgaire aanval na de andere afvuurde op andere kandidaten, van ‘Crazy’ Ted Cruz tot ‘Low Energy’ Jeb Bush. Vandaag werkt dat niet, hij zit niet in het offensief. Het enige wat hij nu kan, is angst zaaien.

Dat werkte prima voor Richard Nixon eind de jaren 1960. Waarom niet nu voor Trump?

Blommaert: Enter The Lincoln Project. Wanneer Trump de stoere uithangt, lanceren zij binnen het uur een tegenaanval. ‘Don, are you ready,’ tweeten ze en dan volgt een filmpje waarin ze uitleggen dat Amerika helemaal niet onder bedreiging ligt, maar dat Donald Trump gewoon in zijn broek schijt. Ze maken hem belachelijk en dat maakt hem razend. Begrijpelijk, want The Lincoln Project heeft impact. Formeel is het geen partij, maar toch kun je het zien als de emanatie van de echte Republikeinse Partij. Het illustreert dat de politiek van de grote massaorganisaties dood en begraven is. Partijen en vakbonden zullen blijven bestaan, maar ze domineren niet langer het publieke domein dat in duizenden fracties is uiteengevallen. De uitdaging vandaag is het bedenken van doordachte allianties. Dat had extreemrechts sneller door dan progressief links. Zo was de brexit-campagne een alliantie van verschillende bubbels. Extreemrechts weet dat de klassieke sociaaleconomische dialectica niet weg zijn, maar dat ze worden omgeven door allerlei andere krachtvelden zoals ras, sociale klasse en gender.

Extreemrechts, denk bij ons aan Schild & Vrienden, wint wel de meeste van de digitale veldslagen. Wat maakt u als progressief dan toch optimistisch?

Blommaert: Mijn optimisme is niets anders dan strijdvaardigheid. Aangezien de kaarten zo slecht liggen, kunnen wij ons niet veroorloven om niets te doen. En: het ís mogelijk om te winnen. Kijk naar AOC en The Lincoln Project, maar ook naar die K-popfans. (geamuseerd) Piepjonge liefhebbers van Korean pop, een mix van hiphop en pop, die Donald Trumps eerste verkiezingsrally in volle coronacrisis hebben verpest. K-popfans vormen geen activistische organisatie, maar ze kunnen zich wel als zodanig gedragen omdat enkelen snappen hoe algoritmes werken om vluchtige, maar slagkrachtige allianties te smeden. Al bij al was het poepsimpel: ze riepen via socialenetwerksite TikTok, razend populair onder tieners, op om massaal tickets te boeken voor Trumps rally en dan niet op te dagen. De machtigste man van de wereld stond in zijn hemd dankzij een paar tieners.

Hoe kijkt een socialistische sociolinguïst naar de nieuwe SP.A-voorzitter Connor Rousseau, fel gehypet onder meer vanwege zijn taalgebruik en looks?

Blommaert: Zonder veel belangstelling. Dat niveau van politiek interesseert me niet. In plaats van het over beleid te hebben, gaat het tegenwoordig over de vraag of Wouter Beke (CD&V) zich gekwetst voelt door de harde kritiek die hij heeft gekregen op zijn aanpak van de coronacrisis. (gedecideerd) Dat interesseert mij geen kloten. Als Annelies Beck heel dure zendtijd op de openbare omroep spendeert aan Bekes gevoelens, dan voel ik mij beledigd en geïnfantiliseerd. Vroeger was niet alles beter, toch heb ik heimwee naar de zondagnamiddagen waarop ministers anderhalf uur lang werden gegrild door drie lustig paffende journalisten, Guy Polspoel, Walter Zinzen en Kris Borms. Die politici zaten peentjes te zweten, maar ze werden tenminste niet constant onderbroken zoals later de vaste gewoonte werd op de openbare omroep. Daar heeft Siegfried Bracke nog voor gezorgd, hij heeft bij de VRT-nieuwsdienst de regel geïntroduceerd dat een praatgast nooit langer dan 32 seconden aan het woord mocht blijven. Later is die tijdspanne zelfs tot 16 seconden ingekort. Ik werd laatst gebeld door De Afspraak – nu ik ziek ben, word ik weer overal gevraagd. Ik zei dat ik wilde komen op één voorwaarde: word ik één keer onderbroken, dan geef ik een waarschuwing. Een tweede keer: ik neem mijn oortjes uit en verlaat de studio. (grijnst) Ik hoefde niet meer te gaan.

  • 1961, Dendermonde, groeit op in Brussel
  • Afrikanistiek aan de Universiteit Gent.
  • Doet onderzoek aan Universiteit Antwerpen en London Institute of Education.
  • Voorzitter vakgroep Afrikanistiek U Gent.
  • Legt zich toe op politieke antropologie en sociolinguistiek. Sinds 2010 verbonden aan Universiteit Tilburg waar hij het Babylon Centrum voor de Studie van Superdiversiteit opricht
  • Waslijst publicaties over o.a. superdiversiteit, nationalisme, populisme en politiek taalgebruik.
  • Bekroond met Arkprijs van het Vrije Woord 1993
  •  

Fernand Huts, de Citizen Kane van Vlaanderen

Geschreven in opdracht van Wilfried,  ‘Le magazine qui raconte le pouvoir’. Dit is de oorspronkelijke versie van de (vertaalde) Franstalige publicatie. (Wilfried n°2, oktober 2017)

Karine Huts: “Het verschil tussen God en Fernand? God denkt niet dat hij Fernand is”

Wat Bart De Wever met de N-VA heeft gepresteerd, heeft hij naar eigen zeggen als zakenman gepresteerd door Katoen Natie tot een wereldbedrijf uit te bouwen. Nee, op valse bescheidenheid laat Fernand Huts zich niet betrappen. Ook niet als hij feestjes organiseert, een tijdverdrijf dat hij met Hollywood-allures en dito budgetten beoefent. Flamboyant en flamingant, het zijn eigenschappen die hij zich graag laat aanleunen. Een man van paradoxen bovenal. Welke volbloedkapitalist kan zich een huisvriend noemen van José ‘Pepe’ Mujica, ex-guerrillero, overtuigd marxist en gewezen president van Uruguay? Portret van een Vlaams fenomeen, op smaak gebracht voor de Franstalige lezers van Wilfried.

foto:Tim Dirven

foto:Tim Dirven

Beveren-Kallo. Niet meteen de bestemming waar Japanners selfies gaan maken. Nochtans zou deze plek op Antwerpen Linkeroever in geen enkele toeristische folder van Vlaanderen mogen ontbreken. Alleen al het uitzicht op de esplanade van Katoen Natie is de omweg waard. Voor ons ligt de Schelde te glinsteren in de namiddagzon. De stroom, slechts twee bochten verwijderd van de Nederlands grens, is hier een halve kilometer breed. Niet minder indrukwekkend is het industriële landschap dat zich 360 graden breed openbaart. Tientallen ranke schoorstenen braken vlammen hoog in de lucht. Net een verjaardagstaart, maar dan met de kwalijke geur van petrochemie. BASF, DOW, Solvay, Lanxess, ExxonMobile, alle grote namen uit de scheikundige sector hebben zich aan weerskanten van de Schelde gevestigd. Hier worden miljarden omgezet.

Aardse rijkdommen zijn willekeurig verdeeld. Een strategisch gelegen haven is zo’n geschenk van het lot waar een hele regio wel bij vaart. Port of Antwerp levert niet alleen tienduizenden banen en ettelijke procentpunten aan het bruto binnenlands product op. Ons bezoek aan Katoen Natie legt ook de culturele meerwaarde bloot. We worden verwelkomd door een kunstcollectie waar menig museum jaloers op zou zijn. Wim Delvoye, in Brussel bekend van zijn betonmolen in gotisch smeedwerk, heeft de parking met enkele soortgelijke creaties opgesmukt. Boven, op de esplanade, staat nog meer hedendaags werk. Eenheid in stijl valt niet bespeuren, maar alle stukken zijn spectaculair en monumentaal. Pablo Atchugarry, Hubert Minnebo, Antonio Seguí, Michaël Aerts, het zijn grote namen uit de Belgische en de internationale kunstscene. Het klapstuk is zonder enige discussie een diepblauw gelakte houwitser van 15 meter lang en vijf meter hoog. Jan Zonder Vrees heet dit kunstwerk, niet naar de Bourgondische hertog maar naar een gelijknamige figuur uit de Vlaamse folklore die het tot held van talloze kinderboeken heeft geschopt. Dat hij voor niets of niemand bang is, spreekt vanzelf. Maar Jan Zonder Vrees streed in de middeleeuwen ook tegen onrecht, onder meer in de gedaante van inhalige tollenaars die het volk met hoge belastingen uitpersten. Was het die eigenschap die volbloed-liberaal Fernand Huts voor de naam deed smelten? Feit is dat de baas van Katoen Natie erg in zijn nopjes was toen het kunstwerk op een kille oktoberdag in 2013 werd onthuld. Dat gebeurde tijdens een memorabele show waarbij de 200 genodigden, onder wie heel wat politieke prominenten, een figurantenrol vertolkten. Op verzoek van Huts hadden ze zich allemaal in een blauw pak gestoken, een tooi die ter plaatse met een blauwe werfhelm en een blauwe bezemsteel werd vervolledigd. Voor liberale boegbeelden zoals Annemie Turtelboom of vader en zoon De Croo voelde dit uniform wellicht natuurlijk aan, maar ook verschillende CD&V-politici en Vlaams Belang-kopstuk Filip Dewinter onderwierpen zich gedwee aan de dresscode. Huts, gewezen kamerlid voor de VLD van Guy Verhofstadt, heeft zich van het cordon sanitaire rond de extreemrechtse partij nooit iets aangetrokken.

Strak in het gelid, de bezemstelen als geweren over de schouders, zette de stoet zich onder begeleiding van militaire marsmuziek in beweging. Niemand van de genodigden kon vermoeden wat er onder het dekzeil schuil ging, maar de hooggespannen verwachtingen werden niet bedrogen. ‘Jan Zonder Vrees moet de Schelde en de haven beschermen tegen boze watergeesten’, duidde Huts de symboliek. Aanwezige politici gaven een andere interpretatie. Waarom was het kanon op het centrum van Antwerpen gericht? Huts, zo wisten alle genodigden, lag al jarenlang overhoop met het havenbestuur van zijn geboortestad. Was dit misschien een opgestoken middenvinger naar de gezagsdragers in ’t Schoon Verdiep en het Havenhuis? Huts ontkende met uitgestreken gezicht, maar kon zijn binnenpret niet op. En zo werd het een gezellige namiddag. Het kanon mocht enkele losse flodders afschieten, waarna het hele gezelschap door Huts op een luxueus banket werd getrakteerd.

Inhuldiging Jan Zonder Vrees met vips en marsmuziek (foto: Tim Dirven)

Inhuldiging Jan Zonder Vrees met vips en marsmuziek (foto: Tim Dirven)

flamboyant

Ondernemer, kunstverzamelaar, luis in de pels van de politiek, het zijn alllemaal predicaten die bij de 67-jarige Fernand Huts passen. Als flamboyante enterpreneur moet hij in Vlaanderen alleen farma-baas en sportmecenas Marc Coucke naast zich dulden. Voetbal of wielrennen interesseren Huts niet, maar als organisator van extravagante feestjes geeft hij zelfs Coucke het nakijken. Vorig jaar, ter gelegenheid van de 160ste verjaardag van Katoen Natie, liet hij decorbouwers in Kallo een heuse burcht optrekken. Drie weken lang werd er gefeest door meer dan 6.000 genodigden. Honderden buitenlandse gasten werden op kosten van de zaak ingevlogen, op de afsluitende familiedag kwamen 4.000 Belgische personeelsleden zich vergapen aan de torens en kantelen van de middeleeuwse vesting. Vragen naar de factuur werden weggewuifd. ‘Dat heeft geen belang’, verklaarde Karine Huts, een even groot feestbeest als haar echtgenoot, voor de VTM-camera. ‘Je vraagt op een trouwfeest toch ook niet hoeveel het diner heeft gekost’. Het heeft inderdaad minder belang als je zoals Fernand en Karine Huts met een geschat vermogen van 1,516 miljard euro de 11de plaats bekleedt in rangschikking van rijkste Belgen.

Katoen Natie is dan ook geen KMO. Het Antwerpse havenbedrijf omschrijft zichzelf als een gediversifieerde goederenbehandelaar. Denk aan opslag en overslag van chemicaliën, voedingswaren, grondstoffen, textiel of consumentenelectronica, maar ook aan het ontwikkelen van supply chains en het recycleren van industrieel afval. Met 14.000 werknemers, vestingen in 38 landen en een omzet van bijna twee miljard is Katoen Natie een wereldspeler. Vriend en vijand zal het toegeven: dat is helemaal te danken aan het zakengenie van Fernand Huts. Toen hij het bedirjf in 1981 overnam, was Katoen Natie met zijn 180 medewerkers slechts één van de tientallen naties, een fenomeen waarvan de oorsprong bij de middeleeuwse gilden en ambachten van de haven ligt. Agnes Van Wanseele, burgemeester van Sint-Martens Latem, de gemeente met het hoogste gemiddelde inkomen van Vlaanderen, heeft de spectaculaire groei van nabij kunnen volgen. Ze leerde Huts veertig jaar geleden kennen bij het Gentse Vlerick Instituut, een naam die in Vlaanderen nog altijd klinkt als een klok. Een MBA van Vlerick staat niet alleen hoog aangeschreven vanwege de superieure opleiding, maar ook vanwege het netwerk en het adresboekje die bij het diploma horen. Wat de Ecole Nationale d’Administration is voor de Franse politiek en ambtenarij, is de Vlerick Business School voor het Vlaamse bedrijfsleven: een springplank naar een topcarrière. ‘Fernand was nog niet in de haven actief’, vertelt Van Wanseelse, destijds als assistente aan het Vlerick Instituut verbonden. ‘Hij had een bedrijf voor biologische groenten opgericht, de NV Veldboerke. Heel kleinschalig, op een keer kreeg hij thuis bijna ruzie omdat hij de wasmachine had gebruikt om producten te mengen. Karine kon er niet om lachen, zeker niet met drie kleine kinderen in huis. Ik nodigde Fernand geregeld uit als spreker voor een alumni-lezing. Heel verfrissend, zijn stijl was compleet verschillend van andere managers. Hij sprak voor de vuist weg, en bracht altijd hetzelfde boek mee. Machiavelli, zie hij tegen die jonge aspirant-managers, die moeten jullie echt gaan lezen. Toen hij een paar jaar later naar Katoen Natie overstapte, had hij dringend kaderleden nodig. Of ik bij Vlerick geen studenten kon warm maken, vroeg hij. Ik heb het geprobeerd, maar niemand was geïnteresseerd. Katoen Natie, dat stelde toen niks voor. Al die studenten droomden van een carrière bij KBC, Deloitte of een andere vertrouwde naam uit de financiële wereld’.

Bart De Wever

Haar man heeft de sprong wel gewaagd. Met succes, Dirk Lannoo mag zich nu vice-president van Katoen Natie noemen. Aan zijn rekrutering hangt een anekdote vast die Huts als ondernemer typeert. ‘Hij had net Seaport Terminals overgenomen’, zegt Van Wanseele. ‘Een bedrijf dat in feite veel groter was dan Katoen Natie. Daar had hij zijn handen mee vol. Houd jij je met Katoen Natie bezig, zei hij tegen mijn man op diens allereerste werkdag in Antwerpen, dan doe ik Seaport Terminals. Zo is Fernand: als hij iemand vertrouwen geeft, dan is dat voor het volle pond’. Huts mag dan een alumnus van Vlerick zijn, hij heeft een hekel aan managementboeken vol duur jargon, en aan zelfverklaarde business goeroes. Vijfentwintig jaar geleden, kort na zijn eerste buitenlandse overname in de Franse Vogezen en zijn eerste joint venture in Singapore, heeft hij zijn eigen managementbijbel geschreven. Het boek, rijk geÏllustreerd zodat het in diverse talen en culturen pakt, is nog altijd verplichte kost voor nieuwe medewerkers. Het kan worden gelezen als een ode aan het gezond boerenverstand. Delegeren, werk organiseren in kleine groepen, niet kakelen maar eieren leggen, het is maar  een greep uit zijn tien geboden, net zoals de aansporing om op tijd en stond met de collega’s een pint te pakken. Het waren echter niet deze tegelwijsheden maar wel de groeicijfers van Katoen Natie die hem al in 1987 de felbegeerde titel van Manager van het Jaar opleverden. Hij steekt dan wel geregeld zijn neus in een bierglas, kansen ruikt hij nog altijd als de beste. De overname voor 416 miljoen euro van afvalverwerkingsbedrijf Indaver was volgens alle insiders een meesterzet. Huts haalde het twee jaar geleden in een felle biedstrijd onder meer van het Franse Suez, wat hem schouderklopjes van de Vlaamse regering opleverde. Vlaamse verankering is een ideaal waar hij zelf hoog van opgeeft. Huts is flamingant en iedereen mag het weten. Het blijkt onder meer uit de boeken die hij onder het pseudoniem Jules Van Bochelt schrijft. Niet dat hij zich wil verbergen, zijn naam staat trouwens als alias op de cover. Het pseudoniem is meer een alibi om in de rol van de nar te kruipen en vanuit die favoriete positie vrank en vrij commentaar te geven op de politiek en de zeden van dit land.

Fernand Huts met eregast op receptie Karine Huts (foto: Tim Dirven)

Fernand Huts met eregast op receptie Karine Huts (foto: Tim Dirven)

Het is feest bij Katoen Natie, alweer. Twintig jongens en meisjes in smetteloos wit-zwart krijgen van de maître d’hôtel de laatste instructies. Het zal de 400 genodigden niet aan champagne ontbreken, noch aan exquise hapjes zoals zalm met passievruchtenmarinade. Aanleiding is eens te meer een nieuw boek. Niet van Fernand dit keer, wel van Karine Huts die samen met freelance journalist Ivo Pauwels het levensverhaal van haar joodse oom Géorg Kluger heeft opgetekend. Het leeuwendeel van de biografie gaat over de oorlogsjaren die Kluger als onderduikkind in België wist te overleven, in tegensteling tot zijn familie die in Oostenrijk moest achterblijven. Niemand minder dan Bart De Wever, Antwerps burgemeester en N-VA-voorzitter, komt het boek inleiden. Geen toeval, want De Wever en Huts hebben elkaar in het verleden al meermaals lof toegezwaaid. Vlaanderens populairste politicus heeft de lachers meteen op zijn hand. Het verschil tussen hem en de gastheer? ‘Fernand is een hystericus, ik een historicus’. Toch wordt het geen cabaretnummer. De Wever biedt namens het stadsbestuur nogmaals zijn excuses aan voor de medeplichtigheid van zijn voorgangers bij de vervolging van de Antwerpse joden. Toen hij dat twee jaar geleden voor het eerst deed, werd dat in de Vlaamse media nog als een historische mijlpaal bejubeld. De Wever prijst voorts de solidariteit die de Belgen betoonden door honderden joodse kinderen voor de nazi’s te verbergen. Was dit een politiek debat, dan had een wakkere moderator of opponent een parallel met de hedendaagse migratiecrisis kunnen trekken. Moeten we dan ook niet meer solidaiteit met de nieuwe generatie vluchtelingen aan de dag leggen? Geen gekke vraag op een moment dat een N-VA Staatssecreataris voor Asiel en Migratie met behulp van Soedanese migratieambtenaren het Brusselse Maximilaanpark aan het ‘opkuisen’ is. Maar geen pretbedervers in de zaal, de spreker wordt met een daverend applaus beloond.

Borinage

‘Uiteraard heb ik veel respect voor De Wever’, zegt Huts als we hem even uit de drukte kunnen wegsleuren. ‘Kijk naar zijn parcours. De N-VA is begonnen als een mini-partij, met Geert Bourgeois die moederziel alleen in de Kamer zat. Het is toch indrukwekkend hoe De Wever van de N-VA de onbetwiste nummer één van de Vlaamse politiek heeft gemaakt? In alle bescheidenheid gezegd: hij heeft in de politiek gepresteerd wat wij als ondernemer met Katoen Natie hebben gedaan’. Politiek is Huts een zwerfkei. Als student rechten in Leuven was hij praeses van het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond (KVHV), traditioneel een kweekvijver voor christendemocratische en Vlaams-nationalistische politici. Wilfried Martens en Hugo Schilz waren twee van zijn bekendere voorgangers. Toch was het voor de liberale VLD _ toen nog zonder prefix Open _ dat hij van 1995 tot 1999 als Antwerps volksvertegenwoordiger zetelde. Het werd geen succes, Huts schitterde vooral door hardnekkige afwezigheid. Volgens huisvriendin Agnes Van Wanseele was het de partijdiscipline die hem dwars zat, zelf wijst hij vooral op de ondankbare oppositierol die de liberale partij was toebedeeld. Feit is dat hij na dat mandaat uit de partij is gestapt. Zonder bruggen op te blazen, al heeft hij in verschillende interviews gesneerd naar toenmalig partijleider Guy Verhofstadt. “Ik was erg enthousiast over zijn burgermanifesten’, blikt hij daarop terug. ‘Des te groter was mijn ontnuchtering toen hij als premier precies het tegenovergestelde deed van wat hij eerder in zijn boeken had verkondigd’.

Of we hem intussen in het kamp van de N-VA mogen situeren? Huts haalt de schouders op. Hij spreekt wat lijzig, met een Antwerps accent dat zich uitstekend leent voor de mild spottende toon die hij graag aanslaat. ‘Economisch en filosofisch voel ik me nog altijd een echte liberaal. Maar als ondernemer met vestigingen in het hele land moet ik met alle partijen kunnen praten. In Antwerpen is dat toevallig de N-VA, maar ik onderhoud evenzeer uitstekende relaties met het socialistische stadsbestuur van Gent, en met de CD&V-burgemeester van Beveren’. De vraag of hij voor een onafhankelijk Vlaanderen gewonnen, pareert hij met een dooddoener. Antwerpenaar, Vlaming, Belg, Europeaan, wereldburger. Huts, die op een landgoed in Kent woont waar hij ook als fervent jager aan zijn trekken komt, ziet identiteit als de rokken van een ui. Het neemt niet weg dat hij zich in boeken en interviews vaak schamper uitlaat over de NV België. ‘Institutioneel en juridisch zo ingewikkeld dat niemand het nog uitgelegd krijgt.’, betoogt hij ook dit keer. ‘Ik probeer het filosofisch op te vatten. Belgium is art, zeg ik vaak tegen buitenlanders’. Geen separatist dus. Toch ziet hij een Vlaamse natie groeien, terwijl diezelfde dynamiek in Wallonië ontbreekt. De lezers bezuiden de taalgrens mogen hem dat vooral niet kwalijk nemen. ‘Ik kom vaak en graag in Wallonië’, zegt Huts. ‘Ik vind Luik een geweldige cultuurstad, en een van mijn zonen heeft in Namen gestudeerd. Een paar jaar geleden ben ik mijn vrouw tijdens onze vakantie drie weken door de Borinage getrokken. Heel boeiend, het moet niet altijd Italië zijn. Walen zijn erg vriendelijke mensen, en ze hechten meer dan wij belang aan het goede leven. Pas op, je kunt er ook zaken mee doen. Alleen zouden ze wat meer ondernemingszin mogen tonen,  op dat vlak kunnen ze nog wat van de West-Vlamingen leren’.

 wolf in schaapskleren

De obers doen gedisciplineerd hun werk. Champagneglazen worden alert bijgevuld, de schotels met warme en koude snacks gaan vlot rond. Het publiek is een mix van vrienden, familieleden en bonzen uit haven en bedrijfswereld. Ook politici zijn van de partij, we spotten onder anderen gewezen Europees Commissaris Karel De Gucht (Open VLD) en Staatssecretaris voor Buitenlandse Handel Pieter De Crem (CD&V). De afwezigen hebben altijd ongelijk, maar soms hebben ze ook een motief. Zo liet Marc Van Peel, havenschepen in Antwerpen, in een vorig leven voorzitter van de CVP, zijn persoonlijke invitatie onbenut. Niet, zo moeten we aannemen, omdat hij geregeld kop van jut is in interviews van de bekende havenbaas. Huts is al jarenlang verwikkeld in een juridische oorlog met het Antwerps Havenbedrijf waar Van Peel voorzitter van is. ‘Die vendetta is ooit onder een van mijn voorgangers begonnen’, zegt hij. ‘Lang verhaal, volgens insiders heeft het te maken met mislukte zakendeals in de haven waardoor Huts zich te kort gedaan voelt. Enige rancune is hem niet vreemd, en hij is niet zuinig met advocatenkosten om zijn gram te halen’. Nee, als Van Peel het feest aan zich laat voorbijgaan, dan ligt dat veeleer aan een gevoel van verzadiging. ‘Ik bewonder hem als ondernemer’, zegt hij. ‘Maar met zijn monumentale ego heb ik het stilaan gehad. Huts kijkt neer op politici, hij is ervan overtuigd dat de hele wereld functioneert zoals zijn Katoen Natie. Ik heb Patrick De Wael ooit horen vertellen over die eerste keer dat Huts aan een fractievergadering van de VLD deelnam. En Fernand maar lang en breed uitleggen wat er allemaal in dit land moest veranderen. “Fernand”, heeft iemand toen gezegd, “je weet toch dat we in de oppositie zitten? We kunnen helemaal niks veranderen”. Na die ene vergadering hebben ze hem daar nooit meer gezien. Weet je, ik heb van zijn vrouw ooit een geweldige grap gehoord. Ze zei dat ze een boek over haar man zou schrijven, met als titel ‘Mijn leven met God’. En of ik het verschil kende tussen God en Fernand? Simpel, zei Karine, God denkt niet dat hij Fernand is. Haha, grandioos toch! Pas op, ik kom hem graag tegen. Fernand is altijd joviaal, ook tegenover opponenten die hij belaagt met advocaten en deurwaarders. Hij vindt dat men dat niet persoonlijk mag nemen, het is gewoon zijn manier van zaken doen’.

Huts is aaibaar, maar dan zoals een wolf in schaapskleren. We noteerden deze parel bij de socialistische havenbond die met Huts in de clinch ligt over de Wet Major. Dit statuut, een sieraad van de proletarische ontvoogding, verplicht havenbedrijven uitsluitend met erkende dokwerkers en havenarbeiders te werken. Te duur en nefast voor de internationale concurrentiepositie, vindt Huts die magazijnwerk bij voorkeur door flexibele interimarbeiders met een bediendencontract laat uitvoeren. Hij bracht zijn zaak tot voor het Europees Hof van Justitie in Luxemburg. ‘Met steun van Sim Kallas, in die tijd Europees Commissaris voor Transport’, beweert ABVV-secretaris Marc Laridon. ‘Kallas komt uit Estland, de plek waar Katoen Natie in diezelfde periode een gigantische investering had gedaan. Ik kan niet bewijzen dat er een causaal verband bestaat, maar ik geloof nooit dat het toeval is. Huts heeft een erg lange arm’.

(foto: Tim Dirven)

(foto: Tim Dirven)

Uruguay

Aan strijdpunten geen gebrek in Huts carrière. Neem nu de verkeersknoop rond Antwerpen, hét hoofdpijndossier bij uitstek voor de Vlaamse regering. Ruim twintig jaar na de eerste plannen is er nog altijd geen spade in de grond gestoken, een blamage voor een regio die als baseline ‘wat we zelf doen, doen we beter’ voert. Huts, die met afgrijzen ziet hoe zijn vrachtwagens op de Antwerpse ring vastzitten, legt de schuld bij gewezen sp.a-burgemeester Patrick Janssens. ‘Zonder hem had er al lang een brug over de Schelde gelegen en was het hele probleem opgelost. Janssens echter heeft het project op het laatste nippertje afgeschoten, in de hoop de gemeenteraadsverkiezingen te winnen. En ziet wat er van hem geworden is. Janssens mag nu vrolijk voetbalmanager spelen bij Racing Genk, maar intussen zit het verkeer hier nog altijd muurvast’. Nog zo’n stokpaard is de uitbreiding van de haven op Linkeroever. Het graven van het megagrote Saeftinghedok moet de containercapaciteit in één klap met de helft opvoeren. Huts is radicaal tegen dit prestigeplan van het Havenbedrijf, en werpt zich op als de verdediger van de polderboeren die door deze operatie hun land en boerderij dreigen te verliezen. Die tegencampagne mag wat kosten. Huts is de financier achter ‘Oratorium zonder Doel’, een meeslepende documentaire van filmmaker Manu Riche over de teloorgang van de polders en het dorpje Doel.

Wat ook de titel wordt, zijn biografie wordt een lijvig boek. Een hoofdstuk over Uruguay mag in geen geval ontbreken. In 2000 investeerde Katoen Natie fors in een containerterminal in de haven van Montevideo, meteen de aanleiding voor de echtelieden Huts om er een pied-à-terre te verwerven. De cottage werd zowat hun derde thuisverblijf, na het landgoed in Kent en het kasteel in Sint-Gillis-Waas. Zo ontstond een innige vriendschap met de toenmalige president José Mujica. Het contrast kon niet groter zijn: een liberale miljardair versus een gewezen extreemlinkse guerillero die 14 jaar als politieke gevangene opgesloten zat. Mujica, was dat niet de president die prat ging op zijn titel van ’s werelds armste staatshoofd? ‘So what’, zegt Huts. ‘Ik stap door het leven zonder vooroordelen. Het klikte meteen tussen ons. Ik heb respect voor zijn achtergrond en idealisme, en hij waardeerde mijn ondernemerschap’.

Huts, rad van tong, laat zich niet gemakkelijk in de hoek drummen. Viel zijn naam in het schandaal van de Panama-papers, het datalek over offshore belastingparadijzen? Huts gaf geen krimp. ‘Ik ben altijd binnen de grenzen van de wet gebleven’, verklaarde hij desgevraagd. Subsidieslurper is een verwijt dat hem vaak vanuit progressieve middens wordt gemaakt. In Vlaanderen hoeft daar geen tekening bij. Iedereen kent Huts als de onbetwiste zonnepaneelkoning. 800.000 vierkante meter aan fotovoltaïsche cellen, verspreid over verschillende magazijnen van Katoen Natie. Het levert hem jaarlijks 13 miljoen euro aan groenstroomcertificaten op, als gevolg van een genereuze subsidieregeling die intussen door de Vlaamse regering werd afgeschaft. Voor nieuwe investeerders, want Huts rendement werd voor 20 jaar gegarandeerd. ‘Ik snap dat verwijt niet’, zegt hij. ‘Ik heb die zonnepanelen tien jaar geleden op uitdrukkelijke vraag van de Vlaamse regering gelegd. De technologie was nog onbekend en peperduur, niemand wilde eraan. Kris Peeters is ze als minister-president komen inhuldigen, we zijn nog same met de helicopter over ons magazijn gevlogen’.

 heavy metal

“Mijn vader heeft een olifantenvel”. Het citaat komt van Yves Huts, zelf vooral bekend als gewezen bassist en songschrijver van de Nederlandse heavy metalband Epica. Intussen heeft hij een punt achter zijn rockcarrière gezet. Yves werkt net zoals zijn twee broers bij Katoen Natie, nog altijd een familiedrijf zonder beursnotering. De oudste staat klaar om het roer over te nemen, de jongste vliegt als helicopterpiloot met zijn vader. ‘Niet om op te scheppen’, weet Agnes Van Wanseele. ‘Met zijn drukke agenda is die helicopter geen luxe. Fernand geeft niet om statussymbolen. Auto’s interesseren hem niet, hij rijdt al jarenlang met een Mitsubishi. Alleen als het over kunst gaat, laat hij zich wel eens gaan’.

Dat is een understatement. Vorig jaar legde Huts 670.000 euro op tafel voor een originele Rubens-tekening die in buitenlandse handen dreigde te vallen. De acquisitie werd in brede kringen toegejuicht, want Vlaamse verankering heeft ook een culturele dimensie. De collectie in Beveren-Kallo is overigens maar het topje van de ijsberg. Een vleugel van het hoofdkwartier in het centrum van Antwerpen werd door een toparchitect tot museum omgebouwd. De verzameling archeologisch textiel, met stukken tot 3.500 jaar oud, is absolute wereldtop. Daarnaast is er een permanente tentoonstelling over de geschiedenis  van de Belgische kunst, met onder meer fraaie doeken van kleppers zoals Gustave Van de Woestyne, Jean Brusselmans en Gust De Smet.

Huts zou Huts niet zijn mocht hij als cultureel entrepreneur vrede nemen met een figurantenrol. Vorig jaar kondigde hij aan 0,5 procent van de omzet van Katoen Natie in zijn eigen Phoebus Foundation te investeren, goed voor een budget van 8 miljoen euro per jaar. Projecten worden door hem en zijn vrouw persoonlijk afgewogen. Voor de kandidaten: een link met Vlaanderen strekt tot aanbeveling. Het initiatief heeft voor commotie in het culturele landschap gezorgd, vooral in de wereld van musea die ook in Vlaanderen de broeksriem moeten aanhalen. Er werd voor Amerikaanse toestanden gewaarschuwd. Huts de mecenas die in het culturele gat van de armlastige overheid springt. Nobel op het eerste gezicht, maar nefast voor de artistieke vrijheid.

Zou het? Als hofleverancier hedendaagse kunst bij Katoen Natie ziet Wim Delvoye alleszins geen bezwaar. ‘Ik doe liever zaken met zo’n mecenas dan met een ambtenaar die als een kunstpaus bepaalt wat er wel of niet in een museum thuis hoort’. Ook Delvoye ontbrak op het boekenfeest in Kallo. Onvrijwillig, hij zat op een vlucht vanuit Hong Kong. Na twintig jaar is hij kind aan huis bij de Hutsen.  ‘Karine is een echte vriendin geworden, een warme vrouw met het hart op de tong. Een bon vivant, net zoals Fernand. Dat maakt onze samenwerking zo fijn. Bij ieder werk dat ik opleverde, werd er een feest georganiseerd. Een beetje zoals in de middeleeuwen, toen een nieuw glasraam voor de kerk met een schranspartij voor de hele parochie werd ingehuldigd. Ik vind hun flamboyante karakter geweldig. Die keer dat ze zich als hardrockers hadden uitgedost om anoniem een concert van hun zoon bij te wonen. Ik heb de foto’s gezien, het was hilarisch. Natuurlijk heeft Fernand een ego. Hij wil erkenning, ook in de culturele wereld. Maar wat is daar mis mee? Kijk maar wat voor een imperium die man in zijn eentje heeft uitgebouwd. Fernand Huts, dat is de Citizen Kane van Vlaanderen’.

 

Bleri Lleshi: filosoof-opiniemaker over het Land van Aankomst

 verschenen in Zeno, weekendbijlage De Morgen, 19 augustus 2012

Identiteit is een gelaagd gegeven, net zoals de ajuin. Niemand die dat beter beseft dan de Belgisch- Vlaams-Brusselse Albanees Bleri Lleshi (31). Zo gelaagd als zijn achtergrond, zo divers is zijn curriculum. Behalve docent filosofie en economie, jeugdwerker en documentairemaker is hij een onvermoeibare blogger en tegendraadse opiniemaker. Seksisme in de Brusselse straten? Geweld van allochtone jongeren tegen de politie? “Kijk eerst en vooral naar de socio-economische context”. De verontwaardigde lezersbrieven zijn nu al onderweg.

Bleri Leshi zou zichzelf een modelmigrant kunnen noemen mocht hij dat willen. Inburgeren? De Albanese Brusselaar heeft zich in een mum van tijd de twee voornaamste landstalen eigen gemaakt. Lokale verankering? Hij heeft vrienden bij de vleet en kent het verenigingsleven zoals een spin haar web.  Werk zoeken? Lleshi, aan de VUB afgestudeerd als politiek wetenschapper, weet niet waar eerst zijn handen uitgestoken. Hij doceert in Antwerpen, schrijft boeken, regisseert documentaires en begeleidt kansarme jongeren. Maar vooral: hij timmert via zijn meertalige blog aan de weg met scherpe opiniestukken die steeds vaker de Vlaamse media beroeren.  Zijn favoriete thema _ de groeipijnen van de multiculturele samenleving _ is dan ook brandend actueel. De voorbije maanden stroomde de inspiratie als een klaterende beek:  seksisme in de Brusselse straten, de uitwijzing van de Afghaanse asielzoeker Parwais Sangari, rellende hangjongeren en politiegeweld, het hengelen naar de allochtone stem in de kiescampagne. Lleshi bekijkt het allemaal door een geëngageerde bril, want linkser dan deze gretige Marx-lezer worden ze niet meer gemaakt. Het neoliberale bestel is de grote vijand, maar vaak treffen zijn scherpste pijlen linkse doelen. Er wordt overigens teruggeschoten. Zijn commentaar bij de ophefmakende documentaire ‘Femme de la Rue’ kwam hem op de toorn van menige feministe te staan.

Desalniettemin:  België, Land van Aankomst, heeft er een kritische burger met een constructieve agenda bij. Verbeter de wereld, luidt zijn moto, begin in je eigen buurt. In Brussel dus, de stad die hij op zijn achttiende ontdekte en die hij intussen als een geboren Zinneke bemint. Over zijn migratie van Albanië naar België zal hij slechts mondjesmaat en pas na hardnekkig porren vertellen. “Mijn persoonlijk verhaal doet weinig ter zake”, zegt hij wanneer we hem in zijn appartement nabij het Elsense Flageyplein opzoeken. “Ik wil dat er naar mij wordt geluisterd omwille van mijn boodschap, niet omwille van mijn persoon of mijn achtergrond.  Ik wil bovendien vermijden dat ze me in het hokje van de modelmigrant duwen. Want hoe vaak heb ik het al niet gehoord? Waren alle allochtonen maar mensen zoals jij, die studeren, werken en goed geïntegreerd zijn. Waarom ik dat haat? Rolmodellen worden gebruikt om stereotiepen te benadrukken. Alsof een allochtoon pas een volwaardige burger wordt wanneer hij een universitair diploma heeft, zes talen spreekt en boeken schrijft”.

–          de heisa over seksuele agressie tegen vrouwen in de Brusselse straten zindert na. U wierp zelf een steen in de kikkerpoel met een pleidooi om de sociaaleconomische context van de vuilbekkende jongeren niet uit het oog te verliezen. U nam ook Ter Zake-anker Kathleen Cools op de korrel omdat het ze het fenomeen tot een probleem van allochtonen en moslims zou hebben herleid. Waarop Cools dan weer van zich afbeet door jou een struisvogelhouding te verwijten. Kansarmoede kan geen alibi zijn om vrouwen op straat te bepotelen of verbaal te molesteren. Ja toch?

Lleshi: “Voor alle duidelijkheid: ik keur seksuele agressie niet goed. Sofie Peeters heeft haar documentaire in de Anneessenswijk gedraaid. Die buurt ken ik door en door, ik heb er met jongeren gewerkt en me vaak zelf aan machogedrag op straat geërgerd. Mijn opiniestuk was niet bedoeld om die uitwassen te vergoelijken, ik wilde alleen vermijden dat het debat bleef steken in het zoveelste potje schelden op Brusselse jongeren. Als we het probleem willen oplossen, moeten we wel naar de onderliggende oorzaken kijken. En ja, dan kun je niet om de sociaaleconomische realiteit heen. Armoede, werkloosheid, slechte huisvesting, dat zijn de kwalen die we moeten aanpakken. Of dacht je echt dat we dit probleem met het uitdelen van GAS-boetes gaan oplossen, zoals de Brusselse burgemeester aankondigt? Ik probeer mij nu al de verwarring op het politiekantoor in te beelden. Bewijs als vrouw maar eens dat een man je in het voorbijlopen op een seksistische manier heeft bejegend”.

–          Wat met de factor cultuur? Negen van de tien agressors zijn jonge, allochtone mannen van hoofdzakelijk Marokkaanse origine. Zegt niet Kathleen Cools, maar reportagemaakster Sofie Peeters…

Lleshi: “Is dat echt zo? Ik heb nergens in de documentaire gehoord dat het om Marokkanen gaat, laat staan om moslims. Hoe kun je trouwens op iemands gezicht zien dat het om een moslim gaat? Ik heb veel moeite met die culturele factor. Het ligt aan de religie, hoor ik sommigen zeggen, die jongeren zijn seksueel gefrustreerd. Sorry, maar wie dat beweert, bewijst alleen maar dat hij niks snapt van de grootstedelijke jeugd. Ik wil die mensen graag meenemen op een rondleiding in Brussel. Ga kijken in scholen en jeugdhuizen, geef je ogen de kost in de metro. Marokkanen of Turken, hoe jonger ze zijn, hoe vrijer beide geslachten met elkaar omgaan. Achteraf bekeken denk ik dat mijn column een positief effect heeft gesorteerd, want het debat is er een stuk genuanceerder op geworden. Sofie Peeters onderstreept nu zelf het belang van werkloosheid en kansarmoede.  In haar documentaire had ze het trouwens ook over de nefaste rol van de reclamewereld in het propageren van de vrouw als lustobject.  Precies wat ik zelf in mijn opiniestuk aan de kaak heb gesteld”.

–          De beetgare thema’s voor uw blog volgen elkaar in ijltempo op. Zo gonsde het de voorbije weken van de berichten over balorige hangjongeren en straatbendes die politiecombi’s bekogelen en agenten aanvallen. Waar komt de haat tegen de politie vandaan?

Lleshi: “Allereerst dit: geweld tegen politie kan in een democratische rechtstaat niet worden getolereerd. Maar we moeten de vraag durven stellen waarom het zo vaak mis gaat. Het antwoord ligt niet voor de hand, want de ene rel is de andere niet. In Anderlecht ging het blijkbaar om opgezet spel, de politie zou in een val zijn gelokt. Dat is iets heel anders dan de incidenten in Etterbeek en Vilvoorde waar het telkens om een uit de hand gelopen identiteitscontrole ging. Ik waag me dus niet aan algemene verklaringen, maar als jeugdwerker in Brussel ben ik wel vertrouwd met deze materie. De schuld ligt niet alleen bij de jongeren, ook de politie moet de hand in eigen boezem steken”.

–          Wat bedoelt u?

Lleshi: “De politie is niet voorbereid op haar taak. Dat de agenten niet in Brussel wonen, is hun goed recht. Maar het is wel een probleem als ze geen voeling hebben met de bewoners, en al helemaal niet met de jeugd.  Er schort wat aan de opleiding, agenten komen niet los van de stereotiepen van allochtonen en jongeren die ze meedragen. Ik wil niet in een vroeger-was-alles-beter-verhaal vervallen, maar ik hoor vaak oudere Brusselaars met heimwee vertellen over de tijd van de wijkagent. Dat was geen boeman, maar iemand die de buurt kende en geen repressieve maar een sociale rol vervulde”.

–          Terug naar de wijkagent, die slogan hoorde ik al toen ik twintig jaar geleden mijn eerste reportages in Brussel maakte. Wie gelooft daar nog in, nu sommige buurten bijna in no-go zones zijn veranderd?

Lleshi: “Geloof me, de aversie beperkt zich niet tot de zogenaamde quartiers chauds. Ik hoorde onlangs een agent van de spoorwegpolitie zijn beklag maken. Tien jaar geleden was er niemand die zijn mond open deed als we ergens tussenkwamen, zei hij.  Maar als we ons nu in een station vertonen, worden we op scheldpartijen en provocaties getrakteerd. Sommigen zeggen dat het aan de toegenomen mondigheid van de burger ligt, maar volgens mij zit het zit veel dieper.  Uit een onderzoek van de Leuvense socioloog Swyngedouw blijkt dat Brusselse jongeren de politie als de voornaamste bron van discriminatie ervaren, op ruime afstand gevolgd door het onderwijs en de arbeidsmarkt. De Molenbeekse commissaris Pierre Collignon liet het zich onlangs ontvallen: ‘er zijn mensen die eigenlijk bij de politie gaan om Arabieren te kraken’”.

“We moeten het trouwens niet alleen over de politie als slachtoffer van geweld hebben. Waarom wordt er zo weinig gesproken over slachtoffers van politiegeweld? Tijdens de recente betoging van Congolese activisten voor de Rwandese ambassade werden manifestanten door de politie geschopt, bespuwd en toegetakeld, door diegenen dus die verondersteld worden ons te beschermen. Onaanvaardbaar in een rechtstaat, maar helaas geen precedent. Na de betoging in Matongé eind vorig jaar werden bij het Comité P vijftig klachten wegens overdreven politiegeweld ingediend. Nog vorig jaar werd een jongeman door agenten zwaar toegetakeld toen hij op weg was naar een solidariteitsconcert voor mensen zonder papieren. Als reactie daarop heb ik de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Annemie Turtelboom een open brief geschreven om opheldering te vragen en nultolerantie voor politiegeweld te eisen. Een soortgelijke brief heb ik recent naar Joëlle Milquet gestuurd. Op geen van beide brieven heb ik een antwoord gekregen, terwijl Milquet er wel als de kippen bij was om zich in het recente seksismedebat te profileren”.

–          Steek het maar op de politie. Is dat niet wat gemakkelijk?

Lleshi: “Begrijp me niet verkeerd, ik heb veel sympathie voor de agenten die op het terrein een falend beleid moeten uitvoeren. Wat ik daarmee bedoel?  Politie en justitie worden in dit land met verantwoordelijkheden opgezadeld waarvoor ze niet zijn berekend. Of om een beeld te gebruiken: ze dienen als ventiel om stoom van de ketel te laten. Je moet geen marxist om in te zien wat de echte problemen zijn van onze neoliberale consumptiemaatschappij: de duizelingwekkende ongelijkheid en de peilloze welvaartskloof die zich vooral in onze grootsteden manifesteren. Heel wat stedelingen hebben geen keuze, ze zijn verplicht hun toevlucht te nemen tot overlevingsstrategieën zoals de illegale economie en de criminaliteit. Lees de jongste armoederapporten over Brussel. Meer dan dertig procent van de gezinnen leeft van een uitkering, in sommige wijken bedraagt de werkloosheid vijftig procent en meer, scholen kampen met een uitval van 26 procent en behoren volgens internationale statistieken tot de slechtst presterende van Europa wat allochtone leerlingen betreft . Het is aan de overheid om die problemen aan te pakken, maar om allerlei redenen gebeurt dat niet. Dan wordt repressie een manier om de onmacht van de staat te verdoezelen. Kijk naar de reactie op de voorbije incidenten. Nultolerantie, GAS-boetes, meer blauw op straat, politici staken elkaar de loef af met peptalk. Allemaal pleisters op een houten been , maar dank zij de buitensporige aandacht die de media aan rellen besteden, wordt de indruk van een daadkrachtig beleid gewekt. Inderdaad, ook media laten zich in deze maskerade gebruiken. Focussen op incidenten maar zwijgen over de oorzaken, zo bestendigen jullie het status-quo”.

–          U kent de Brusselse achterstandswijken als jeugdwerker en documentairemaker. Hoe explosief is de sfeer?

Lleshi: “De wanhoop is veel groter dan men in Vlaanderen wil beseffen. Ik heb een aantal jongeren individueel begeleid, dertien- en veertienjarigen die een verleden achter zich aansleepten. Een vader heb ik daarbij nooit ontmoet, ze leefden zonder uitzondering met hun alleenstaande moeder in een krottig appartement.  Het is de schuld van de ouders, roepen sommigen, ze kijken niet om naar hun kinderen. Onzin, vaak zijn het die jongeren zelf die hun moeder door de dagelijkse sleur moeten helpen. Cultuur en godsdienst? Ik heb bij die gasten geen verschil tussen de allochtonen en de Belgo-Belges opgemerkt”.

“Nergens zitten de frustraties dieper dan bij de hoogopgeleide migrantenjongeren in Brussel.  Stel je in hun plaats: ze hebben alles gedaan om aan het ideaalbeeld van de blanke middenklasse te beantwoorden, en toch komen ze nergens aan de bak, ook niet op de arbeidsmarkt. Daar zou ik me als politicus zorgen over maken, want dat is de groep die het grootste risico loopt om te radicaliseren”.

–          Klinkt alsof er in Brussel meer rellen en sociale explosies op komst zijn…

Lleshi: “Ik hoop van niet, want de rellen zijn chaotisch, zonder politieke omkadering. Vaak worden ze gemanipuleerd door drugsdealers of jongeren die alleen maar aandacht zoeken. Ik heb een hekel aan het discours van een bepaald soort links dat straatrellen vergoelijkt. Het zijn namelijk de armen zelf die er het meest onder lijden. Ze slaan de auto van de buurman in de prak, terwijl die buurman in hetzelfde schuitje zit. Ze slopen een bushokje, maar het is hetzelfde hokje waar hun eigen moeder of zus onder schuilt voor de regen. Dat soort blinde woede haalt niks uit, we moeten de frustraties langs politieke weg kanaliseren”.

–          Ondanks alle grootstedelijke ellende bent u een enthousiaste Brusselaar. Hoe valt dat te rijmen?

Lleshi: “Ik val voor de diversiteit van Brussel, de verschillende kleuren, talen, culturen en godsdiensten. Een plek zoals het Flageyplein is een feest, ik kan er een hele namiddag zitten kijken naar de bonte mensenstoet die er constant voorbijtrekt. Ik moest eens naar een meerdaags congres in Sevilla. Prachtige stad met fraaie architectuur, daar niet van, maar na een paar dagen voelde ik al heimwee. Je hoort in Sevilla alleen maar Spaans en je ziet er haast uitsluitend Spanjaarden. Ik miste de verscheidenheid van Brussel, op de duur ging ik zelfs meisjes met een hoofddoek missen. Ik zie trouwens niet alleen de problemen, er gebeuren hier ook fantastische dingen.  Voor mijn laatste documentaire heb ik een jaar lang zes jongeren gevolgd, meisjes en jongens die elk op hun manier hun omgeving inspireren. Een ervan is Stella, een asielzoekster die al na twee jaar vloeiend Nederlands spreekt en overal in Brussel als vrijwilligster jonge kinderen begeleidt. Jammer dat goed nieuws zo slecht verkoopt. Er was niet één journalist bij de presentatie van mijn documentaire, ondanks de aanwezigheid van de Brusselse staatssecretaris Bruno De Lille die trouwens de opdrachtgever was.  Ach ja, de media. Onlangs belden ze me van een redactie: of ik geen Marokkaan kende die niet aan de ramadan meedeed? Dat soort vragen krijg ik vaak, terwijl ik geen moslim ben. Maar ja, als je een beetje donker en mediterraan uitziet, word je in dit land automatisch als moslim beschouwd”.

–          U schrijft geregeld over identiteit, net zoals Bart De Wever. Volgens de N-VA-voorzitter is identiteitsbesef het ultieme bindmiddel, het criterium bovendien dat bepaalt wie al dan niet tot het eigen volk behoort. Mee eens?

Lleshi: “Uiteraard niet. De Wever ziet identiteit als een eenduidig en vaststaand gegeven, terwijl het integendeel gelaagd en voortdurend in beweging is. Geen betere plek om dat vast te stellen dan deze stad waar mensen wonen die zich zowel Belg, Vlaming als Brusselaar noemen. Natuurlijk, identiteit is een handig instrument voor een partij die een discours voert waarin alle sociaaleconomische problemen aan cultuur en godsdienst worden toegeschreven.  Ik ken Antwerpen tamelijk goed, ik heb er aan de Artesis Hogeschool gedoceerd. Ik maak me grote zorgen over de populariteit van de N-VA, want achter haar nationalistische agenda verbergt die partij een keihard neoliberaal programma”.

–          Een partij ook met een groeiende achterban in de allochtone gemeenschap. Begrijpt u dat?

Lleshi:  “Niet overdrijven, het gaat nog altijd om een piepklein percentage. Maar er zijn inderdaad allochtonen die voor de N-VA vallen. Hoe dat komt? Die gemeenschap is veel minder homogeen dan men doorgaans denkt, er zijn ook Marokkanen of Turken die denken belang te hebben bij een neoliberaal beleid. De Wever hengelt vooral naar stemmen van allochtone middenstanders. Geen toeval”.

–          U wil geen rolmodel zijn, maar allochtone politici hebben die keuzevrijheid niet. Ze lopen vanzelf in de kijker en oogsten daarbij niet alleen applaus van hun eigen gemeenschap. Beledigingen als excuustruus en Alibi Ali zijn gemeengoed. Hoe komt dat?

Lleshi: “Eerlijk gezegd, ik heb zelf grote moeite met onze allochtone politici. Ze laten zich door hun gemeenschap verkiezen, maar zodra ze een mandaat beet hebben, kijken ze er niet meer naar om. Ik zat onlangs in Gent in een verkiezingsdebat met CD&V-lijsttrekker Veli Yüksel. Hij maakte zich sterk dat er in België geen sprake kon zijn van discriminatie. Kijk naar mij, argumenteerde hij, ik zou toch niet op deze stoel zitten moest ik het slachtoffer van discriminatie zijn? Dat is een belachelijke redenering, alsof hij de maatstaf der dingen is. Het doet me denken aan de positieve discriminatie in de Verenigde Staten. Heel wat zwarte senatoren en volksvertegenwoordigers hebben daarvan geprofiteerd, net zoals Barak Obama en Condoleeza Rice overigens. Toch zie je dat diezelfde zwarte leiders hun stem hebben gebruikt om affirmative action af te schaffen. Ze worden er zelfs liever niet meer aan herinnerd, want het klinkt zoveel beter als je kunt zeggen dat je louter op eigen kracht bent komen bovendrijven”.

–          U pleit hartstochtelijk voor een nieuw links alternatief. Nochtans is het nu al drummen ter linkerzijde, met naast de Sp.a en Groen kleinere partijen zoals PVDA en Rood…

Lleshi: “Ik weet het, de ergste vijand van links is links. Hoe de PVDA en Rood weer aan het bekvechten zijn, zo komen we er nooit. Groen en sp.a  beschouw ik niet meer als linkse partijen omdat ze het neoliberalisme als kader aanvaarden. Men zegt vaak dat alle partijen naar het centrum opschuiven. Onzin, rechts is rechts gebleven, alleen links is opgeschoven. De sociale welvaartstaat werd in de jaren vijftig en zestig opgebouwd. Dat was een linkse triomf, met socialisten die erin slaagden rechtse partijen achter hun agenda te scharen. Nu gebeurt precies het tegenovergestelde:  de sociale verworvenheden van toen worden door rechts afgebroken, met steun van links. Triest, maar we mogen  de moed niet opgeven. Het succes van Syriza in Griekenland en Mélenchon in Frankrijk bewijst dat er ruimte is voor een links alternatief.  Zonder Mélenchons stemadvies was Hollande geen president geworden”.

–          Vergeef ons onze nieuwsgierigheid. Maar waarom bent u als achttienjarige uitgerekend naar België gekomen? Studeren kon toch ook in Albanië?

Lleshi: “Ik wilde mijn horizon verruimen. Ik was nooit in Brussel geweest, maar ik had gehoord dat het een bruisende, multiculturele stad was. Dat trok me toen al geweldig aan”.

–          Waarom in het Nederlands studeren? Veruit de meeste buitenlandse studenten kiezen voor Frans of Engels..

Lleshi: “Ik heb een passie voor talen, ik spreek er intussen zes. Hoe moeilijker hoe liever, daarom vond ik Nederlands zo interessant. Frans leer ik wel vanzelf, redeneerde ik, en dat is ook gebleken. Ik pik talen op door heel veel onder de mensen te komen en scherp te luisteren. Na drie maanden begon ik al Nederlands te spreken, en later ben ik me aan de VUB gaan inschrijven. De eerste twee jaar heb ik er niet veel van gebakken, ik had het te druk met het verkennen van deze stad. Ik heb vaak met verbazing naar mijn Vlaamse medestudenten gekeken. Na vier jaar aan de VUB spraken sommigen nog altijd geen woord Frans. Ze leefden op een eiland, er waren er die mij na vier jaar studeren kwamen smeken om een rondleiding in Brussel te geven. Weet je wat ik zo jammer vind in België? Taal wordt hier gebruikt om grenzen te trekken en verdeeldheid te zaaien, terwijl het de mensen juist dichter bij elkaar moet brengen. Pas op, ik ken de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. En ik snap ook dat het niet aangenaam is als je in het ziekenhuis van Elsene niet in je eigen taal wordt geholpen. Maar dit is 2012, we moeten vooruit kijken. Meertaligheid is de toekomst, dat blijkt nergens duidelijker dan in Brussel”.

–          Bent u ook in Albanië actief als opiniemaker?

Lleshi: “Nee, ik volg Albanië maar van op een afstand. Tegenwoordig moeten we allemaal reizende kosmopolieten zijn, maar wat is er mis met lokaal engagement? Je hebt nergens een grotere impact dan op de plek waar je leeft. Mijn voornaamste engagement, dat is een beter Brussel.  Ik wil dat iedereen zo hard van deze stad kan genieten als ikzelf. En nee, ik ervaar dat niet als tegenstrijdig met mijn inzet voor de rest van de wereld”.

–          Albanezen hebben niet zo’n beste reputatie.  Bij de doorsnee Vlaming roept de naam associaties op met vrouwenhandel, prostitutie, banditisme en ongure portiers.  Nooit last gehad van die vooroordelen?

Lleshi: “Meermaals, maar ik heb mijn reactie paraat. Uiteraard houd ik me zoals alle Albanezen bezig met drugsmokkel en vrouwenhandel, zeg ik. En daarnaast heb ik nog een aantal andere bezigheden, zoals politieke economie doceren, boeken en analyses schrijven en documentaires maken”.

Bleri Lleshi’s blog:  http://blerilleshi.wordpress.com/

Identiteit is een gelaagd gegeven, net zoals de ajuin. Niemand die dat beter beseft dan de Belgisch- Vlaams-Brusselse Albanees Bleri Lleshi (31). Zo gelaagd als zijn achtergrond, zo divers is zijn curriculum. Behalve docent filosofie en economie, jeugdwerker en documentairemaker is hij een onvermoeibare blogger en tegendraadse opiniemaker. Seksisme in de Brusselse straten? Geweld van allochtone jongeren tegen de politie? “Kijk eerst en vooral naar de socio-economische context”. De verontwaardigde lezersbrieven zijn nu al onderweg.

Bleri Leshi zou zichzelf een modelmigrant kunnen noemen mocht hij dat willen. Inburgeren? De Albanese Brusselaar heeft zich in een mum van tijd de twee voornaamste landstalen eigen gemaakt. Lokale verankering? Hij heeft vrienden bij de vleet en kent het verenigingsleven zoals een spin haar web.  Werk zoeken? Lleshi, aan de VUB afgestudeerd als politiek wetenschapper, weet niet waar eerst zijn handen uitgestoken. Hij doceert in Antwerpen, schrijft boeken, regisseert documentaires en begeleidt kansarme jongeren. Maar vooral: hij timmert via zijn meertalige blog aan de weg met scherpe opiniestukken die steeds vaker de Vlaamse media beroeren.  Zijn favoriete thema _ de groeipijnen van de multiculturele samenleving _ is dan ook brandend actueel. De voorbije maanden stroomde de inspiratie als een klaterende beek:  seksisme in de Brusselse straten, de uitwijzing van de Afghaanse asielzoeker Parwais Sangari, rellende hangjongeren en politiegeweld, het hengelen naar de allochtone stem in de kiescampagne. Lleshi bekijkt het allemaal door een geëngageerde bril, want linkser dan deze gretige Marx-lezer worden ze niet meer gemaakt. Het neoliberale bestel is de grote vijand, maar vaak treffen zijn scherpste pijlen linkse doelen. Er wordt overigens teruggeschoten. Zijn commentaar bij de ophefmakende documentaire ‘Femme de la Rue’ kwam hem op de toorn van menige feministe te staan.

Desalniettemin:  België, Land van Aankomst, heeft er een kritische burger met een constructieve agenda bij. Verbeter de wereld, luidt zijn moto, begin in je eigen buurt. In Brussel dus, de stad die hij op zijn achttiende ontdekte en die hij intussen als een geboren Zinneke bemint. Over zijn migratie van Albanië naar België zal hij slechts mondjesmaat en pas na hardnekkig porren vertellen. “Mijn persoonlijk verhaal doet weinig ter zake”, zegt hij wanneer we hem in zijn appartement nabij het Elsense Flageyplein opzoeken. “Ik wil dat er naar mij wordt geluisterd omwille van mijn boodschap, niet omwille van mijn persoon of mijn achtergrond.  Ik wil bovendien vermijden dat ze me in het hokje van de modelmigrant duwen. Want hoe vaak heb ik het al niet gehoord? Waren alle allochtonen maar mensen zoals jij, die studeren, werken en goed geïntegreerd zijn. Waarom ik dat haat? Rolmodellen worden gebruikt om stereotiepen te benadrukken. Alsof een allochtoon pas een volwaardige burger wordt wanneer hij een universitair diploma heeft, zes talen spreekt en boeken schrijft”.

–          de heisa over seksuele agressie tegen vrouwen in de Brusselse straten zindert na. U wierp zelf een steen in de kikkerpoel met een pleidooi om de sociaaleconomische context van de vuilbekkende jongeren niet uit het oog te verliezen. U nam ook Ter Zake-anker Kathleen Cools op de korrel omdat het ze het fenomeen tot een probleem van allochtonen en moslims zou hebben herleid. Waarop Cools dan weer van zich afbeet door jou een struisvogelhouding te verwijten. Kansarmoede kan geen alibi zijn om vrouwen op straat te bepotelen of verbaal te molesteren. Ja toch?

Lleshi: “Voor alle duidelijkheid: ik keur seksuele agressie niet goed. Sofie Peeters heeft haar documentaire in de Anneessenswijk gedraaid. Die buurt ken ik door en door, ik heb er met jongeren gewerkt en me vaak zelf aan machogedrag op straat geërgerd. Mijn opiniestuk was niet bedoeld om die uitwassen te vergoelijken, ik wilde alleen vermijden dat het debat bleef steken in het zoveelste potje schelden op Brusselse jongeren. Als we het probleem willen oplossen, moeten we wel naar de onderliggende oorzaken kijken. En ja, dan kun je niet om de sociaaleconomische realiteit heen. Armoede, werkloosheid, slechte huisvesting, dat zijn de kwalen die we moeten aanpakken. Of dacht je echt dat we dit probleem met het uitdelen van GAS-boetes gaan oplossen, zoals de Brusselse burgemeester aankondigt? Ik probeer mij nu al de verwarring op het politiekantoor in te beelden. Bewijs als vrouw maar eens dat een man je in het voorbijlopen op een seksistische manier heeft bejegend”.

–          Wat met de factor cultuur? Negen van de tien agressors zijn jonge, allochtone mannen van hoofdzakelijk Marokkaanse origine. Zegt niet Kathleen Cools, maar reportagemaakster Sofie Peeters…

Lleshi: “Is dat echt zo? Ik heb nergens in de documentaire gehoord dat het om Marokkanen gaat, laat staan om moslims. Hoe kun je trouwens op iemands gezicht zien dat het om een moslim gaat? Ik heb veel moeite met die culturele factor. Het ligt aan de religie, hoor ik sommigen zeggen, die jongeren zijn seksueel gefrustreerd. Sorry, maar wie dat beweert, bewijst alleen maar dat hij niks snapt van de grootstedelijke jeugd. Ik wil die mensen graag meenemen op een rondleiding in Brussel. Ga kijken in scholen en jeugdhuizen, geef je ogen de kost in de metro. Marokkanen of Turken, hoe jonger ze zijn, hoe vrijer beide geslachten met elkaar omgaan. Achteraf bekeken denk ik dat mijn column een positief effect heeft gesorteerd, want het debat is er een stuk genuanceerder op geworden. Sofie Peeters onderstreept nu zelf het belang van werkloosheid en kansarmoede.  In haar documentaire had ze het trouwens ook over de nefaste rol van de reclamewereld in het propageren van de vrouw als lustobject.  Precies wat ik zelf in mijn opiniestuk aan de kaak heb gesteld”.

–          De beetgare thema’s voor uw blog volgen elkaar in ijltempo op. Zo gonsde het de voorbije weken van de berichten over balorige hangjongeren en straatbendes die politiecombi’s bekogelen en agenten aanvallen. Waar komt de haat tegen de politie vandaan?

Lleshi: “Allereerst dit: geweld tegen politie kan in een democratische rechtstaat niet worden getolereerd. Maar we moeten de vraag durven stellen waarom het zo vaak mis gaat. Het antwoord ligt niet voor de hand, want de ene rel is de andere niet. In Anderlecht ging het blijkbaar om opgezet spel, de politie zou in een val zijn gelokt. Dat is iets heel anders dan de incidenten in Etterbeek en Vilvoorde waar het telkens om een uit de hand gelopen identiteitscontrole ging. Ik waag me dus niet aan algemene verklaringen, maar als jeugdwerker in Brussel ben ik wel vertrouwd met deze materie. De schuld ligt niet alleen bij de jongeren, ook de politie moet de hand in eigen boezem steken”.

–          Wat bedoelt u?

Lleshi: “De politie is niet voorbereid op haar taak. Dat de agenten niet in Brussel wonen, is hun goed recht. Maar het is wel een probleem als ze geen voeling hebben met de bewoners, en al helemaal niet met de jeugd.  Er schort wat aan de opleiding, agenten komen niet los van de stereotiepen van allochtonen en jongeren die ze meedragen. Ik wil niet in een vroeger-was-alles-beter-verhaal vervallen, maar ik hoor vaak oudere Brusselaars met heimwee vertellen over de tijd van de wijkagent. Dat was geen boeman, maar iemand die de buurt kende en geen repressieve maar een sociale rol vervulde”.

–          Terug naar de wijkagent, die slogan hoorde ik al toen ik twintig jaar geleden mijn eerste reportages in Brussel maakte. Wie gelooft daar nog in, nu sommige buurten bijna in no-go zones zijn veranderd?

Lleshi: “Geloof me, de aversie beperkt zich niet tot de zogenaamde quartiers chauds. Ik hoorde onlangs een agent van de spoorwegpolitie zijn beklag maken. Tien jaar geleden was er niemand die zijn mond open deed als we ergens tussenkwamen, zei hij.  Maar als we ons nu in een station vertonen, worden we op scheldpartijen en provocaties getrakteerd. Sommigen zeggen dat het aan de toegenomen mondigheid van de burger ligt, maar volgens mij zit het zit veel dieper.  Uit een onderzoek van de Leuvense socioloog Swyngedouw blijkt dat Brusselse jongeren de politie als de voornaamste bron van discriminatie ervaren, op ruime afstand gevolgd door het onderwijs en de arbeidsmarkt. De Molenbeekse commissaris Pierre Collignon liet het zich onlangs ontvallen: ‘er zijn mensen die eigenlijk bij de politie gaan om Arabieren te kraken’”.

“We moeten het trouwens niet alleen over de politie als slachtoffer van geweld hebben. Waarom wordt er zo weinig gesproken over slachtoffers van politiegeweld? Tijdens de recente betoging van Congolese activisten voor de Rwandese ambassade werden manifestanten door de politie geschopt, bespuwd en toegetakeld, door diegenen dus die verondersteld worden ons te beschermen. Onaanvaardbaar in een rechtstaat, maar helaas geen precedent. Na de betoging in Matongé eind vorig jaar werden bij het Comité P vijftig klachten wegens overdreven politiegeweld ingediend. Nog vorig jaar werd een jongeman door agenten zwaar toegetakeld toen hij op weg was naar een solidariteitsconcert voor mensen zonder papieren. Als reactie daarop heb ik de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Annemie Turtelboom een open brief geschreven om opheldering te vragen en nultolerantie voor politiegeweld te eisen. Een soortgelijke brief heb ik recent naar Joëlle Milquet gestuurd. Op geen van beide brieven heb ik een antwoord gekregen, terwijl Milquet er wel als de kippen bij was om zich in het recente seksismedebat te profileren”.

–          Steek het maar op de politie. Is dat niet wat gemakkelijk?

Lleshi: “Begrijp me niet verkeerd, ik heb veel sympathie voor de agenten die op het terrein een falend beleid moeten uitvoeren. Wat ik daarmee bedoel?  Politie en justitie worden in dit land met verantwoordelijkheden opgezadeld waarvoor ze niet zijn berekend. Of om een beeld te gebruiken: ze dienen als ventiel om stoom van de ketel te laten. Je moet geen marxist om in te zien wat de echte problemen zijn van onze neoliberale consumptiemaatschappij: de duizelingwekkende ongelijkheid en de peilloze welvaartskloof die zich vooral in onze grootsteden manifesteren. Heel wat stedelingen hebben geen keuze, ze zijn verplicht hun toevlucht te nemen tot overlevingsstrategieën zoals de illegale economie en de criminaliteit. Lees de jongste armoederapporten over Brussel. Meer dan dertig procent van de gezinnen leeft van een uitkering, in sommige wijken bedraagt de werkloosheid vijftig procent en meer, scholen kampen met een uitval van 26 procent en behoren volgens internationale statistieken tot de slechtst presterende van Europa wat allochtone leerlingen betreft . Het is aan de overheid om die problemen aan te pakken, maar om allerlei redenen gebeurt dat niet. Dan wordt repressie een manier om de onmacht van de staat te verdoezelen. Kijk naar de reactie op de voorbije incidenten. Nultolerantie, GAS-boetes, meer blauw op straat, politici staken elkaar de loef af met peptalk. Allemaal pleisters op een houten been , maar dank zij de buitensporige aandacht die de media aan rellen besteden, wordt de indruk van een daadkrachtig beleid gewekt. Inderdaad, ook media laten zich in deze maskerade gebruiken. Focussen op incidenten maar zwijgen over de oorzaken, zo bestendigen jullie het status-quo”.

–          U kent de Brusselse achterstandswijken als jeugdwerker en documentairemaker. Hoe explosief is de sfeer?

Lleshi: “De wanhoop is veel groter dan men in Vlaanderen wil beseffen. Ik heb een aantal jongeren individueel begeleid, dertien- en veertienjarigen die een verleden achter zich aansleepten. Een vader heb ik daarbij nooit ontmoet, ze leefden zonder uitzondering met hun alleenstaande moeder in een krottig appartement.  Het is de schuld van de ouders, roepen sommigen, ze kijken niet om naar hun kinderen. Onzin, vaak zijn het die jongeren zelf die hun moeder door de dagelijkse sleur moeten helpen. Cultuur en godsdienst? Ik heb bij die gasten geen verschil tussen de allochtonen en de Belgo-Belges opgemerkt”.

“Nergens zitten de frustraties dieper dan bij de hoogopgeleide migrantenjongeren in Brussel.  Stel je in hun plaats: ze hebben alles gedaan om aan het ideaalbeeld van de blanke middenklasse te beantwoorden, en toch komen ze nergens aan de bak, ook niet op de arbeidsmarkt. Daar zou ik me als politicus zorgen over maken, want dat is de groep die het grootste risico loopt om te radicaliseren”.

–          Klinkt alsof er in Brussel meer rellen en sociale explosies op komst zijn…

Lleshi: “Ik hoop van niet, want de rellen zijn chaotisch, zonder politieke omkadering. Vaak worden ze gemanipuleerd door drugsdealers of jongeren die alleen maar aandacht zoeken. Ik heb een hekel aan het discours van een bepaald soort links dat straatrellen vergoelijkt. Het zijn namelijk de armen zelf die er het meest onder lijden. Ze slaan de auto van de buurman in de prak, terwijl die buurman in hetzelfde schuitje zit. Ze slopen een bushokje, maar het is hetzelfde hokje waar hun eigen moeder of zus onder schuilt voor de regen. Dat soort blinde woede haalt niks uit, we moeten de frustraties langs politieke weg kanaliseren”.

–          Ondanks alle grootstedelijke ellende bent u een enthousiaste Brusselaar. Hoe valt dat te rijmen?

Lleshi: “Ik val voor de diversiteit van Brussel, de verschillende kleuren, talen, culturen en godsdiensten. Een plek zoals het Flageyplein is een feest, ik kan er een hele namiddag zitten kijken naar de bonte mensenstoet die er constant voorbijtrekt. Ik moest eens naar een meerdaags congres in Sevilla. Prachtige stad met fraaie architectuur, daar niet van, maar na een paar dagen voelde ik al heimwee. Je hoort in Sevilla alleen maar Spaans en je ziet er haast uitsluitend Spanjaarden. Ik miste de verscheidenheid van Brussel, op de duur ging ik zelfs meisjes met een hoofddoek missen. Ik zie trouwens niet alleen de problemen, er gebeuren hier ook fantastische dingen.  Voor mijn laatste documentaire heb ik een jaar lang zes jongeren gevolgd, meisjes en jongens die elk op hun manier hun omgeving inspireren. Een ervan is Stella, een asielzoekster die al na twee jaar vloeiend Nederlands spreekt en overal in Brussel als vrijwilligster jonge kinderen begeleidt. Jammer dat goed nieuws zo slecht verkoopt. Er was niet één journalist bij de presentatie van mijn documentaire, ondanks de aanwezigheid van de Brusselse staatssecretaris Bruno De Lille die trouwens de opdrachtgever was.  Ach ja, de media. Onlangs belden ze me van een redactie: of ik geen Marokkaan kende die niet aan de ramadan meedeed? Dat soort vragen krijg ik vaak, terwijl ik geen moslim ben. Maar ja, als je een beetje donker en mediterraan uitziet, word je in dit land automatisch als moslim beschouwd”.

–          U schrijft geregeld over identiteit, net zoals Bart De Wever. Volgens de N-VA-voorzitter is identiteitsbesef het ultieme bindmiddel, het criterium bovendien dat bepaalt wie al dan niet tot het eigen volk behoort. Mee eens?

Lleshi: “Uiteraard niet. De Wever ziet identiteit als een eenduidig en vaststaand gegeven, terwijl het integendeel gelaagd en voortdurend in beweging is. Geen betere plek om dat vast te stellen dan deze stad waar mensen wonen die zich zowel Belg, Vlaming als Brusselaar noemen. Natuurlijk, identiteit is een handig instrument voor een partij die een discours voert waarin alle sociaaleconomische problemen aan cultuur en godsdienst worden toegeschreven.  Ik ken Antwerpen tamelijk goed, ik heb er aan de Artesis Hogeschool gedoceerd. Ik maak me grote zorgen over de populariteit van de N-VA, want achter haar nationalistische agenda verbergt die partij een keihard neoliberaal programma”.

–          Een partij ook met een groeiende achterban in de allochtone gemeenschap. Begrijpt u dat?

Lleshi:  “Niet overdrijven, het gaat nog altijd om een piepklein percentage. Maar er zijn inderdaad allochtonen die voor de N-VA vallen. Hoe dat komt? Die gemeenschap is veel minder homogeen dan men doorgaans denkt, er zijn ook Marokkanen of Turken die denken belang te hebben bij een neoliberaal beleid. De Wever hengelt vooral naar stemmen van allochtone middenstanders. Geen toeval”.

–          U wil geen rolmodel zijn, maar allochtone politici hebben die keuzevrijheid niet. Ze lopen vanzelf in de kijker en oogsten daarbij niet alleen applaus van hun eigen gemeenschap. Beledigingen als excuustruus en Alibi Ali zijn gemeengoed. Hoe komt dat?

Lleshi: “Eerlijk gezegd, ik heb zelf grote moeite met onze allochtone politici. Ze laten zich door hun gemeenschap verkiezen, maar zodra ze een mandaat beet hebben, kijken ze er niet meer naar om. Ik zat onlangs in Gent in een verkiezingsdebat met CD&V-lijsttrekker Veli Yüksel. Hij maakte zich sterk dat er in België geen sprake kon zijn van discriminatie. Kijk naar mij, argumenteerde hij, ik zou toch niet op deze stoel zitten moest ik het slachtoffer van discriminatie zijn? Dat is een belachelijke redenering, alsof hij de maatstaf der dingen is. Het doet me denken aan de positieve discriminatie in de Verenigde Staten. Heel wat zwarte senatoren en volksvertegenwoordigers hebben daarvan geprofiteerd, net zoals Barak Obama en Condoleeza Rice overigens. Toch zie je dat diezelfde zwarte leiders hun stem hebben gebruikt om affirmative action af te schaffen. Ze worden er zelfs liever niet meer aan herinnerd, want het klinkt zoveel beter als je kunt zeggen dat je louter op eigen kracht bent komen bovendrijven”.

–          U pleit hartstochtelijk voor een nieuw links alternatief. Nochtans is het nu al drummen ter linkerzijde, met naast de Sp.a en Groen kleinere partijen zoals PVDA en Rood…

Lleshi: “Ik weet het, de ergste vijand van links is links. Hoe de PVDA en Rood weer aan het bekvechten zijn, zo komen we er nooit. Groen en sp.a  beschouw ik niet meer als linkse partijen omdat ze het neoliberalisme als kader aanvaarden. Men zegt vaak dat alle partijen naar het centrum opschuiven. Onzin, rechts is rechts gebleven, alleen links is opgeschoven. De sociale welvaartstaat werd in de jaren vijftig en zestig opgebouwd. Dat was een linkse triomf, met socialisten die erin slaagden rechtse partijen achter hun agenda te scharen. Nu gebeurt precies het tegenovergestelde:  de sociale verworvenheden van toen worden door rechts afgebroken, met steun van links. Triest, maar we mogen  de moed niet opgeven. Het succes van Syriza in Griekenland en Mélenchon in Frankrijk bewijst dat er ruimte is voor een links alternatief.  Zonder Mélenchons stemadvies was Hollande geen president geworden”.

–          Vergeef ons onze nieuwsgierigheid. Maar waarom bent u als achttienjarige uitgerekend naar België gekomen? Studeren kon toch ook in Albanië?

Lleshi: “Ik wilde mijn horizon verruimen. Ik was nooit in Brussel geweest, maar ik had gehoord dat het een bruisende, multiculturele stad was. Dat trok me toen al geweldig aan”.

–          Waarom in het Nederlands studeren? Veruit de meeste buitenlandse studenten kiezen voor Frans of Engels..

Lleshi: “Ik heb een passie voor talen, ik spreek er intussen zes. Hoe moeilijker hoe liever, daarom vond ik Nederlands zo interessant. Frans leer ik wel vanzelf, redeneerde ik, en dat is ook gebleken. Ik pik talen op door heel veel onder de mensen te komen en scherp te luisteren. Na drie maanden begon ik al Nederlands te spreken, en later ben ik me aan de VUB gaan inschrijven. De eerste twee jaar heb ik er niet veel van gebakken, ik had het te druk met het verkennen van deze stad. Ik heb vaak met verbazing naar mijn Vlaamse medestudenten gekeken. Na vier jaar aan de VUB spraken sommigen nog altijd geen woord Frans. Ze leefden op een eiland, er waren er die mij na vier jaar studeren kwamen smeken om een rondleiding in Brussel te geven. Weet je wat ik zo jammer vind in België? Taal wordt hier gebruikt om grenzen te trekken en verdeeldheid te zaaien, terwijl het de mensen juist dichter bij elkaar moet brengen. Pas op, ik ken de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. En ik snap ook dat het niet aangenaam is als je in het ziekenhuis van Elsene niet in je eigen taal wordt geholpen. Maar dit is 2012, we moeten vooruit kijken. Meertaligheid is de toekomst, dat blijkt nergens duidelijker dan in Brussel”.

–          Bent u ook in Albanië actief als opiniemaker?

Lleshi: “Nee, ik volg Albanië maar van op een afstand. Tegenwoordig moeten we allemaal reizende kosmopolieten zijn, maar wat is er mis met lokaal engagement? Je hebt nergens een grotere impact dan op de plek waar je leeft. Mijn voornaamste engagement, dat is een beter Brussel.  Ik wil dat iedereen zo hard van deze stad kan genieten als ikzelf. En nee, ik ervaar dat niet als tegenstrijdig met mijn inzet voor de rest van de wereld”.

–          Albanezen hebben niet zo’n beste reputatie.  Bij de doorsnee Vlaming roept de naam associaties op met vrouwenhandel, prostitutie, banditisme en ongure portiers.  Nooit last gehad van die vooroordelen?

Lleshi: “Meermaals, maar ik heb mijn reactie paraat. Uiteraard houd ik me zoals alle Albanezen bezig met drugsmokkel en vrouwenhandel, zeg ik. En daarnaast heb ik nog een aantal andere bezigheden, zoals politieke economie doceren, boeken en analyses schrijven en documentaires maken”.

Bleri Lleshi’s blog:  http://blerilleshi.wordpress.com/